Het verleden op Bali en de toekomst

Aan den grooten weg van Dèn Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone

met Ganeça-beelden versierde torenkoepeltje van den "koelkoel" het

holle houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al

het volk oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende plassen

en ruig overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond

van den Radja van Pametjoetan; en de plaats is nog aan te wijzen

van de poort, waaruit de vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen,

bloedverwanten, volgelingen en slaven, dien vreeselijken uitval deed,

den dood tegemoet, waarbij wie niet viel door de kogels van den vijand,

stierf onder de lanssteken van den vriend, en vrouwen en kinderen

elkander afmaakten met de kris. Aan deze en gene der vele tempels van

den omtrek der stad is de schade nog te zien, door baldadigheid hier,

bij ongelukkig toeval ginder, toegebracht aan muren en beelden. Men

hoort nu en dan van leden der oude vorstenhuizen van Bandoeng, van

Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in ballingschap leven op Lombok,

en geregeld bezocht worden door hun getrouwen. En men ziet een enkele

maal in den dichten drom der toeschouwers bij een hanengevecht of

een of andere wayang-vertooning, mannen die het litteeken dragen

van een kogelwond of een lanssteek, en die, soms, ontvlucht zijn uit

den massamoord van 1906, en soms de door ambulance en artsen uit den

zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek, verminkte tempelmuren,

litteekens: dat zijn de eenige zichtbare herinneringen aan den

grooten ommekeer die het verleden van Bali scheidt van zijn heden

en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er, indien dat kan,

nog minder van overgebleven. "De Baliërs denken alleen aan hun eigen

belangen. Om hun vorsten denken zij niet!" Een Wessya, die met mij

sprak over vroeger en nu, zeide dat met een zekere bitterheid. Hij

sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner

gelijken tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon

geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe

volk de vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige

natuur van den Baliër ligt het kwade spoedig te vergeten; van hun

vorsten hebben zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad

ondervonden. Goesti Djilantik van Karang Asem is een uitzondering;

een alleenstaande mag wel gezegd; de overige Balische vorsten waren

wat overal en altijd alleenheerschers zijn geweest: dwingelanden. Zij

en hun volgelingen leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het

noch in zijn arbeid, noch in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en

leven. Zij hadden honderd manieren voor éen om het bezit van den Kaoela

tot het hunne te maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige;

vonnissen voor lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring van

veld, huis, vee en alle overig bezit het gevolg was; naasting van

de erfenis van hen, die zonder zoons of allernaasten mannelijken

bloedverwant overleden; willekeurige grensveranderingen, waardoor de

sawah van een Kaoela plotseling de sawah van den vorst of van een

zijner bloedverwanten of edelen werd. Het volk kon nog van geluk

spreken als zijn radja enkel maar hebzuchtig was, en niet tevens

wellustig en wreed. Er waren streken, waar de mannen hun vrouwen

en dochters met kerven over het gezicht mismaakten, opdat de Radja

hen niet zou doen oplichten en naar zijn poeri sleepen. Het is nog

maar kort geleden, dat de stedehouders van Gianjar en Bangli bij

verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering afstand deden van

het recht weduwen en dochters van zonder zoon overleden erflaters

als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen door den man als

slavin aangeboden. Het is bekend, hoe in 1903 de zoon van den pas

overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen tot den

"vrijwilligen" vuurdood op diens brandstapel dwong. Minder bekend,

misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten

overtredingen der adat-wet of, evengoed, persoonlijke "beleedigingen"

wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de

ontrouw van het Baliërvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke

bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige was

geweest, nog in 1905--ik zal ze den lezer besparen. En het volk van

Karang Asem spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon K'toet,

Goesti Djilantik's neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen

doe-niet, die zijn genoegen vond in folteren. Het is te begrijpen,

dat het volk van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam

tusschen de regeering en de inlandsche vorsten, die vorsten hun eigene

zaak alleen liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar

gewillig onderwierp. Zij konden het nooit slechter krijgen dan zij

het hadden; beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte,

toen na de gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon,

een opstand uitbrak onder de aanvoering van eene zijner dochters,

was een uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich

als een door de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich

nu pas in het Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door

een beroep op zijn godsdienstige gevoelens is de Baliër altijd te

winnen. Maar zelfs toen lieten de meesten het bij offers en wierook,

die zij aan de prinses en hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen

