Goesti Djilantik

Hij is nog in leven.

In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit hij als een stille

toeschouwer bij de dingen, waarvan hij zoo lang de krachtige bewerker

en beweger is geweest. In de dagen van de Lombok-expeditie klonk

zijn naam tot in de verste hoeken van Indië en van Nederland. Nu

is die een leeg geluid geworden. In de overgroote meerderheid wordt

geen gedachte meer wakker bij dien klank. De enkelen echter, bij wie

hij een herinnering oproept, zeggen: "De verrader!" Die hem kennen,

en het best weten hoe zijn gedrag geweest is in 1894 op Lombok en in

1906 te Karang Assem tegenover de Hollanders, in de jaren daartusschen

tegenover zijn eigen volk, weten dat hij beter verdient dan smaad of

vergetelheid. En als eens de geschiedenis hem herdenkt, zal zij hun

eenparig oordeel moeten bekrachtigen en getuigen, dat Goesti Djilantik,

door welke beweegredenen dan ook geleid, beiden, Nederland en Bali,

het verlies van honderden menschenlevens heeft bespaard en dat het

voor een niet gering deel zijn verdienste is, zoo het Balische volk

gereedelijk en met goeden wil den weg is opgegaan, waarlangs het

komen zal tot de zeer te wenschen ontwikkeling van zijn stoffelijke,

verstandelijke en zedelijke krachten.

Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest,

eerst onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische

Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht,

waarvan de stichter omstreeks de helft van de vijftiende eeuw naar Bali

kwam om het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen

deze, voor den Islam vluchtend, van het vermeesterde eiland zijn

nieuw rijk maakte, gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in

leen. De afstammelingen van Gadja Mada vergenoegden zich niet lang

met het vazallenschap. Zij stonden op tegen de opvolgers van hun

leenheer, de vorsten van Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken

van hun gebied, veroverden het omliggende land, en waren vorsten van

Lombok geworden toen omtrent 1700 de Oost-Indische Compagnie in deze

streken zich trachtte te vestigen. Het was een Karangassemer dien

Valentijn noemt als "den Coninck van Baly;" en een Karangassemer ook

was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I. Compagnie het verzoek

richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer voordeelige trafiek,

den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van het oude geslacht

een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij, de tijd van

overleg en list was begonnen. De Karangassemers moesten zien hoe zij

de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali eerst en

op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten later veroverd hadden, nu op

hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die

weer sterker was dan zij. Zij deden het door beurtelings voor hem en

voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend

die hun late nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den

val van de Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische

Regeering dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar als gelijke. Dat

werd hun mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door

de Regeering zelve. Het was in de Jan-Saliedagen van het nieuwe

Koninkrijk der Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd,

had die nog te zeer zich te weren tegen de overal haar belemmerende

sleur binnen de eigen grenzen, dan dat zij in Indië, en nog wel in

zulk een uithoek van Indië als Bali, de hand aan het werk had kunnen

slaan. Het meeste wat op Bali verkregen werd was een contract met de

vorsten der acht landschappen van het eiland; een contract waarmee de

Nederlandsche Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde,

terwijl de Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond

in zagen,--bedrogen naar het wel schijnt, aangaande den zin van dien

term souvereiniteit die in hunne taal niet over te zetten is: van

Hoëvell althans verklaart dit in ronde woorden. [12] Der Regeering

eerste poging om haar "rechten" geldend te maken deed den oorlog

losbarsten. De Karangassemers volgden hun oude taktiek van "jagen

met de honden en loopen met den haas." Maar ditmaal tevergeefs. Zij

kwamen in het gedrang, moesten vluchten, en het hoofd van het geslacht

verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn eigen opstandige

onderdanen. Karang Assem werd als loon voor bewezen diensten toegevoegd

aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem uit veroverd was,

en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche vorstengeslacht

regeerde. Deze zond twee van zijn neven--het waren broeders--als

stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders hadden een

derden, zeer veel jongeren, zoon van een andere moeder, een kind nog

toen zij, in '49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar later

kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen gevlucht

uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.

In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde

opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde van het meisje

gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene Ksatrya vrouw, de meerdere

in kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya

behoorde en het huwelijk van een vrouw uit hoogere met een man uit

lagere kaste is een misdrijf, waarop de Baliër-wet de doodstraf voor

beiden stelt. De verhouding der twee werd ontdekt. Door overhaaste

vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene

sterke partij in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude

vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.

In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang

Assem den vluchteling opnamen en hem als "poenggawa" het bestuur

gaven over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene

der twee stedehouders. Toen stelde de radja Goesti Djilantik in zijn

plaats aan. Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte

hij hem zelfs tot eenig stedehouder van Karang Assem.

Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders

dan vroeger zijn oudere broeder, dien het volk "Doeniet" noemde, nam

hij de belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware

heerendiensten; hij perste geen arbeid noch opbrengst van de velden af;

hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig

in zijn gebied,--een zeldzaam iets in een land, waar maagdenroof niet

voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe

gekomen is, haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de

wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst

te worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik's vriend.

Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming

tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen zijner

beide oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik

den meest rechthebbende, den oudsten zoon van zijn broeder Poetoe,

uit zijn weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een

zedelijke sluipmoord. De jonge man had zich schuldig gemaakt--als

indertijd Djilantik zelf--aan kastevermenging. Zelf een Wessya

zijnde--alle vorsten van Bali (met uitzondering slechts van die

van Kloengkoeng, Bangli en Gianjar) behooren tot deze laagste

der drie kasten, die gaandeweg de eigenlijke vorstenkaste, de

Ksatrya, verdrongen heeft--had hij de liefde verworven van een

Brahmanen-dochter. Zijn eigen vader liet hem, met het meisje te

zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet,

was Djilantik. Het is mogelijk de vrees voor weerwraak geweest,

die Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en

met zoodanige middelen verkregen macht van het stedehouderschap,

Bali deed verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem

een poenggawa-schap op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp,

door Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.

Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen

met de regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve

eeuw zijn vaderen telkens gestaan hadden--tusschen landgenoot en

vreemden overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan hadden,

en als ten slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij

trachtte tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa's, die tot

den oorlog dreven--want de machtige edelen waren de strijdlustigen,

niet het volk, noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als

verlamd, zelfs tot de gedachte aan vechten niet in staat meer was--den

poenggawa's ried hij te wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van

zijn broeder, den ouden stedehouder van Karang Assem, die het vorige

jaar was gestorven. Den Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der

troepen verklaarde hij, dat geen oorlog te vreezen was: hij hoopte

werkelijk dien met uitstellen, paaien en nogmaals uitstellen te kunnen

voorkomen. Dat is zijn "verraad" geweest. Voor rechtvaardigheid is

het woord te hard, al moet erkend, dat zijn houding geen volkomen

eerlijke was. Dit echter is wel te onthouden: hij verzette zich tegen

de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde bij het eerste schot

dat viel, met zijn twaalfhonderd Baliërs Lombok te zullen verlaten,

en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het radja-schap, dat nog op

het allerlaatste oogenblik de poenggawa's hem aanboden, om hem tot

blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen. Natuurlijk niet uit

"trouw aan het gouvernement," maar omdat zijn helder verstand hem de

vergeefschheid toonde van den strijd tegen Westersche wapenen. Zooals

hij het den poenggawa's had voorgehouden: "Wanneer het ei wil vechten

tegen den steen, wie verliest dan?"--Te Karang Assem loerden zijn

neven, Poetoe en K'toet, op hem. Hij vluchtte naar het gebergte. Toen

bleek de vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren opgeroepen om

"een vijand van de vorsten" dood of levend terug te brengen: maar zij

wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het hun gezegd werd,

stieten de mannen hun lansen met de spits in den grond, ten teeken

van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot vergiffenis

vragen en onderwerping gedwongen.

Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het

Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was, werd een

werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen "het ei"

en "den steen" zijn handen hield. Zonder hem had zijn neef Poetoe,

de onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept

in een met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk te voeren oorlog tegen

Nederland. De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde

die hij op Lombok had gevolgd: ter wille van het goede doel zoowel

vriend als vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren

ontkende hij, dat eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa's

eischte hij uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een

groot godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke

familie zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel. Het uitstel

dat hij dus won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich

den tijd te nutte. Haar oorlogsschepen en troepen kwamen aan drie dagen

voor het feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in

schijn, oorlogvoerders inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen

zouden zijn. Djilantik's taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.

Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging

van het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte aan zijn

levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij

het voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen staat van zaken

zonder voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van

overtuigd was geworden, doordat hij met zijn eigen oogen het zag, dat

de Westersche beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan

zij ooit op hun eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en

ravijnen, wegen van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden

(er waren er geen hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste

karretje over de eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf en telefoon

nuttige dingen waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die

aan Karang Assem te verschaffen. Toen hij aan zichzelven de uitwerking

had leeren kennen van kinine en begrepen had wat hygiënische voorzorgen

vermogen tegen velerlei ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en

zorgelooze volk heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier

zijn Karangassemers, wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het

geloof in Westersche wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens

behoeve hij van het stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde

denkbeelden ingeprent. En voor het opkomende geslacht gezorgd door den

bouw uit zijn eigen middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.

Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn

geest is zoo krachtig en frisch als die van een jongen man. In het

hol-wangige en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht,

waaromheen het haar, dat glad naar achter gekamd tot in den nek

afhangt, een gitzwarten glans heeft, staan de donkere oogen vurig,

bijna fel. Hij maakt levendige gebaren onder het spreken, als een

echte Baliër, dien geen adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat

hij zegt, zegt hij met een zekere drift, alsof hij met zijn geheele

persoonlijkheid voor zijn opinie instaat. En hij vraagt--vraagt

veel--met de tot in bijzonderheden doordringende volharding en op

de systematische wijze van wie iets nieuws volkomen begrijpen wil

om het in zijn beschouwing van de menschen en het leven organisch

te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet voetstoots aan: maar

bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid heeft beproefd door

vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen door een anderen

zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een telefoon-toestel of een

ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat hij op die wijze te werk;

het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar het niet behoeft.

De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken,

en het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen en over

verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk

van een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn bestuur en voorbeeld op

Bali tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen.

Natuur en Menschen in Indië · 第 22 / 71 题