Faust, die nog naar zijn weg zoekt, moet in deze omgeving tot

inzicht komen, dat de zedelijke daad des menschen vrij is tegenover

alle bestaande ordening. Voor den Jood uit Jezus' tijd is het

godsdienstig volks-instituut de sfeer, die het zedelijke bepaalt;

voor den oud-Indiër de kaste; voor den Griek het staatsverband,

zoodat hij zedelijk mensch is in dit opzicht, dat hij zijn arbeid doet

voor het staatsgeheel. De Middel-Eeuwer, over 't algemeen genomen,

acht zich zedelijk handelend volgens voorschrift van en in dienst

aan de kerk. Zijn barmhartigheid, eedstrouw en gerechtigheid zijn een

verplichting, die de kerk hem oplegt. Voor Faust echter zal al zulke

instelling wegvallen. Geen bestaande ordening zal als verplichtende

macht zich aan hem voordoen: in de sfeer van het keizerrijk valt

voor hem niets van zedelijke beteekenis uit te richten. Tegelijk

blijkt hem, dat deze keizerlijke staatsordening (en daarmee alle

"instituut") de echte nooden der gemeenschap niet lenigt, en een

van boven opgelegde figuur is, die met het ware leven der volkeren

in geen verband staat. Wie zedelijk werken wil, doe het niet ten

dienste aan eenige instelling of organisatie, maar doe het voor de

menschelijke schare, dat is voor het _gemoed_ der menigte, want dit

is voor zedelijke weldaden ontvankelijk.

Maar om tot machtige daden bekwaam te zijn moet Faust een scholing

doorloopen. Het "strevend in werking zijn" (strebend sich bemühen)

moet voortkomen uit een welgeordenden en evenredigen geest, want anders

is het werk chaotisch, vormeloos. Faust moet nu niet in een wildernis

rondwaden, maar zich een weg banen in het leven, en de dichter van

Faust acht, dat hiertoe geen betere scholing is dan het verkeer

met de klassieke Grieksche kultuur en hare schoonheid. Door deze zal

Faust de mateloosheid van zijn strevenden drang te boven komen en dien

louteren. Immers, zooals het moderne, Germaansche, romantische streven

zich _uitleeft_, zoo wil het Grieksche _zich inhouden_. Werther is de

romantische mensch, subjektief en onbegrensd in zijn aandoeningen;

maar hij zou in de Grieksche zelfbepaling tot vruchtbaarheid zijn

gekomen, terwijl hij zonder deze kwam tot ondergang. Faust zal niet

als Werther lijden, maar hijzelf weet welke leerschool hij behoeft.

Het verkeer van Faust aan het keizerlijk hof wordt bekroond met

een maskerade, waarin de krachten en faktoren van het menschelijk

leven en der maatschappij in symbolische gestalten worden vertoond:

een schouwspel, waarin Faust een tegengestelde houding aanneemt, dan

die hij in het leven wil voeren: hij is er werklooze toeschouwer. De

keizer ziet de fraaiheid van de vertooning, maar de aldus gesymboleerde

werkelijkheid heeft veel onschoons en op 't einde gaat de geheele

maskerade in vlammen op. De keizer, wiens lust naar schoone vertooning

aldus ontstoken is, wil zich nog meer vermaken en wenscht het meest

uitgezochte voorbeeld van menschenschoon te zien vertoond: Paris en

Helena uit het doodenrijk te voorschijn geroepen, moeten voor zijn

oogen verschijnen!

