„Soms doe ik er me zelf ook pijn mee, maar de waarheid is nu

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 378 DE AANSLAG OP DE LONDENSCHE BEURS.

DE AANSLAG OP DE LONDENSCHE BEURS.

HOOFDSTUK I

ROSENTHAL EN PENNOCK.

In de onmiddellijke nabijheid van de beurs te Londen bevinden zich een

groot aantal kantoren van bankiers, makelaars in effecten, beursagenten

en andere personen, die op de een of andere wijze iets uitstaande

hebben met God Mammon.

De Londensche beurs is aan een breede straat gelegen, Cornhill

geheeten.

In lang vervlogen eeuwen werden op dezen „Korenheuvel” de voorraden

graan ter markt gebracht, door de boeren, die rondom de groote stad

woonden, welke destijds nauwelijks het twintigste deel bedroeg van het

huidige, onmetelijke Londen.

De Londensche beurs is een fraai gebouw, met een prachtige Corinthische

portiek, en nog niet lang geleden gebouwd, want het werd door koningin

Victoria in het jaar 1844 geopend.

Deze portiek heeft twee ingangen, welke kunnen worden afgesloten door

prachtige bronzen hekken, van niet minder dan zeven meter hoogte.

Van bewonderingswaardige schoonheid zijn de muurschilderingen, welke

men in de groote vestibule aantreft.

Tegenover de beurs bevindt zich het reusachtige gebouw van de Bank van

Engeland, waarvan zij gescheiden is door de Threadneedle Street, een

betrekkelijk smalle straat, die almede tot een der oudste van Londen

behoort.

Het gebouw van de Engelsche Bank is van veel ouderen datum, want het

werd gebouwd tusschen de jaren 1732 en 1829.

Wel heeft men er in die negentig jaren niet voortdurend aan

voortgebouwd, daar verscheiden onvoorziene gebeurtenissen den bouw

tegenhielden, maar toch kan men wel rekenen, dat er tientallen jaren

met den eigenlijken bouw gemoeid zijn geweest.

Op deze beide hoofdgebouwen nu, die als het ware het financiëele hart

van Londen, waarschijnlijk van heel Engeland en misschien wel van heel

Europa vormen, groepeeren zich, als kuikens om de hen, de talrijke

kleinere banken.

In Lombard Street, op ongeveer tien minuten gaans van Cornhill, verheft

zich een groot kantoorgebouw, waarvan de verschillende verdiepingen aan

een zestal maatschappijen zijn verhuurd.

De twee benedenste worden ingenomen door de bank van de heeren

Rosenthal en Pennock.

Wellicht kon deze combinatie in de ooren van een oprechten chauvinist

een verdachten klank hebben, maar dat behoefde toch volstrekt niet het

geval te zijn, want wel is waar was de betovergrootvader van den heer

Jacques Rosenthal als volbloed Frankforter in het jaar 1677 naar Londen

gekomen, maar hij had zich spoedig laten naturaliseeren, en van dat

tijdstip af hadden diens afstammelingen zich als echte Britten

beschouwd.

Hoe dit ook zij, de huidige compagnon van Pennock bleek van zijn

voorvaderen een zeldzaam talent voor allerlei geldelijke transacties te

hebben overgeërfd, en daar Pennock een man was met een verbazende

hoeveelheid menschenkennis en een ongelooflijken werklust, zoo moest

hun samengaan wel succes opleveren.

Op den dag, volgend op de onderteekening van den wapenstilstand, hadden

de beide heeren hun tenten opgeslagen in het kantoorgebouw in de

Lombard Street, en aanstonds scheen de fortuin hen toe te lachen.

Hun bank, de „Midland Credit Bank” geheeten, mocht zich aldra in een

uitgebreide clandisie verheugen, en steeds grooter werd het aantal

diergenen, die op deze bank trokken, of er hun geld belegden, meestal

op langen termijn, want het duurde niet lang of de solvabiliteit van de

„Midland Credit” stond onaantastbaar vast. Het personeel, dat bij de

oprichting uit zes koppen bestond, was in den loop van slechts een paar

jaren aangegroeid tot een tal van vier en zestig helpers, kassiers,

wisselklerken, bedienden voor de deposito’s, voor de afdeeling

credietbrieven, boekhouders, en andere onontbeerlijke employé’s.

Zoodra men de breede deuren binnentrad, die om negen uur in den morgen

geopend werden, bevond men zich van aangezicht tot aangezicht met een

deftigen portier, die, zich zijn waarde wel bewust zijnde, met de

handen op den rug heen en weer liep in de voorvestibule, die door twee

klapdeuren was gescheiden van de eigenlijke bankruimte, waar zich de

loketten bevonden.

Daar bevonden zich, in een halfcirkelvormigen boog, de dozijnen

loketten, alle genummerd, waarachter de beambten hun werkzaamheden

verrichtten.

Langs de wanden stonden banken geschaard, waarop de bezoekers konden

plaatsnemen, die gekomen waren om effecten te verzilveren, coupons te

innen, rente te laten bijschrijven, of het geld van wissels en cheques

te ontvangen.

Op drukke uren trof men daar wel een honderdtal kantoorloopers aan,

allen gewapend met groote tasschen, welke de meeste hunner met een

sterken ketting aan den pols hadden bevestigd.

Ook hier bevonden zich twee portiers, die iedereen te woord stonden,

die vreemdelingen waren in dit Jeruzalem, en die tevens een oogje in

het zeil moesten houden.

Want er waren nog altijd langvingers genoeg, keurig gekleed, en uiterst

behendig, die kans zagen, er met de geldtasch van een ander van door te

gaan of met den haak van hun wandelstok een pakje bankbiljetten naar

zich toe te halen, hetwelk een achtelooze klant tijdelijk naast zich

had neergelegd op den marmeren rand, die langs alle loketten heenliep.

In de ruimte, welke door de rij loketten was omgeven, kon men de tafels

ontwaren, waaraan de klerken gezeten waren, en tevens de zware en zeer

sterke brandkast, waaruit de hoofdkassier telkens de benoodigde

bedragen nam, om die tegen afgifte van een bon aan de hulpkassiers voor

te tellen.

Het was omstreeks half elf in den morgen, toen een groote, blauwgelakte

limousine stilhield voor de bank van de heeren Rosenthal en Pennock.

Achter het stuurwiel zat een chauffeur van reusachtigen lichaamsbouw,

in een elegante, maar volstrekt niet opvallende, grijze livrei.

Het portier van de groote auto werd van binnen af geopend, nog voor de

kleine „button” had kunnen toesnellen, die op post had gestaan bij de

voordeur.

Twee heeren stapten uit de auto.

De een was omstreeks veertig jaar oud, tenminste wanneer men oordeelde

naar zijn haar, dat aan de slapen eenigszins begon te grijzen.

Zijn oogen echter, van een eigenaardige grijze kleur, schitterden als

die van een jongeling.

De scherp gesneden trekken getuigden van ontembare wilskracht, en de

lijnen langs den mond met de smalle lippen getuigden er van, dat deze

man in zijn leven reeds veel had geleden.