het op vechten aankwam, vluchtte het grootste getal ook van hen die

haar gevolgd waren. De opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen

was, en de prinses, die vóor het eerste treffen al een toevlucht had

gezocht in het gebergte, werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten,

die haar als Radja hadden beloofd te huldigen. De weinige gewonden

zochten vertrouwelijk de ambulance op, om zich te laten verbinden,

en de leiders boden, zonder eenige vrees, hun onderwerping aan bij

de regeering: zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen

vechten; nu zij het verloren hadden, waren zij wel tevreden weer naar

huis te mogen gaan. Het doorslaande bewijs van de eigenlijke gezindheid

van den kleinen man in Bali werd het volgende jaar, 1908, gegeven door

de bevolking van Gianjar: een optocht van eenige honderden kwam naar

Dèn Pasar met het verzoek om uitbreiding van het rechtstreeksche

bestuur over Gianjar. Hun verzoek werd niet ingewilligd: maar,

langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden, zekerheid van

eigendom en leven. De eenigszins ingewikkelde toestand was deze:

de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel

gewillig tot toegeven aan de rechtmatige eischen van het volk, maar

hij dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal,

den Tjokorda van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten,

zoo niet de allerrijkste van Bali; door zijn schatten aan goud en

juweelen, door zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn

heerendienstplichtigen, schuldenaars, en volgelingen, vrijwillige

en gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen,

waarvan de Radja alleen maar den schijn bezat. En hij gebruikte die

macht om een ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven

zou. De optocht der honderden naar Dèn Pasar echter was hem een

waarschuwing. Hij besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet

de mindere te worden van andere rijksgrooten, bood hij de regeering

zijn hulp aan bij het invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die

hun aller macht evenzeer beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo

heeft hij dus Gianjar van zichzelven bevrijd. Er is nu, in de practijk,

geen noemenswaardig verschil meer tusschen den toestand van het volk

van Gianjar onder het bestuur van den stedehouder, en dien van het

volk in de rechtstreeks bestuurde landschappen.

In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds

nu en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe toestand is.

Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en

bruggen. Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad:

het is zwaar werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij,

zonder betaling voor den vorst verrichtten, waren lang zoo zwaar

niet geweest als deze nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de

ervaring die hun leerde dat zij met deze nieuwe heerendiensten ook

hun eigen belangen hadden gediend. De cijfers van in- en uitvoer

uit de voornaamste haven van Zuid-Bali, Benoa in Badoeng, zijn

welsprekend. Een vergelijking van die over 1908 met die over 1911

toont dat de invoer méér dan verdubbeld, de uitvoer bijna verdubbeld

is: invoer 1908 voor een waarde van f 646,280; 1911 voor f 1,455,164;

uitvoer 1908 voor f 1,141,781; 1911 voor f 2,179,209. Het verschil

kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot gedeelte van

den uitvoer, die van vee vooral, voortdreef langs de gewende hoewel

slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar waarschijnlijk

zal die gewoonte vanzelf wel uitsterven; te eer nu de nieuwe haven er

komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het Regeeringsbesluit

bekend, dat den bouw toestaat) zoodat ook de al grootendeels gebouwde

weg van Dèn Pasar naar zee, waarmee gewacht werd tot er zekerheid zou

zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden. Vroeger was de handel

voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen, Chineezen vooral,

die hier woonden als in de handelssteden van middeleeuwsch Europa de

Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd met afpersing. Nu zal ook de