Deze vertooning is voor hem niet meer dan een lichtzinnig

amusement. Maar in Faust heeft de gedachte aan de klassieke schoonheid,

in Helena vertegenwoordigd, een horizont van inzicht geopend. Hijzelf

zal naar de diepte der wereld afdalen en door de macht zijns geestes

de Helena-gestalte te voorschijn roepen. Waarheen zal hij afdalen? Men

daalt slechts in zichzelven af en deze afdaling heet de _bezinning_,

maar de bezinning brengt den bezinner tot de algemeene gronden waar

het leven, waar elk geestesleven, ontspringt. In de dichterlijke

voorstelling heeten deze gronden: de Moeders en van hen wordt

met plechtig geluid verzekerd: "godinnen tronen verheven in hun

eenzaamheid; rondom hen is alle Ruimte opgeheven, geen Tijd is daar;

over hen kan niet gesproken worden: de Moeders zijn zij. Welke weg

leidt tot hen? geen weg! De weg tot hen gaat in het onbetreden en niet

te betreden gebied; door geen navraag vindbaar: zijt gij bereid? geen

sloten en geen grendels behoeven weggeschoven; door eenzaamheden

wordt gij heen gedreven: hebt gij begrip van het verlatene en van de

eenzaamheid?" Het is Mefistofeles, die deze aanwijzing geeft, en zij

is gegeven uit zijn zienswijs: de levensdiepte geldt voor hem niet;

maar met kloeke verzekerdheid antwoordt Faust: "in uw Niets hoop

ik het Al te vinden." Wanneer het aan Faust gelukt om uit de diepe

bezinning op het leven de idee der schoonheid op te roepen, staat hij

aan den aanvang zijner geestelijke scholing. Wat hij gedaan heeft is

bij zichzelf de noodzaak en onmisbaarheid der leerschool vaststellen,

die hij doorloopen moet.

Uit de diepe gronden zijns levens brengt hij de idee der schoonheid

te voorschijn, maar de enthousiaste omhelzing daarvan werpt alsnog

de idee zelve in verbrijzeling. Faust verliest Helena terwijl hij

haar aangrijpt.

Niet als bloote gedachte lichtend voor hem uit, doch als duurzame

levenservaring moet de schoonheid aan zijn bestaan deelnemen: daartoe

neme Faust de klassieke beschaving in zich op: het _huwelijk met

Helena_ zal hem tot de zedelijke daad bekwamen.

Maar de klassieke beschaving moet recht begrepen worden. Ook zij

heeft haar excessen en verwarringen. Geen kultuur is feitelijk

volmaakt, en het is niet meer dan de geest en de idee der klassieke

beschaving, welke Faust zich eigen make. Hij moet zich beschermen

tegen de spookgestalten, die ook hier zich voordoen; in de "Klassieke

Walpurgisnacht" moet hij tot het inzicht komen, dat niet overal

waar Griekenland is Helena woont. Niet de spookachtige fantasie,

die griffioenen, sfinxen, sirenen, centauren, pygmaeën en wat

half-dierlijks er meer zij, voortbracht--maar de klare en zuivere

geest, die de gestalte van Helena opriep, is de ware geest der

Grieksche beschaving. Om Faust rond te leiden in de spokenwereld,

daartoe is Homunculus, een kunstmatig menschje, in chemische retorten

bewerkt, voldoende: voor zijn huwelijk met Helena drage hij zelf zorg.

5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat.

De schoonheidszin is van het geestesleven een integreerend deel. Geen

geestesleven is gaaf zonder deze. Aan de "oude zedelijkheid" heeft

de schoonheidszin ontbroken; de Calvinist heeft nooit beseft dat

er verband is tusschen het goede en het schoone. De theologische,

mechanische aanleg van het Zeventiend' Eeuwsche denken, sluit den

schoonheidszin eer buiten dan in zich.

Het Piëtisme is vaak vijandig gestemd tegenover hem, daar het

de wereld verwerpt; zelfs Spinoza heeft zich zeventiende-eeuwer

betoond door van hem niet te gewagen. Onze groote schilderkunst heeft

geen verband gehouden met het zedelijk bewustzijn des volks, en het

zedelijk bewustzijn heeft zich niet geopend voor de kunst noch voor de

aesthetische ontroering. Eerst het geslacht, waartoe Goethe behoorde,

begreep het verband tusschen schoonheid en levensbestemming. Faust

treedt in het huwelijk met Helena, en dit huwelijk is een noodzaak

tot zijn volmaking.