Hij was gekleed in een jacquetkostuum, dat zeker afkomstig was van een

meester in zijn vak.

De jonge man, die in zijn gezelschap was, verschilde minstens tien jaar

met hem, misschien wel vijftien.

Hij was bijna een hoofd kleiner, sierlijk gebouwd, en vertoonde in een

vroolijk rond gelaat twee groote blauwe oogen.

Als hij lachte, hetgeen nog al eens scheen te gebeuren, vertoonde zijn

mond twee rijen hagelwitte tanden, welke menige schoone vrouw hem zou

hebben benijd.

Ook hij was met de uiterste zorg, maar zonder de minste fatterigheid,

gekleed.

De oudste der beide heeren wisselde eenige woorden met den chauffeur,

na het portier te hebben dichtgeklapt, en daarop bestegen zij beiden de

weinige treden van het breede terras, dat zich voor het bankgebouw

uitstrekte.

De deftige portier scheen hen wel te kennen, want hij tikte beleefd aan

zijn pet.

In plaats dat de beide heeren echter doorgingen naar de groote

vestibule, wendde de oudste hunner zich tot den portier en vroeg:

„Wij kunnen zeker een van de beide heeren bankiers wel een oogenblik

spreken?”

De portier trok eerst een bedenkelijk gezicht, maar toen scheen hem in

te vallen dat Lord William Aberdeen tot een der beste klanten van zijn

patroons behoorde, en dat ook zijn secretaris, Charly Brand, in wiens

gezelschap hij zich thans bevond, een niet onaardig bedrag als deposito

op de „Midland Credit Bank” had staan.

„Ik geloof, dat mijnheer Rosenthal naar de beurs is, Mylord,” zeide hij

gewichtig. „Maar mijnheer Pennock is in zijn privé-kantoor, dat weet ik

zeker. Wees zoo goed even plaats te nemen, dan zal ik telefoneeren.”

Lord Aberdeen en zijn secretaris namen plaats op een van de breede

eikenhouten banken, terwijl de portier zijn kleine loge binnentrad, en

den telefoonhoorn van den haak nam.

Hij sprak even in het toestel, en vroeg toen, zich tot Lord Aberdeen

wendende:

„Mijnheer Pennock vraagt of gij hem persoonlijk wilt spreken, of dat

gij het met zijn secretaris kunt afdoen.”

„Het liefst sprak ik met mijnheer Pennock persoonlijk!” antwoordde de

rijke bezoeker. „Wij zullen mijnheer Pennock echter niet langer dan

hoogstens tien minuten ophouden.”

De portier sprak nog eenige oogenblikken in het toestel, om vervolgens

den hoorn op te hangen en uit zijn loge te treden.

„Mijnheer Pennock zal u gaarne verwachten, Mylord!” zeide hij met een

buiging.

Hij wenkte den jongen met zijn uniform vol glanzende knoopen, waaraan

hij zijn bijnaam te danken had, en zeide, toen de knaap was komen

toeloopen:

„Wijs de beide heeren eens den weg naar het particuliere kantoor van

mijnheer Pennock!”

„Dat is volstrekt niet noodig!” kwam Lord Aberdeen glimlachend. „Wij

kennen den weg. En gij hebt ons bezoek reeds aangekondigd. Wij zullen

boven wel iemand vinden die ons aandient.”

„Zooals gij wilt, Mylord!”

Lord Aberdeen was reeds opgestaan, en hij verliet nu, door zijn

secretaris gevolgd, de vestibule door een breede zijdeur, waarachter

onmiddellijk de trap naar de eerste verdieping begon, welke haar licht

ontving door een zeer hoog raam, dat op de straat uitzag.

De trap liep uit op een breed portaal, waarop verscheiden deuren

uitkwamen.

Lord Aberdeen aarzelde echter geen oogenblik, maar trad op een dezer

deuren toe, klopte aan, en ging dadelijk daarop binnen, nog altijd door

zijn secretaris gevolgd.

De beide heeren bevonden zich in een vrij groot kantoorlokaal, waarin

een twintigtal mannelijke en vrouwelijke klerken druk zaten te werken.

Dadelijk sprong er een kantoorjongen op, die hen tegemoet ging, en

vroeg wat zij wenschten.

„Ik wensch mijnheer Pennock te spreken, vriendje!” zeide Lord Aberdeen.

„Hij verwacht mij.”

„Die deur, mijnheer!” zeide de jongen kortaf, als iemand die het zeer

druk heeft, en dadelijk stevende hij weer naar zijn lessenaar, teneinde

daar zijn gewichtige taak voort te zetten, die bestond in het plakken

van postzegels op een grooten stapel enveloppen, en het vouwen van

circulaires.

De beide heeren staken de zaal in haar volle lengte over, gingen een

tweede deur door, en bevonden zich nu in een andere kamer, veel

kleiner, en van wat meer gemakken voorzien dan het kantoorlokaal.

Er stond een fraai schrijfbureau, men zag er een sofa, een paar

clubfauteuils en een sierlijk bewerkt rooktafeltje.

Dit was het vertrek van den secretaris der bankdirectie, en ook hier

zaten de typisten, waarover hij de beschikking had.

Dit vertrek grensde onmiddellijk aan de particuliere werkkamer van

mijnheer Pennock.

Eén van de jonge meisjes was dadelijk bij het binnenkomen van de beide

heeren opgestaan, en weer moest Lord Aberdeen het doel van zijn komst

zeggen.

Het meisje wees zwijgend op een tweede deur en ging weer aan het werk.

De secretaris, een man met een volkomen gladden schedel, waarop geen

enkel haartje scheen te willen uitbotten, had zelfs niet omgekeken.

Lord Aberdeen klopte aan.

„Binnen!” riep een zware stem aan den anderen kant van de deur, en naar

het scheen een weinig ongeduldig.

Lord Aberdeen opende de deur, en trad met zijn secretaris een modern

gemeubeld vertrek binnen, dat slechts heel in de verte herinnerde aan

de sombere kamers, waarin zich in vroegere jaren de heeren

bankdirecteuren meenden te moeten opsluiten.

Het vertrek werd door drie ramen verlicht.

Het behang was van goudleder en tot manshoogte waren de wanden

beschoten met fraai gepolitoerd mahoniehout.

Op den parketvloer lag een reusachtig Perzisch tapijt.

Het meubilair, de reusachtige schrijftafel, de boekenkasten, waren van

notenhout.

Bij den monumentalen haard stonden een paar clubfauteuils van echt

leder.

Een kleine brandkast, half in den muur verscholen, voltooide dit

meubilair, en het leek wel, alsof deze kast hier volstrekt niet

behoorde, en daar maar bij toeval was terecht gekomen.

De heer Pennock was voor zijn schrijftafel gezeten.

