Bali als het land van Goden en Geesten

In de voorstelling van den Baliër is zijn eiland het Land der Goden:

en hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java de vorst

de souverein van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar

geldt de hulde en de dienst van alle menschelijke bewoners van het

land. Haar raad wordt ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt

dank betuigd, vergiffenis gevraagd, verontschuldigingen aangeboden,

onder alle omstandigheden van het leven. De Baliër gaat met haar om

als met een onzichtbaren doch alom tegenwoordigen en al-machtigen

vorst, uit wiens handen hij alles heeft ontvangen wat hij bezit,

en wien hij daarvoor dank, rekenschap en dienst schuldig is.

In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen

van het Hindoeïsme op Bali; immers vond het Javaansche Hindoeïsme

een veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java

vermeesterd had. Maar een andere godsdienst leefde in de harten

der Baliërs, toen de Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische

Heidendom. En onder den nieuwen invloed van het veroverende en hooger

beschaafde volk bleef het oude zich handhaven, zooals, onder den vloed

van zoet water aan een rivier-uitmonding in de zee het zilte blijft,

en de groei van koralen en zee-anemonen diep in de donkerte. De

machten door de oorspronkelijke Baliërs geëerd, de zon, de zee, de

lucht, het water van meren en rivieren, de geheime kracht die het veld

vruchtbaar maakt en de kudde, die allen worden, soms onder den naam van

Hindoe-godheden, soms ook onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe,

geëerd en gediend op het eiland. Het is een toestand zooals het Westen

in de middeleeuwen kende, toen onder het officieele Christendom de oude

Heidengoden een maar half hen verbergende wijkplaats hadden gevonden,

en aan Maria offers werden gebracht zooals Freya er verlangde, en

op Kerstmis met groote vuren en het slachten van vee het Winterfeest

der sedert eeuwen al vergeten voorvaderen werd gevierd.

De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt

genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten, die der

Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe

zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke Baliër-volk verlaagd

hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in

zee of in een immers naar de zee stroomende, rivier geworpen, naar de

zede der Hindoes. Maar niettemin meent de Baliër als hij Siwa zegt, de

zon of de lucht, met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin

heeft zich onder de Soedra's een afzonderlijke klasse gehandhaafd,

afstammelingen waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten,

die in een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa,

zelfs aan het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog

voor betrekkelijk korten tijd geheele dorpen op het eiland die hun

dooden in het bosch neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche

priesters weigerden. Dit ook is klaarblijkelijk een revanche van den

ouden godsdienst, dat niet de goden, maar de geesten, de "boeta's"

in de eerste plaats, ontzien en geëerd worden. Als hun aanbidders en

"landgenooten" zijn deze oude Heidensche goden tot een lageren rang

neder gedwongen door den veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten

zij nu inplaats van goden. En zij moeten, "in effigie" voor de poort

gezeten der tempels, het verblijf van hun overwinnaars bewaken als

het Kaoela-volk de poeri van vorst en edelman. Maar met dat al hebben

zij zich gehandhaafd in de harten, en niet van het Kaoelavolk alleen,

maar van het kwansuis Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel

zoo krachtig, dat eerst de booze geest wordt gevleid en verzoend,

voor de goede god wordt aangebeden.

Want als boos stelt de Baliër zich alle geesten voor: misschien wel

omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten? Hij probeert

hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is

gauw gevuld! Een paar koperen duiten als men heel vrijgevig wil zijn,

een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad

geschikt, dat is al genoeg voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk

bij groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is,

bijvoorbeeld, wat immers altijd de schuld is van een boozen geest,

dan begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui

verkeeren moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om

hem weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke

beter wordt. Daarom worden bij epidemieën groote godsdienstige feesten

gevierd, waarop de booze geest wordt voorgesteld onder de gedaante van

een reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart

door het gezang en den dans van prachtig gekleede kinderen. Hier in

het Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben,

heerschte verleden jaar de cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi,

die buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime

wetenschappen en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest:

de tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past:

hij had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam

was bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten, de wierook

die werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt,

het was alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel beleefdheden

was de booze luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur,

dat rivieren en leidingen had doen desinfecteeren, zag dat het zich

die moeite had kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam

de cholera af en na een korten tijd was er in heel Badoeng geen

zieke meer. Zulke "verzoenings-feesten" hebben echter nooit meer

dan een tijdelijke uitwerking. Het is noodig, daarom, de geesten in

den waan te brengen van tijd tot tijd, dat er in het geheel geen

menschen meer zijn op Bali, aan wie zij hun toorn en wrok kunnen

koelen, dan blijven zij vanzelf weg. Voor een poosje althans. Dan

wel is waar komen zij toch weer terug. Maar de Balische geestenleer

ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het jaar daarom wordt de

groote plechtigheid van het "Eenzaam Maken" gehouden. Met vreeselijk

getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs en op houtblokken

worden alle geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en mettervlucht de

lucht ingedreven. Dan trekken de Baliërs zich terug in hun huizen en

sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag niemand zich

op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen vuur branden,

moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de sawah,

koopen en verkoopen op de markt, blijven gedurende verscheidene

dagen nog verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel

van den Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt

door een vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft

het verklaard, hebben het alleen op Balische menschen voorzien; op

Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige "Islam-volk,"

slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts geen Baliërs op den weg dan

geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver

weg van dat woeste land. Met die uitlegging hebben de Baliërs volkomen

genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel

zijn ongestoorden gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het

zal overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Baliërs--zij

krijgen bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den

al levendiger wordenden handel--zullen er iets op vinden om mede te

profiteeren van deze schikking met de geesten.

Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter

verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die worden

hun dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen

in de "godenhuisjes" en een van bladreepen gevlochten versiersel voor

de nis, naast de poort, van den "taksoe," den dienenden geest die

als bemiddelaar optreedt tusschen menschen en goden; geen dag in het

jaar of men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen

vruchten en bloemen dragend, op weg naar de tempels. Er zijn er ten

minste drie in elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om

zoo te zeggen het geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken

behandeld worden, en tevens feesten gevierd en gasten--goden zoowel als

menschen van elders--geherbergd; de tempel op of bij de begraafplaats,

waar de dooden de verbranding wachten, aan de doodengodin Doerga

gewijd: de tempel aan het strand, ver gelegen soms van het dorp,

maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar de goden der zee worden

geëerd. Op grootere plaatsen wordt dat getal van drie een veelvoud van

drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem en hier te Badoeng

[13] zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij vertoonen alle

hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en in het

mooi. Rondom loopt een muur, bij de "armere" tempeltjes van klei,

bij de "rijkere" tempels van steen; twee poorten, een op het Zuiden,

een op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij

toegang geven, leidt een derde poort tot het heiligste binnengedeelte,

dat door een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter

die poort gebouwd, wordt beschut tegen den blik van voorbijgangers,

juist zóo als de Baliër zijn huiselijkheid tegen den blik van den

vreemde-op-de-straat beschut. In dat binnenste gedeelte staan

de woningen van de goden, van de mindere, de Dewa's, en van de

hoogere, de Batara's, die sierlijk zijn al naarmate de huizen van hun

aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar van bamboevlechtsel en in de

zon gedroogden steen; soms gemetseld, en versierd met beeldhouwwerk,

door steenen monsters bewaakt, gedragen op beschilderde en vergulde

pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn gestoken werk, kleur

en goud. De Chineesche invloed, die veel moois en ook veel leelijks op

Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend element; juist de

mooiste tempels worden ontsierd door een optooiïng met porcelein. Het

is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en schotels, die

althans op zich zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook als toevoegsel

aan architectuur. Op het oogenblik echter zit allerlei grof goed in

tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe, zooals

het volk van de Gooistreek het koopt op de Hilversumsche markt, heb

ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de

expedities van 1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt,

geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te

lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker

dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig om te zien;

zelfs de prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel,

is geschonden door al die witte en bonte ronde plekken, als door een

afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om,

zelfs in de herinnering, daarover heen te komen.

Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd,

door Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De

godsdienstige feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle

belangrijke familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor

"den verjaardag" van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en

tuinen, van de kunst van het lezen en schrijven. Ik had een geleerden

Goesti op bezoek, onlangs, toevallig juist op "den verjaardag van het

letterschrift," die mij dat denkbeeld poogde duidelijk te maken. "Dit,"

zei hij, en lei zijn van ringen flonkerende hand op een brief, "dit

noemt u letters: maar het is een Godin! en deze dag is de dag, waarop

zij, voor eeuwen "uit haar moeder kwam." Daarom vieren wij haar heden

met optochten, en niemand mag van morgen- tot avondschemering lezen of

schrijven." Daarbij keek hij naar mijn pen of hij zeggen wou "het is

u ook geraden dat maar te laten vandaag."--Behalve al deze algemeene

feestdagen heeft elk dorp er nog bijzondere voor zijn eigen bijzondere

goden--de bijzondere goden, in wie de oude beschermgeesten van den

Heidentijd zoo licht te herkennen zijn. Zoodat van de 420 dagen van

het Balische jaar er weinig zijn, of geen misschien, zonder den glans

van een godenverheerlijkend feest; een optocht soms, met galm van gongs

en bamboekokers; op andere keeren een dans van dessa-maagden en jonge

mannen, of van kinders in de dracht van krijgslieden en prinsessen;

een tocht naar het zeestrand om een wonderdadig beeld te baden;

een pelgrimsgang, alle de tempels van een landschap rond, waarbij de

meegedragen goden elkander bezoeken; en, altijd, een vroolijk maal aan

de offeranden den goden aangeboden, waarvan de hemellingen den geur

alleen tot zich nemen, de substantie overlatend aan hun aanbidders.

En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen

afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele maal,

eens wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven

nemen het onder elkander óók zoo nauw niet, als ieder wel weet,

die de heilige verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een

genoegen is; meer vergen zij niet. En in ruil daarvoor geven de milden

een gelukkig bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel,

die een verheerlijkt Bali is.

Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?

En wat wonder als niet één er in geslaagd is in eenigen getale

belijders te winnen op Bali?

Natuur en Menschen in Indië · 第 23 / 71 题