Het is hier niet te doen om een aesthetische beschaving in de plaats

der ethische, een oppervlakkig schoonheidsbehagen, dat met de diepe

gronden des levens zich niet afgeeft. Zulk aestheticisme, dat de

kunst tot zijn godsdienst heeft, is in de Negentiende Eeuw opgekomen;

maar het huwelijk van Faust en Helena heeft diepere waarde: het is

de scholing in de klassieke kultuur, de vorming van den zedelijken

mensch door harmonie, klaarheid en innerlijke orde. Faust heeft

aanraking met den _geest_ der Grieksche beschaving.

Het huwelijk met Helena is voor den zedelijken mensch noodig,

omdat hij, naar de nieuwe opvatting, de wet zijns eigenen wezens te

vervullen heeft. Moet de mensch zichzelf verwerkelijken, dan loopt

hij daarbij het gevaar eener redelooze emancipatie en afzondering uit

het geheel. Zoo hij de nieuwe moraal als een wil tot macht opvat en

meent, dat aan zijn eigen wil alles geoorloofd is, ware het beter dat

hij nog onder het toezicht der oude wetgeving stond. Met dergelijke

Nietzschiaansche op de spits drijving zijner individualiteit is de

wonderbare harmonie des bestaans verbroken. Wie slechts eigen macht

erkent is tyran en tyranniseert de wereldorde, in welke wij omvat zijn

en waarin ons leven redelijkheid bezit. Juist daar de wereld-orde

in ons bewustzijn inwoont zijn wij onszelf ten wet. Zoo behoort

de mensch der nieuwe moraliteit van de idee der orde en harmonie

doordrongen te zijn. Geen wild-romantieke vrij-machtigheid besture

zijn daden. De student, die in Faust's studeercel kwam verkondigen,

dat hij persoonlijk het superieure subjekt der wereld was, en dat het

op- en ondergaan der zon van zijn denken afhing, vertoont de nieuwe

moraliteit als karikatuur. Maar Faust zal innerlijk rijpen en zich

van de idee van orde en wet doordringen, opdat zijn streven niet

romantisch zij.

Het altijd-durende streven gaat verloren, zoo daaraan de rust der

zelfbeheersching ontbreekt; de fantasie vindt willekeurige slingerwegen

maar niet den weg tot het doel. Zoo moet het streven zich scholen

door de schoonheid, die niet anders is dan de evenredigheid en

algemeene orde der wereld. Griekenland heeft de wereld als "kosmos"

opgevat. De schoonheidszin is uit Griekenland geboren. Overal liggen

zijne voorteekenen verspreid: Indië, Egypte, Assyrië, Babel, Israël,

Phoenicië, Germanië zijn vol voorteekenen die de geboorte van den

schoonheidszin aanzeggen; maar eerst Hellas heeft de schoonheid

_geweten_ en het vormelooze verworpen voor de erkenning van harmonie

en maat. Eerst Hellas heeft dit inzicht tot beginsel eener geheele

kultuur gemaakt.

Dit is dus de vrucht van Faust's scholing door de klassieke kultuur,

dat hij leert innerlijk maatvol zijn, en dat zijn strevende

werkzaamheid daardoor planmatig en doelmatig wordt.