Hij was bezig, het onderwerp van een brief te dicteeren aan een jong

meisje, dat op een paar passen afstand van hem verwijderd stond, en van

wie de beide binnentredende heeren op dit oogenblik nog niets anders

konden waarnemen dan een overvloed van blauwzwart haar, zeer lange,

donkere wimpers en een stukje van een fijn gevormden neus, want zij

stond half van hen afgewend.

HOOFDSTUK II.

DE TYPISTE VAN DEN BANKDIRECTEUR.

Steeds dicteerende, maakte Pennock, terwijl hij in zijn stoel in de

richting van zijn bezoekers boog, een uitnoodigend gebaar naar een paar

stoelen.

Lord Aberdeen en zijn secretaris namen er op plaats en de stoelen

stonden zoo, dat zij nu het gelaat van de steno-typiste, die snel en

accuraat het dicté opnam, goed konden waarnemen.

En zij zagen een vrouw van zeer groote schoonheid, met een

buitenlandsch voorkomen.

Het dikke zwarte haar, eenvoudig opgemaakt, omlijstte een gelaat van

het zuiverste ovaal.

De mond was bijzonder fraai geteekend, de kleine neus was licht

gebogen, de wenkbrauwen zouden een schilder in verrukking hebben

gebracht.

Zij was geheel in haar werk verdiept, en toen Pennock even zweeg om

zijn gedachten te verzamelen, sloeg de typiste een oogenblik de oogen

op.

Het waren zeer groote, eenigszins amandelvormige oogen, bijna zwart, en

met een donkeren gloed er in.

Het volgende oogenblik echter waren die beide tweelingsterren weder

achter de oogleden verborgen.

Nog eenige oogenblikken klonk de wat scherpe stem van Pennock. Toen

zeide hij:

„Afgeloopen, juffrouw! Onmiddellijk uitwerken. Dadelijk posten en breng

mij de copie van den brief, zoodra gij hem getikt hebt.”

Het meisje knikte zwijgend, schroefde haar vulpen in, en verliet het

vertrek, door dezelfde deur waardoor de bezoekers waren binnengetreden

en zonder hen ook maar met een enkelen blik te hebben verwaardigd.

Pennock was opgestaan, en trad nu zijn bezoekers haastig tegemoet.

Er lag eerbied in zijn stem, toen hij zeide:

„Ik hoop, dat gij het mij niet ten kwade zult duiden, Mylord, indien ik

U een oogenblik heb laten wachten. De zaak was van groot belang en

duldde geen uitstel.”

„Verontschuldig U niet, mijn waarde Pennock!” zeide Lord Aberdeen

glimlachend. „Ik weet uit eigen ondervinding hoe onaangenaam het is bij

dergelijke werkzaamheden te worden gestoord, of ze midden in te moeten

afbreken! Ik heb U reeds laten zeggen, dat wij U niet lang zouden

ophouden!”

„Neem plaats, wat ik U verzoeken mag en zeg waarmede ik U van dienst

kan zijn,” hernam de bankier.

De drie heeren gingen zitten en Lord Aberdeen begon:

„Waarde Pennock, wij kennen elkander reeds eenige jaren, en sedert de

oprichting van Uw bank ben ik Uw klant geweest, en naar ik meen een

vrij goede klant. Ik heb dadelijk vertrouwen gesteld in de soliditeit

van Uwe onderneming en ik heb tot mijn genoegen gezien, dat gij niet

behoort tot die bankiers, die iemand het vel over de ooren halen, of

zich inlaten met gewaagde speculaties, waardoor ook het kapitaal van

hun inleggers gevaar zou loopen.”

Pennock boog even, als iemand die zulk een compliment volkomen verdiend

acht, en daarop vervolgde zijn bezoeker:

„Juist omdat Uw voorzichtigheid en Uw beleid boven iederen twijfel

verheven zijn, wend ik mij tot U. Ik weet, dat gij zeer uitgebreide

connecties hebt in Rusland, zoo uitgebreid als men ze op dit oogenblik

maar kan hebben.”

Pennock haalde mistroostig de schouders op en zeide:

„Het heeft helaas niet veel om het lijf, Mylord; ik meen onze

geldelijke transacties met de Russische Sovjet Republiek. Wat mij

betreft, kunnen die heeren Bolsjewiki mij gestolen worden. Zij mogen

het dan nog zoo goed met de arme menschheid meenen, van geldzaken

hebben zij niet het flauwste begrip, en als werkelijk gebeurde,

waarnaar zij zoo vurig verlangen, namelijk, dat de geld- en

wisselhandel van den eenen dag op den anderen werd afgeschaft, dan zou

er nog geen etmaal later een chaos heerschen, zóó ontzettend, dat

hiertegen onmogelijk de zegeningen zouden kunnen opwegen, welke die

heeren te Moskou ons beloven. De handel zou volkomen worden lamgelegd,

er zouden geen levensmiddelen meer worden aangevoerd, noch steenkolen,

noch ijzer, noch goud, niets. Want niemand zou zijn kostbare producten

willen afstaan.”

„Dan zou degeen, die ze noodig heeft, ze misschien nemen,” hernam Lord

Aberdeen glimlachend.

„Dat is zelfs zeer waarschijnlijk. En daardoor juist zou er een

vreeselijke strijd ontstaan, de een zou den ander bestelen, en wij

zouden getuigen zijn van een wanorde, zooals men zich eenvoudig niet

kan indenken. Gij moogt zeggen, dat ik in mijn eigen zaak pleit, maar

ik houd het er eerlijk en oprecht voor, dat de zaken, zooals ze thans

geregeld zijn, nog het best marcheeren, al wil ik niet ontkennen, dat

er aan den wereldruilhandel nog vele fouten kleven. Ik ontken echter

ten stelligste, dat men dien plotseling, zonder eenigen overgang, zou

kunnen opheffen. Maar wij dwalen af, gij spraakt over Rusland,

nietwaar?”

„Zoo is het! Voor mij opent zich de gelegenheid, aandeel te nemen in

een tamelijk uitgebreide onderneming daarginds. Het betreft een

spoorwegaanleg. Namen mag ik echter nog niet noemen. Gij zijt zelf

zakenman en gij zult begrijpen, dat geheimhouding verplicht is. Het

eenige doel van mijn komst is, van U, die in Rusland nog zeer vele

handelsvrienden hebt, en van den toestand daarginds uitstekend op de

hoogte kan zijn, te vernemen of zulk een onderneming al of niet gewaagd

is.”

Pennock antwoordde niet dadelijk, krabde zich toen met scheefgetrokken

mond eenige malen achter het oor, en antwoordde toen:

„Het is niet zoo makkelijk, Mylord, op zulk een vraag te antwoorden als

men geen bijzonderheden kent, en die kunt ge mij niet verschaffen,

zooals ik zeer goed begrijp. Trouwens vrees ik, dat men U wel wat al te

veel heeft gezegd over de waarde van mijn connecties met het

tegenwoordige Rusland. Het is mij bekend, dat er voor den oorlog in

Rusland een spionnagestelsel bestond, van welks omvang wij Westerlingen

ons nauwelijks eenig voorbeeld kunnen maken. Gij hebt natuurlijk

gehoord van de „Ochrana”.