Baliër zijn deel daaraan krijgen. Het begint al met de copra; in het

Karangassemsche zag ik een kelapatuin die zijn eigenaar f 4000 winst

opbrengt in 't jaar; de bewoner van een onaanzienlijk huisje hier

te Dèn Pasar zeide mij gemiddeld f 13 per dag te verdienen met den

verkoop van copra. Van regeeringswege worden inlichtingen verstrekt

omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog veel meer verdiend

worden als de Baliër zijn vruchten den tijd tot rijpen laat, en enkel

in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het strenge toezicht op

den veestapel en het verbod van uitvoer van de beste exemplaren,

vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers afgestaan,

hebben ook den veerijkdom vermeerderd. En de bemoeienis met den

akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn de

pokken verminderd, vroeger hier endemisch, zóó, dat het volk den tijd

rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de

ziekte. De dwang tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt

gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de

menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben

hen gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard viel. De

heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige

jaren sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag al zoo zeer veel

is verricht op Bali, meer dan in één van de Buitenbezittingen, dan

komt dat door de veelheid der handen, die het werk licht maakte. De

heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar

uit: maar zij tellen bij duizenden. Zuid-Bali heeft een bevolking

van gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het

geheel. Evenmin als de belasting in arbeid, drukt de belasting in

geld hen zwaar: de landrente over het geheele zuiden van het eiland

bedraagt niet meer dan ruim een half millioen. Eene andere belasting

wordt in Zuid-Bali van inboorlingen niet geheven.

Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het

wegennet, moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet gezorgd

voor voldoende, zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller

dan de Balische "grobak;" voor uitbreiding van telegraaf en telefoon;

voor scholen--de weinige die er reeds zijn, kunnen de aantallen van

onderwijs begeerenden niet bergen--; voor geneeskundige hulp, die

altijd door verlangd wordt door veel meer zieken dan geholpen kunnen

worden. Zeker moet ook, op den duur, rechtsgelijkheid verkregen:

de triwangsa, die over het algemeen niet meer dan 5 pct. van

de geheele bevolking uitmaakt, geniet, ondanks alle sedert kort

ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten boven

het Kaoela-volk, dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien door

niets meer gemotiveerden toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid

vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog,

nu het Hollandsche bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen

door verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Baliër

het recht heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens--als

iets dat vanzelf spreekt--te noemen den plicht om den inboorling

te beschermen tegen mogelijke verdrukking door de overmacht van

het Europeesche kapitaal, als het zich eenmaal hier gevestigd zal

hebben. Niemand kan ook de schoonheid aanschouwen van de Balische kunst

in architectuur, tooneel en dingen van dagelijksch gebruik, zonder den

wensch, dat alles beschermd moge blijven tegen ongunstige invloeden

uit het Westen. Met die bescherming is gelukkig al een begin gemaakt:

van den assistent-resident van Badoeng is een plan uitgegaan--en door

alle poenggawa's van het rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als

door de "zelfbesturen" is het met instemming aanvaard--om te Dèn Pasar

een museum te stichten, een complex van gebouwen, dat een model van

Balische architectuur en een schatkamer tevens zal zijn van Balische

kunst. Elk landschap zal er zijn eigen gebouw hebben, in zijn eigen

trant opgetrokken, waarin zijn eigenaardige stijl in voorwerpen van

dagelijksch gebruik een uiting vindt en de voortbrengselen van zijn

nijverheid tentoongesteld worden. Het zal geen doode verzameling

wezen van allerlei en nog wat. De tempel, die erbij behoort, zal

open staan, als elke poera; en het groote bad, de "pantjoeran,"

wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van het voor

verkoop tentoongestelde zal dienen voor onderhoud van het museum,

waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen voltooid

en een nu nog zoo goed als ten eenenmale ontbrekende gelegenheid tot

verblijf tot stand gebracht zal zijn. En dat aldoor aanschouwde en

door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst zal, zoo mag

men hopen, helpen om den Baliër te beschermen tegen navolging van

uitheemsche wansmakelijkheden.

Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel

geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is, behalve inzicht

en goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden

dan zij nu nog is, om werkelijk iets blijvends tot stand te kunnen

brengen. Er zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben

voor het werk der beschaving, het schoonste, dat de Westerling in het

oude Oosten volbrengen kan, en het éénige dat zijn verovering en zijn

tijdelijk bezit van des Oosterlings land rechtvaardigt.

Mochten zij toch, en spoedig, komen!

Natuur en Menschen in Indië · 第 24 / 71 题