Maar het huwelijk met Helena is leerschool en niet meer. Evenmin

als een leerschool is het tot bestendigheid beschikt. Zal Faust tot

uitvoering der zedelijke daad komen, dan moet dit huwelijk achter

hem liggen, al is ook de leering, daarin ondergaan, van blijvende

beteekenis. Zoo zien wij Helena aan Faust's armen ontzinken. Wat

zij hem verwekt heeft is de _poëzie_. Immers deze is niet anders

dan maatvolle gedachte en Goethe noemt haar Euforion. Voor hem

was de poëzie niet een kunstvol spel, maar een innerlijk vermogen,

om het leven en de werkelijkheid als een kunstwerk te zien en te

beleven; zij was hem een scheppende macht, die zich uitte in denken

en doen. Zal Faust tot zedelijken werker worden, dan moet hij door

de poëzie bezield zijn tot dienst aan de wereldorde en door haar tot

maatvolle wijsheid zijn bekwaamd. Deze vrucht zal blijken, wanneer

de huwelijkstijd met Helena voorbij is; tijdens het huwelijk zal zij

hem verschijnen als lichtende beeld. De lichtende gestalte Euforion,

in het huwelijk van Faust en Helena verwekt, blinkt voor beider

verwonderde oogen, maar gaat als een meteoor voorbij, waarna ook

Helena's oogenblik van verscheiden is gekomen. Wanneer zij aan Faust

ontzinkt, blijven als aandenken, kleed, mantel en lier achter. Dit

beteekent dat de nieuwe zedelijkheid de sporen bewaart van hare

scholing in de klassieke kultuur, maar dat zij toch een andere is,

zelfstandig, en uit haar leerschool is verrezen als een vrije macht,

stichtster harer eigen beschaving.

6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der

zedelijke daad.

Het oneindig streven, Germaansch van oorsprong maar geadeld in de

leerschool der klassieke beschaving; de zedelijke zelfbetooning, door

het besef van maatvolle orde verhelderd--ziehier den _weg van Faust_:

op deze wijze zal hij zijn Mefistofeles te boven komen.

Maar waarin bestaat het dat Faust Mefisto te boven komt? Indien hij in

het zedelijk streven, dat toch ook naar bepaalde doeleinden uitgaat

_bevredigd_ wordt, is dan de oneindige drang, deze richting naar het

Absolute, niet tòch verloochend? en wie heeft dan overwonnen: Faust,

die beweerde met niets te zullen bevredigd zijn, of Mefisto die daar

al te gemakkelijken raad op wist?

Ziehier de vraag, die de ontknooping van het Faust-drama beheerscht.

De zedelijke daad, die Faust uitvoert is grootsch, bovenal zoo zij in

haar symbolische beteekenis doorzien wordt. "Mijn oog was gericht,

zoo spreekt Faust, naar de hooge zee; zij zwol op om in zichzelve

omhoog te streven--dan zonk zij in en schudde haar golven om daarmede

de breedte der vlakke oevers te bestormen. En dat verdroot mij,

gelijk de overmoed door zijn hartstochtelijk opgezweepten zin den

vrijen geest, die slechts het recht waardeert, ergert.

"Ik achtte het toeval, scherpte mijn oog: de golf stond op en rolde dan

terug, trok weg van het trotsch bereikte doel; het oogenblik komt en

hij herhaalt zijn spel. Dan sluipt hij weer aan op duizend plaatsen,

de onvruchtbare, om overal onvruchtbaarheid uit te strooien. Het

is een zwellen en toenemen en uitstorten over het woeste gebied,

en dan weder terugtrekken en er is niets volvoerd. Mij beangstigt

dit schouwspel tot vertwijfeling; doellooze kracht van bandelooze

elementen! Hier waagt mijn geest het boven zijn macht te streven:

hier wil ik strijden en hier wil ik overwinnen! En dit is mogelijk:

zoo vloedend als zij is, golft de zee langs elken heuvel heen; al

beweegt zij zich nog zoo overmoedig: een geringe opgeworpen hoogte

weerstaat haar trots en een geringe diepte trekt haar machtig tot

zich neer. Toen heb ik snel in mijn geest het plan gevormd: verwerf

het kostelijk genot om de heerschzuchtige zee van den oever af te

sluiten, het gebied dier vloeiende massa in te krimpen, en haar diep

binnenwaarts terug te dringen in haarzelf. Van schrede tot schrede

heb ik mij het plan voor den geest geroepen: dit te volvoeren is mijn

wensch, waag het de uitvoering te bevorderen."

Faust wil de zee aan banden leggen en het onvruchtbaar zeegebied

herscheppen tot vruchtbaar land; daar wil hij een door menschen

veroverde woonplaats stichten, een vrijen grond voor een vrij volk,

dat zich in vrije werkzaamheid oefent.