„Van de geheime Russische politie? Wie zou daar niet van gehoord

hebben!” riep Lord Aberdeen uit.

„Zij beheerschte als het ware het geheele openbare leven in Rusland,

tijdens het Tsaristische regime. Men zou wanen, dat deze instelling

tegelijkertijd met dat veel gesmade regime zou zijn verdelgd, niet

waar? Welnu, ik kan U verzekeren, dat de voormalige „Ochrana” met haar

als kelners, koetsiers, hotelportiers en kruiers vermomde geheime

agenten slechts kinderspel was, vergeleken bij den spionage-dienst,

dien Lenin en Trotzky hebben ingesteld. Daar weet Sonja staaltjes van

te verhalen, waarbij U de haren te berge zouden rijzen.”

„Pardon, welke Sonja bedoeldt gij?” vroeg Lord Aberdeen glimlachend.

„Dat is mijn Russische steno-typiste! Zij was zooeven hier, toen gij

binnenkwaamt. Een zeer schrander meisje, dat verscheidene talen

vloeiend spreekt, en dat mij juist voor mijn zaken met Rusland van

groot nut is. Sonja Paviac heet zij.”

„Dan is zij zeker nog niet lang bij U in dienst, want ik kan mij niet

herinneren, dat ik haar gezien heb, toen ik U drie maanden geleden kwam

bezoeken.”

„Zij kwam omstreeks een halve maand daarna, Mylord. Ik heb nog geen

oogenblik spijt gehad, dat ik haar in dienst heb genomen. Maar om op

het onderwerp van ons gesprek terug te komen. Ik vrees, dat

informaties, welke ik uit Rusland ontvang, slechts zeer onvolledig den

werkelijken toestand weergeven. Men is nooit zeker, dat men ongeopende

brieven ontvangt, en men kan er wel gerust op zweren, dat de meeste

brieven, welke in Rusland binnenkomen, zorgvuldig worden nagezocht, of

zij soms geestelijke contrabande bevatten. Niemand is daarginds zijn

leven zeker, wanneer van hem bewezen kan worden, dat hij vijandig staat

tegenover de Bolsjewistische beginselen. Wat onze financiëele

betrekkingen met die lieden betreft? Ik zou er niet gaarne mijn hand

voor in het vuur durven steken, dat de heeren in Moskou inderdaad,

zooals zij reeds beloofd hebben, al hun geldelijke verplichtingen

jegens het buitenland zullen nakomen. Of het in die omstandigheden

geraden zou zijn, geld te steken in een spoorwegmaatschappij, die haar

eerste meters spoorstaven nog moet leggen? Ik zou die vraag niet gaarne

onvoorwaardelijk bevestigend beantwoorden. Gij moet mij goed verstaan.

Ik zou er natuurlijk veel liever wel bevestigend op antwoorden. Rusland

is het land der onbegrensde mogelijkheden, veel meer nog dan Amerika,

voor welk land men het eerst die zegswijze heeft gebruikt, en wie weet

wat er later nog gebeuren kan. Maar voor het oogenblik meen ik U

bepaald te moeten ontraden, Mylord, geld te steken in zulk een gewaagde

onderneming. Een nieuwe spoorwegmaatschappij daarginds kan zeer stellig

groote winsten afwerpen, maar dan is het ook volstrekt noodzakelijk,

dat men daar een legertje Engelsche controleurs op de been houdt, want

er wordt nergens zoo gestolen als in Rusland, en dit nu is juist onder

de huidige omstandigheden onmogelijk. Het spijt mij, dat ik U geen

ander antwoord heb kunnen geven.”

„Verontschuldig U vooral niet, mijn waarde Pennock!” hernam Lord

Aberdeen, die was opgestaan en zijn hoed had gegrepen. „Ik ben

overtuigd, dat gij mij ten beste hebt geraden en ik dank U daarvoor.

Kom mijnheer Brand, wij willen mijnheer Pennock niet langer ophouden.

Wat wij hier nog te doen hebben, daarvoor hebben wij alleen den kassier

noodig.”

De beide heeren namen afscheid, nadat zij door den bankier zelf naar de

verbindingsdeur waren geleid.

Toen zij daar binnentraden zagen zij Sonja Paviac voor haar

schrijfmachine zitten, druk bezig met het uitwerken van het stenogram,

dat zij zooeven had opgenomen.

Zij keek slechts even op, toen de beide heeren passeerden, maar was het

volgende oogenblik weder in haar arbeid verdiept.

Lord Aberdeen en zijn secretaris gingen het kantoorlokaal weder door,

daalden de breede trap af, bereikten de vestibule, vereffenden eenige

zaken met den kassier, en traden vervolgens weder naar buiten.

De chauffeur kwam aanstonds van zijn zetel en opende met de pet in de

hand het portier van de limousine.

„Waarheen, Mylord?” vroeg hij eerbiedig.

„Rijdt ons naar huis, Henderson!” antwoordde Lord Aberdeen.

De beide heeren stapten in, het portier klapte dicht en de chauffeur

nam achter het stuurwiel plaats, waarop de auto zich in beweging zette.

Lord Aberdeen leunde glimlachend in de kussens achterover en zeide half

spottend, half ernstig:

„Het is merkwaardig, die goede Henderson staat daar naast het portier

met een onderdanigheid alsof hij met een waarachtigen Lord Aberdeen te

doen had, en niet maar eenvoudig met John Raffles, den

Gentleman-Inbreker. Hij doet alsof hij volstrekt niet weet, wie ik

eigenlijk ben, en hij behandelt mij voor het oog van de wereld geheel

als een echten Lord, ofschoon hij reeds verscheidene jaren deel neemt

aan vele van mijn gevaarlijkste avonturen, waarbij de leer van het mijn

en dijn nog al eens een enkele maal in het gedrang komt.”

De Gentleman-Inbreker haalde langzaam een sigaret uit zijn gouden

koker, stak ze op, blies een rookwolk uit, en vervolgde droomerig:

„Ik heb den braven jongen reeds herhaalde malen in den mond gegeven,

dat hij mij moest verlaten. Hij weigert, hij blijft steeds weigeren.

Soms ook barst die reus, die mij en jou tezamen gemakkelijk met een

hand van den vloer kan tillen, als een kind in tranen uit, wanneer ik

hem voorstel zijn eigen weg te gaan, om dat ik niet wil dat hij zijn

leven nog langer koppelt aan dat van een dief....”

„Stil, Edward, niet zeggen,” zeide Charly Brand op zachten toon,

terwijl hij zijn rechterhand op den arm van zijn eenigen, trouwen

vriend legde. „Je doet er me pijn mee.”

„Soms doe ik er me zelf ook pijn mee, maar de waarheid is nu eenmaal

vaak onaangenaam om te hooren,” zeide Raffles met een kort lachje. „Wat

denk je wel, dat hoofdinspecteur Baxter zou doen, wanneer hij morgen

als een volstrekte zekerheid te weten kwam, dat Lord Aberdeen dezelfde

persoon is als Lord Edward Lister, alias John Raffles? Je zwijgt? Laat

ik het je dan maar zeggen. Hij zou een oogenblik stom van verbazing

terneder zitten, en dan zou hij geen seconde langer aarzelen om

desnoods vijftig van zijn politieagenten op mij af te zenden en mij te

laten arresteeren. Het is waar, dat ik de zaken in het groot drijf,

maar dat zou vriend Baxter toch niet beletten, mij als een ordinairen

dief te behandelen.”

„Ik smeek je, Edward, praat daar niet langer over,” riep Charly Brand

uit. „Ik heb je vroeger al menigmaal geraden, het noodlottig beroep,

dat je gekozen hebt te laten varen, je hebt altijd geweigerd en gezegd,

dat je nooit genoeg geld kon bezitten, om het onrecht goed te maken,

dat er op onzen aardbol wordt gepleegd. Maar praat er dan ook niet

over, rijt geen wonden open, die zoo smartelijk zijn als deze.”

Raffles had de rechterhand over de oogen gelegd, en scheen in diepe

gedachten verzonken.

Plotseling richtte hij zich weer op, wierp zijn half opgerookte sigaret

uit het portier, en riep schouderophalend:

„Wat doet het er ook toe. Als het einde mocht komen, vroeg of laat, dan

zal het mij recht opgericht vinden, trotsch en zonder berouw. Ik heb

eenige jaren geleden mijn keuze gedaan, en ik zal voort blijven gaan op

den ingeslagen weg, wat er ook gebeuren moge! De meesters der wereld

mogen mij beoordeelen zooals zij willen, in ieder geval zal mijn naam

als Lord Aberdeen nog wel eenigen tijd blijven voortleven in de harten

van de menschen, die ik heb kunnen bijstaan in de ellende, en dat maakt

veel goed.”

Charly had zijn hand op den schouder van zijn vriend gelegd en zeide

nu, met een stem vol aandoening:

„Je naam zal eeuwig voortleven in de harten van duizenden, Edward.”

HOOFDSTUK III.

EEN ONTMOETING.

Het was omstreeks twaalf uur in den nacht.

Raffles en Charly hadden voor dien nacht het plan gemaakt, goed

vermomd, een bezoek te brengen aan een van de havenwijken, zooals zij

menigmaal plachten te doen.

Het huis, hetwelk Raffles onder den naam van Lord Aberdeen bewoonde, en

dat in de Regent-Street gelegen was, niet ver van de Mall, leende zich

uitstekend voor dergelijke nachtelijke uitstapjes, want de tuin, die er

zich achter uitstrekte, was door een muur gescheiden van een stille

zijstraat, waar zich nooit een levende ziel bevond, en in dezen muur

bevond zich een kleine tuindeur, dicht naast de garage, waarboven zich

de woning van James Henderson, den trouwen chauffeur van Zijn Lordschap

bevond.

Niets was dus gemakkelijker, dan het huis langs dezen kant te verlaten,

zonder dat iemand het zag.

De beide mannen hadden zich eenvoudig gekleed en konden doorgaan voor

goed betaalde arbeiders.

Wat hun uiterlijk betreft, niemand zou in hen Lord Aberdeen en zijn

secretaris herkend hebben.

Raffles had de vermommingskunst weten te vervolmaken op een wijze, die

iederen beroepsacteur met de grootste verbazing zou hebben vervuld.

Ook het scherpste, meest geoefende oog zou den bedriegelijken aard niet

hebben kunnen onderscheiden van de valsche wenkbrauwen, de valsche

knevels, baarden en pruiken, welke Raffles gebruikte.

De gewone schmink, zooals de tooneelspelers deze gebruiken, was door

hem in den ban gedaan, en daarvoor in de plaats gebruikte hij

verscheidene mengseltjes van zijn eigen vinding, die de huid

verkleurden, zonder haar in het minst te beschadigen, en die bestand

waren tegen zon en regen.

Toegerust met een verbazend aanpassingsvermogen mocht Raffles gerust

het scherpste oog van een politiespeurder tarten.

Ook nu weder had Charly hem vol bewondering aangekeken, toen Raffles

met de handen in zijn zakken, het bolhoedje achter op het hoofd, en een

half afgekloven zwarte sigaar in den mondhoek, aan zijn zijde over de

straat slenterde.

Men zegt weleens van een acteur, dat hij „in de huid is gekropen” van

den persoon, dien hij op het tooneel heeft voor te stellen, maar bij

Raffles leek dit inderdaad het geval te zijn.

Hij had thans niet alleen het uiterlijk van den gegoeden arbeider, hij

had er den loop van, de gebaren, de wijze van kijken, en zelfs de

manier, waarop hij met groote zekerheid in een sierlijken boog een

straal tabakssap moest uitspuwen.

Zoodra Raffles de kleine tuindeur achter zich gesloten had, richtten de

beide vrienden hun schreden naar de Regent-Street.

Zij liepen deze straat ten einde, tot zij de Pall-Mall bereikten.

Vijf minuten verder sprongen zij in Cockspur op een voorbij rijdende

electrische tram, waarvan zij wisten, dat zij hen tot ver in de

zuid-oostelijke wijken van de stad zou brengen.

Na een rit van ongeveer drie kwartier bevonden de beide vrienden zich

niet ver van den New Kent Road, in de wijk van Wington.

Hier verlieten zij het voertuig weder, en namen nu een ander

vervoermiddel te baat, een motorbus, die hen nog heel wat verder

bracht, langs de zooeven genoemde straat.

Het was bijna elf uur in den avond, toen de beide vrienden voor de

tweede maal afstapten op den hoek van de Grange Road.

Zij bevonden zich nu in het hartje van het industriëele Londen.

Op ongeveer drie kwartier gaans stroomde de Theems in noordelijke

richting.

Het was hier nog zeer druk, en talrijke bioscopen spuwden juist haar

duizenden bezoekers als het ware weder op straat uit.

Ongeveer vijftig meter van de plaats waar Raffles en Charly van de bus

waren gesprongen, schitterden de lichten van een niet Tang geleden

gebouwde music hall.

Eigenlijk was het niet veel anders dan een verkapte danszaal, met een

orkestje van zes man, waar de vertering niet al te duur was, en waar

men een zeer eigenaardig publiek aantrof, dat voor een groot gedeelte

bestond uit winkeljuffrouwen, klerken, telefoonjuffrouwen en hunne

standgenooten.

Raffles en Charly slenterden de breede Grange Road in, en stonden een

oogenblik besluiteloos stil voor dit paleis met zijn schelle lichten.

Eensklaps trok Raffles zijn metgezel aan de mouw, en zeide op gedempten

toon:

„Kijk daar eens heen! Neen, daar bij die lantaarn!”

„Die vrouw, die daar juist met een heer uit een huurauto stapt?”

„Juist, herken je haar niet?”

Charly keek een weinig nauwkeurig toe, en antwoordde toen:

„Welzeker, dat is Sonja Paviac!”