Het veld zal vruchtbaar zijn, een land als een paradijs; laat aan

zijn buitenkant de vloed den dijk bestormen: de samenwerking eener

schare is haastig bereid om de kleinste scheur te versperren. De

symboliek dezer Faustische daad is duidelijk: de zee is de negatie

der vruchtbare aarde; terwijl deze uit een onbegrensden levensdrang

het leven voortbrengt, plant, dier en mensch ontspruiten doet,

en uit haar schoot de delfstoffen opwerpt--doet de zee niets dan

verzwelgen; in haar diepte schuilen monsters en de kolk van gevaar

blijft zij voor ieder, die zich op haar bedriegelijke vlakten

waagt. De zee is het verstorend element; zij is de Mefistofeles in

de aardsche schepping; van den oer-chaos overgebleven. Nu zal Faust

de zee terugdrijven. Zinrijke daad! Ziehier het heilswerk, in eigen

geestelijke vrijheid uitgedacht en volvoerd, geheel anders dan de

"goede werken" voorgeschreven door een gekodificeerde moraal. Deze

daad beteekent Faust's overwinning over Mefistofeles.

Een bekoorlijk tafereel schildert het welslagen dezer daad van

Faust: een vroeger schipbreukeling, eenmaal aan deze kust gespoeld

en verpleegd in de hut van Philemon en Baucis zoekt nu, jaren later,

zijn weldoeners op, en aanschouwt van hun in 't duin gelegen woonplaats

af, geen zee maar een vruchtbaar land: hetgeen u grimmig mishandeld

heeft, de zee met haar schuimend wilde golven, ziet gij in een

tuin herschapen: een tafereel als een paradijs! Koene knechten van

verstandige heeren groeven en dijkten de zee in, verminderden haar

rechtsgebied en werden heerscher in hare plaats. Zie toch hoe weide

naast weide groent, beemd, tuin, woud en dorp! rechts en links over

groote uitgestrektheid is het gebied dichtbevolkt!

Maar is Faust nu voldaan? en heeft in deze daad zijn oneindige drang,

d. i. zijn drang naar het Oneindige vervulling gevonden? Indien ja, dan

is eenerzijds Mefistofeles overwonnen, omdat niet in de verlokkingen

van dezen, maar in Faust's eigen gevonden en geschapen taak zijn

drang vervuld is.

Mefisto heeft Faust in de wildernis gevoerd.. Nu heeft hij zelf uit

de wilde zee een bewoonbaar en vruchtbaar land geschapen!

Anderzijds heeft toch Faust een voldoening gevonden beneden het

Oneindige. Eenmaal heeft hij het wezen der wereld gezocht met het

denkend intellekt; de magie is door hem te hulp geroepen; hij heeft

den dood gewild om langs dezen weg in de eeuwige waarheid in te

dringen; diep en ontroerend was de klacht over zijn onvermogen; in

zijn ongeleschten kendorst dreigde hij te zullen bezwijken, en heeft

gezworen dat niets hem ooit zou bevredigen: "zal ik ooit gerustgesteld

mij neerleggen op het bed der ledigheid, dan zij het tegelijk met

mij ten einde; kunt gij mij zoo beliegen dat ik mijzelf behaag,

mijn laatste dag zij aangebroken; zal ik tot het oogenblik spreken:

blijf toch want gij zijt schoon genoeg, dan wil ik te gronde gaan."

Faust is voldaan.... maar zóo dat hij het niet is. Dat is: hij

heeft de daad gedaan die de meest zuivere _omzetting_ is van zijn

oneindigen drang in de aardsche omgeving. Maar deze daad is op

elk oogenblik nog slechts een _betrekkelijke_ uitdrukking van zijn

drang, en om haar volledig te denken, denkt hij haar verlengd in het

toekomstige. Bovendien: aan het werk zelf heeft Mefistofeles deel en

zoo is het een onvolkomen werk.