„Ja, de steno-typiste van onzen vriend Pennock!”

„Wat komt zij hier uitvoeren?”

„Zich amuseeren, denk ik. Zij is jong en mooi,” antwoordde Raffles

kalm.

„Waarom doet zij dat dan niet een weinig dichter in de buurt?”

„In welke buurt?”

„Natuurlijk in de buurt van haar huis!”

„Hoe weet je, dat zij hier niet ergens woont?”

„Maar daar ziet zij toch heelemaal niet naar uit!”

„Waarom niet?”

„Waarom niet? Wel om alles! Omdat zij mooi is, omdat zij een echte dame

is! Zij hoort hier niet thuis.”

„Ik merk tot mijn verwondering, dat geestdrift je verleidt nonsens te

zeggen, Charly!” hernam Raffles schouderophalend. „Dat zij mooi is

ontken ik niet, en dat zij zich als een dame gedraagt, evenmin. Dit

alles neemt echter niet weg, dat zij haar brood verdient als typiste,

en daarom zou ik het volstrekt niet verwonderlijk vinden, als zij in

deze volksbuurt woonde.”

„Nu, ik geloof er niets van,” kwam Charly. „Stel je voor, dat zij

iederen dag een rit van vijf kwartier naar haar kantoor en weer terug

zou maken!”

„Wat zou dat?” hernam Raffles verwonderd. „Er zijn heel wat klerken,

die in de City van Londen hun brood verdienen en iederen dag van twee

tot drie uur tusschen de wielen moeten zitten om van en naar hun

kantoor te gaan!”

Charly antwoordde niet aanstonds, maar keek onafgewend naar de schoone

Russin, die op dit oogenblik met haar begeleider het danspaleis binnen

ging.

Toen hij weer sprak, had zijn stem een eenigszins schorren klank.

„Zij woont niet hier, zij woont in de Newman-Street!”

Raffles wendde met een ruk zijn hoofd naar Charly, en liet een zacht

gefluit hooren.

„Dat weet je bijzonder nauwkeurig!” zeide hij op spottenden toon. „Hoe

komt dat zoo?”

„Ik heb het toevallig.... vernomen.”

„Je stelde dus al vroeger eenig belang in die jonge dame?”

„Ik vond haar zeer schoon.”

„Goed en wel, je kende haar dus, vóór wij vanmorgen Pennock bezochten?”

„Ik heb eens een paar woorden met haar gewisseld, toen ik bij Pennock

eenige malen achtereen als je secretaris een paar boodschappen heb

gedaan.”

„Wel, wel, dat is....” begon Raffles hoofdschuddend.

Hij nam Charly scherp op, haalde de schouders op, wendde zich af, en

mompelde iets in zich zelf, dat Charly onmogelijk kon verstaan.

Het volgende oogenblik scheen hij het heele voorval vergeten te zijn.

Hij wendde zich opgewekt tot den jongen man, en zeide:

„Ik heb wel lust om dat danspaleis eens van binnen te bezichtigen.”

„Zooals je wilt,” zeide Charly.

De beide mannen staken de straat over, en gingen het schitterend

verlichte gebouw binnen.

Na de breede vestibule te zijn overgestoken, bereikten zij aanstonds de

danszaal, onmetelijk groot, en waar de bezoekers, die niet meer konden

of wilden dansen gelegenheid vonden uit te rusten, en een glas wijn te

drinken, gezeten aan een van de tafeltjes, die in een breede rij rondom

den dansvloer geschaard waren.

Op een soort podium had een klein orkest plaats genomen, dat om halfeen

in den nacht zou worden afgelost door een andere ploeg, wat ook wel

noodig was, want tegen dat tijdstip zouden de beklagenswaardigen

onafgebroken van zeven uur af hebben gestreken.

Terwijl zij naar een tafeltje zochten, kregen de beide mannen Sonja

Paviac opnieuw in het oog.

Zij had met haar begeleider plaats genomen aan een tafeltje, niet ver

van de ingangsdeur, en zoog welbehagelijk aan een sigaret, terwijl zij

half achterover leunde.

Een oogenblik vestigde zij haar blikken op de beide mannen, die juist

voorbij gingen, maar het was duidelijk te zien, dat zij hen niet

herkende.

Even verder stond Raffles stil, en vroeg op zachten toon:

„Ken je dien heer, die in haar gezelschap is?”

„Ik heb hem nooit gezien!”

„Dan schiet je geheugen te kort. Ik herinner mij zijn gezicht heel

goed. Ik ken zelfs zijn naam.”

„Wie is hij dan?” vroeg Charly haastig.

„Philip Chesterfield, de onderdirecteur van de Engelsche Bank.”

Charly keek den heer nu eens nauwkeurig aan, en zeide toen, terwijl hij

een weinig van kleur verschoot:

„Je hebt gelijk, hij is het! Maar hoe komt zij in gezelschap van dien

man?”

„Wel, hij zal haar eenvoudig hebben uitgenoodigd,” antwoordde Raffles

lakoniek. „De Engelsche Bank is niet ver verwijderd van de „Midland

Credit”, en zij zullen elkander wel eens zijn tegen gekomen.”

„Maar die Chesterfield is zeer rijk,” hernam Charly.

„Wel, dat bewijst, dat onze Sonja Paviac een zeer practisch meisje is,

met een goeden financiëelen kijk.”

„Edward, zeg dat niet! Ik....,” Charly beet zich op de lippen en wendde

zich af.

Raffles nam hem een oogenblik met gefronste wenkbrauwen op, en toen

verscheen er een ironische, spottende glans in zijn oogen.

„Het klinkt bijna als een sprookje, maar ik zou bijna zeggen, dat de

zwarte oogen van die Russische schoone het hart van Charly in vuur en

vlam hebben gezet. Nu, als het een simpele amourette kan blijven, dan

heb ik er vrede mee. Die jonge dame schijnt in ieder geval niet in de

eerste plaats gesteld te zijn op uiterlijk schoon, want Chesterfield

mag een rijk, en ook een zeer bekwaam man zijn, een Apollo is hij nu

bepaald niet. Jonger dan vijftig jaar is hij in geen geval, en zijn

geestigheid heb ik nooit in het bijzonder hooren roemen.”

Na nog eenigen tijd te hebben moeten zoeken, waren de twee vrienden zoo

gelukkig een tafeltje te kunnen bemachtigen, waar juist twee bezoekers

waren opgestaan, op slechts weinige meters afstand van dat, waaraan

Sonja Paviac en Philip Chesterfield gezeten waren.

Raffles bestelde bij den kelner een halve flesch wijn, en verzonk toen

schijnbaar in de aanschouwing van de dansende paren.

In werkelijkheid echter was zijn blik onophoudelijk op het ongelijke

paar gericht.

„Ik zou wel eens willen weten, wat haar beweegt, om met Chesterfield

juist dezen afgelegen tempel van vermaak te bezoeken, terwijl er in de

City zooveel zijn, meer geschikt voor een man als Chesterfield, die op

een paar duizend pond meer of minder niet behoeft te zien. Wat drommel,

zij is hier bijna twee uren per motorbus van haar woning verwijderd.”

Terwijl hij hier nog over nadacht zag hij, dat de jonge Russin,

gebruikmakend van het oogenblik, waarop haar begeleider met den kelner

sprak, bliksemsnel een teeken gaf aan een man met een donker gelaat,

die aan de overzijde van den dansvloer stond, en onafgebroken naar haar

keek.

Het volgende oogenblik stond de jonge vrouw op en sprak eenige woorden

met haar metgezel.

Vervolgens wendde zij zich naar de breede deur, die op de vestibule

uitkwam.

Maar reeds was Raffles vliegensvlug opgestaan.

„Blijf hier op mij wachten!” zeide hij fluisterend tot Charly. „Ik kom

aanstonds terug.”

En voor de jonge man iets had kunnen vragen, had Raffles zich haastig

naar de deur gespoed, welke hij lang voor Sonja bereikte.

Hij stond nu in de vestibule, keek onderzoekend om zich heen, en

ontdekte op een paar passen afstand een deur, die door een portière kon

worden afgesloten.

Snel als de gedachte verborg Raffles zich achter het gordijn en trok

het vlug bijna geheel dicht, maar toch niet zoo ver, of hij kon de

geheele vestibule overzien.

Hij behoefde niet lang te wachten, of Sonja Paviac betrad de vestibule,

en een oogenblik later verscheen de man, dien zij gewenkt had.

Het toeval was Raffles gunstig.

Sonja had een paar passen in de richting van de deur gedaan, waar

Raffles zich verscholen had, en hij kon eenige woorden opvangen van het

korte gesprek, dat het tweetal voerde.

Het volgende oogenblik waren zij weder verdwenen, de vrouw het eerst.

Raffles verliet op zijn beurt de schuilplaats en ging zich weder bij

Charly voegen, die verbaasd en ook eenigszins ongerust op hem wachtte.

„Waar ben je geweest?” vroeg de jonge man, zoodra Raffles weder had

plaats genomen.

„In de vestibule.”

„Om wat te doen?”

„Om eens na te gaan wat onze vriendin Sonja daar kwam uitrichten. Heb

je haar niet zien weggaan?”

„Een oogenblikje maar, zij zit nu weder bij.... dien kerel.”

„Komaan, het gaat goed,” bromde Raffles voor zich heen. „Hij noemt den

onderdirecteur van de Engelsche bank al „die kerel”.”

Hij keek Charly strak aan, en vervolgde:

„Weet je wat zij er kwam doen?”

„Hoe kan ik dat nu weten?” vroeg Charly, terwijl hij met voorgewende

onverschilligheid de schouders ophaalde.

„Zij had er een zeer kort gesprek met een landgenoot. Je kunt hem

daarginds zien staan, aan de overzijde van den dansvloer, die man met

zijn lang zwart haar, zijn slecht verzorgden baard en zijn gloeiende

oogen.”

„Hoe weet je, dat hij een landgenoot van haar is?”

„Heel eenvoudig, zij spraken Russisch.”

„En heb je kunnen hooren wat zij spraken?”

„Voor een deel althans. En ik verzeker je, dat het vrij belangrijk was,

wat zij elkander te vragen en te antwoorden hadden.”

„Waar liep het gesprek over?” vroeg Charly, die al dien tijd

voortdurend naar de jonge Russin gekeken had, die nu met kleine teugjes

van haar sorbet nipte.

„O, het duurde maar heel kort. Hij vroeg haar: „Voor wanneer kan het

zijn?”

„Daarop antwoordde zij: „Nog een week. Is van jullie kant alles in

orde?”

„Daarop antwoordde de man weer: „Stel je gerust, wij kunnen desnoods

morgen handelen, zorg dat je morgenavond om tien uur op de bekende plek

bent, dan zullen wij nader afspreken. Je moet op de seconde na weten,

wanneer het zijn zal, want voor geen goud zouden wij zoo’n bekwame

helpster willen missen!””

„En, was dat alles?” vroeg Charly langzaam.

„Zij antwoordde alleen nog maar, dat zij er zou zijn, en daarop

scheidden zij weder van elkaar.”

Eenige oogenblikken zwegen de beide vrienden.

Charly speelde zenuwachtig met zijn leeggedronken wijnglas, en Raffles

keek hem van onder zijn gefronste wenkbrauwen, met een half spottend,

half medelijdend, lachje aan.

Toen schoof hij wat dichter bij Charly en hernam op gedempten toon:

„Ik geloof niet, dat ik mij vergis, als ik zeg, dat je groot belang

stelt in die jonge vrouw, Charly. O, je behoeft je volstrekt niet te

verdedigen, ik maak je er geen verwijt van. Integendeel, ik ben wel

verplicht je smaak te bewonderen. Hoe het ook zij, ik wilde gaarne, dat

je de korte kennismaking met haar voortzette.”

„Waarom?” vroeg Charly toonloos.

„Omdat ik gaarne iets naders omtrent die Sonja Paviac zou willen

vernemen,” antwoordde Raffles, terwijl hij Charly met zijn staalgrijze

oogen als het ware doorboorde.

HOOFDSTUK IV.

ALS HET HART SPREEKT....

Het was omstreeks tien uur in den morgen van den volgenden dag.

Raffles was alleen in zijn werkkamer.

Reeds van half negen af had hij bijna niets anders gedaan, dan in

verschillende richtingen getelefoneerd.

Het voorval, waarvan hij den avond te voren in het danspaleis getuige

was geweest, had een dieperen indruk op hem gemaakt, dan hijzelf wilde

toegeven, en reeds had hij verschillende bureaux opgebeld, teneinde

eenige nadere berichten in te winnen betreffende Sonja Paviac.

Pennock zelf had hem medegedeeld, dat zijn Russische typiste zich aan

hem had voorgesteld, voorzien van voortreffelijke getuigschriften.

Het behoeft geen nader betoog, dat Raffles er zich wel voor gewacht had

om mede te deelen op welke gronden bij zijn argwaan vestigde.

Hij had voor zichzelf trouwens nog niet kunnen uitmaken van welken aard

het misdrijf was, hetwelk de beide Russen blijkbaar beraamden, en dat

niet alleen maar in vereeniging met medeplichtigen.

Raffles had juist weder den hoorn van zijn telefoon opgehangen, toen de

deur geopend werd en Charly binnentrad.

De jonge man was bleeker dan gewoonlijk, en zijn blauwe oogen hadden

een onrustige uitdrukking; het was hem duidelijk aan te zien, dat hij

een gedeelte van den nacht wakend had doorgebracht.

Raffles wendde zich half op zijn stoel om, teneinde te zien, wie hem

kwam storen, liet zich toen achterover tegen de hooge rugleuning van

zijn schrijfstoel vallen, vouwde de armen over de borst en keek Charly

aan als zag hij een natuurwonder.

Toen begon hij, zonder van houding te veranderen:

„Je weigert het dus te doen?”

Charly deed een paar stappen achteruit, keek Raffles verschrikt aan en

stamelde:

„Het is dus wel waar, dat je in de harten van de menschen kunt lezen?

Edward, ik smeek je....”

Maar Raffles viel hem ruw in de rede met een bevelend:

„Ga daar zitten, en laten wij eens praten.”

Charly Brand liet zich op een stoel neervallen en hield de oogen strak

op het tapijt gevestigd.

Raffles keek hem een oogenblik hoofdschuddend aan, met denzelfden

spottenden, kouden blik in zijn oogen en begon toen:

„Het is dus meer geweest dan een oppervlakkige kennismaking?”

„Neen, Edward, dat was het niet! Ik zweer het je! Ik heb haar in het

geheel maar drie maal gesproken.”

„Wist zij al dien tijd, wie je was?”

„Ik had volstrekt geen reden om dat te verzwijgen. Ik kwam immers als

jouw secretaris zaken doen!”

„Kort en goed, je hebt die vrouw lief?”

In plaats van te antwoorden, bedekte Charly zijn oogen met de hand en

zuchtte diep.

Raffles draaide zich met een ruk in zijn stoel om, nam een sigaret uit

de zilveren doos, die op zijn schrijfbureau stond, tikte er bedaard de

losse stukjes tabak af, ontstak haar, blies een dikke rookwolk uit en

hernam toen op denzelfden toon:

„Ik kan mij in deze zaak moeilijk partij stellen, om je de waarheid te

zeggen ben ik niet voldoende op de hoogte van dergelijke gevoelens. Ik

kan echter niet nalaten, je er opmerkzaam op te maken, dat het voor mij

een lastig geval wordt, wanneer mijn helpers behept zijn met

verliefdheid.”

„Spot er niet mee, wat ik je bidden mag, Edward,” zeide Charly

steunend.

„Je vergist je, mijn waarde, als je denkt, dat ik spot,” hernam Raffles

koeltjes. „Ik beschouw verliefdheden van dien aard als een ernstige

ongesteldheid, die ongeveer het midden houdt tusschen Spaansche griep

en galsteenen. Het is mij een raadsel, hoe een man met gezonde hersens

zoo plotseling en schijnbaar zoo ongeneeselijk onder den invloed kan

komen van twee groote, zwarte oogen.”

„Ik heb er tegen gevochten, het is sterker dan ik, Edward. Zij was geen

seconde uit mijn gedachten. Het verbaast mij zelfs, dat je dat niet aan

mij gemerkt hebt.”

„Mijn gedachten waren bij mijn zaken,” antwoordde Raffles kortaf.

„Maar denk je dan aan niets anders?” riep Charly op hartstochtelijken

toon. „Ben je dan van steen? Ben ik je vriend niet? Deert het je niet,

of ik lijd of vroolijk ben? Is je niets gelegen aan mijn geluk?”

„O, stil toch!” riep Raffles met harde stem. „Je geluk? Je praat

nonsens, man! Ik geloof niet aan liefde op het eerste gezicht, ik

geloof echter wel aan passie. Wat jij voor die vrouw voelt, dat kan

onmogelijk echte, trouwe liefde zijn, die tegen alles bestand is.”

„Edward, je beleedigt mij en haar,” zeide Charly op doffen toon.

„Om kort te gaan, je weigert om te doen wat ik je vraag? Om die vrouw

na te gaan?”

„Ik kan het niet doen, Edward! Ik kan niet!” riep Charly wanhopig. „Ik

heb je tot dusver trouw gediend, ik heb de grootste gevaren met je

gedeeld, nooit heb ik geaarzeld om alles te doen wat je mij opdroeg,

maar dit gaat boven mijn krachten. Ik zou haar moeten bespioneeren,

haar, die alles in mij heeft wakker gemaakt, wat ik gestorven waande?”

„Een stroovuur, mijn waarde. Niets dan een stroovuur,” riep Raffles

minachtend uit. „Besef je dan niet, dat die vrouw niet is waarvoor zij

zich uitgeeft? Heeft je hartstocht je dan heelemaal verblindt? Is het

je dan niet duidelijk, dat die vrouw een gevaarlijke misdadigster moet

zijn?”

„Dat geloof ik niet!” riep Charly terwijl hij opstond. „Je hebt

volstrekt geen bewijzen voor wat je zegt, Edward! Je beticht haar

zonder een schijn van recht.”

„Welzoo? En het gesprek in de vestibule van het danspaleis?”

„Wat had dat te beteekenen? De verklaring kan wel heel onschuldig

zijn.”

„Dat zullen wij hedenavond zien,” antwoordde Raffles kortaf. „Ik zal

dus tot mijn spijt genoodzaakt zijn, deze zaak alleen te onderzoeken.”

„Edward....!” stamelde Charly, terwijl hij smeekend de handen naar

Raffles ophief.

„Zeg niets meer,” hernam deze koud. „Over dergelijke zaken kunnen wij

niet redetwisten. Ik acht die vrouw zeer gevaarlijk, en de toekomst zal

wel uitwijzen, dat ik daarin goed gezien heb. Er zal je een smartelijke

ontgoocheling wachten, Charly. Maar vergeet niet, dat ik bijtijds

getracht heb, je te genezen. In ieder geval zul je me zeker wel den

dienst willen doen, mijn plannen niet te dwarsboomen, en die vrouw niet

te waarschuwen.”

Charly was doodsbleek geworden, en keek Raffles met groote, verschrikte

oogen aan. Toen stamelde hij op heeschen toon:

„Heb ik dat aan je verdiend, Edward?”

„Menschen met zulk een krankzinnige passie, die hun hersens vergiftigt,

en hen het nadenken belet, zijn gevaarlijk, ook voor hun beste

vrienden,” riep Raffles op denzelfden, kouden, harden toon. „Natuurlijk

kan ik je onmogelijk verbieden, die vrouw verder nog te zien of te

spreken, je bent geen schooljongen meer. Maar als je aan mijn

vriendschap iets gelegen is, Charly, dan toon je je een man, en tracht

uit alle macht deze hartstocht uit je ziel te rukken. Ik zeg nu, dat

hij in je ziel zetelt, maar ik ben overtuigd, dat ik hem daarmee te

veel eer bewijs. Ik kan mij zeer goed voorstellen, welke gevoelens

jegens mij je nu bezielen, Charly, maar er zal nog geen week verloopen

zijn, of je zult moeten toestemmen, dat je mij onrecht aangedaan hebt.

Zeker, er zal wel een moeilijke tijd voor je aanbreken, want het doet

pijn, een afgodsbeeld van zijn voetstuk te zien vallen, maar ook dat

zal voorbij gaan, en je zult hierop terug zien als op een zonderlinge

afdwaling.”

De Gentleman-Inbreker was op Charly toegetreden en legde hem de hand op

den schouder.

Zijn stem klonk veel zachter, toen hij vervolgde:

Lord Lister No. 0378: De Aanslag op de Londensche Beurs · 第 1 / 4 段