Wat dit laatste aangaat: in het werk mengt zich onrecht; dus houdt

het een bewijs zijner onvolmaaktheid in. De Faust-dichter schildert

deze ongerechtigheid in den aanval van Mefisto met drie gevaarlijke

gezellen op het huisje van Philemon en Baucis. Faust ergert zich

aan het oud-modisch klokgebengel, waarmeê deze oudjes nog steeds

den verleden tijd dienen. Hij heeft hun in 't nieuwe gebied een

beter woning en welvarender landgoed aangeboden; maar vond slechts

weigering. Mefisto volgt Faust's wenk op eigen manier en.... de hut

gaat in vlammen op, terwijl de bewoners omkomen. Voor Faust geeft deze

handeling stof tot bepeinzing. Ook de werken van zedelijke bezieling,

naar bepaalde doeleinden uitgaand, kunnen de eeuwigheidswaarde van

den mensch niet vervangen; zij zijn eindige grootheden, heilzame

doch begrensde gewrochten en zij houden den mensch binnen zijn

eindige levensvoorwaarden besloten. Evenmin als de opstapeling

der wetenschappelijke resultaten, bereikt de vermenigvuldiging der

zedelijke daden het eeuwige. Waar de Wagners juichen zijn de Fausten

onvoldaan. Dat de zedelijke handelingen den mensch niet vergoddelijken

bewijst het onrecht dat ongewild ook daarin binnensluipt.

Toch heeft Faust _zijn weg_ gevonden. Maar de weg is niet het doel,

doch het middel. Na de scholing door de oude kultuur heeft hij in

een nieuwe zedelijkheid _zich tot het hoogste voorbereid_.

Nog is, gelijk wij zagen, Mefistofeles niet geheel overwonnen. In

beginsel is zijn macht over Faust gebroken, hiermeê dat Faust in de

zedelijke daad zijn ware zelf verwerkelijkt. Niet meer leider maar

dienaar van Faust is hij, maar ook in deze verhouding is hij nog de

medgezel. Weldra doet zich het verstorend element zijns persoons

aan Faust gelden; want reeds in den proloog in den hemel is deze

onontkoombare waarheid over hen uitgesproken: de mensch dwaalt zoolang

hij streeft.

Voor den strevenden mensch is er geen mogelijkheid om de negatie,

de verstoring, het kwaad, den Mefistofeles te niet te doen--zoolang

hij streeft. Maar in beginsel is hij, zoodra zijn strevenden wil

zich verheft, hem te boven. Nu nadert tot den oud geworden Faust

een gestalte, die lang afwezig is gebleven, maar toch op hem geloerd

heeft zoolang Mefisto met hem ging: de Zorg.

Is iemand hier? vraagt Faust. De vraag vereischt een ja, antwoordt

zij.--En gij wie zijt gij dan?--Ik ben nu hier.--Verwijder u!--Ik

ben ter rechter plaats.--Neem u in acht! zegt Faust, en spreek geen

tooverwoord! En zij: al zou mij geen oor vernemen, toch weerklink

ik in de harten; op wegen, op de zeetochten ben ik de steeds

beangstigende medgezel. Steeds gevonden, nooit gezocht, ik wordt

gevleid en gevloekt. Hebt ge nooit de zorg gekend? "Uw macht erken

ik niet" roept Faust haar toe, maar zij blaast haar adem over hem

uit en Faust wordt blind.

Hij buigt zich niet voor de tegenstandster, zooals hij zich niet

buigt voor Mefistofeles; hij is zichzelf en handelt uit aansporing van

zijn eigen wezen, maar tegelijk vervult hem zijn grootsche daad met

onbevredigdheid. "Nog heb ik mij niet opgeworsteld tot de vrijheid"

roept hij uit; en: "de mensch doorreize zijn aardschen dag; als geesten

spoken ga hij zijn vrijen gang. In het voortschrijden vinde hij smart

en geluk, hij, onbevredigd elk oogenblik."

De beperktheid van zijn kunnen en het te-kort van zijn zedelijk

streven wordt aan den mensch te ondervinden gegeven door de macht,

die zich tegenover hem stelt. Maar in zichzelf vindt hij zijn streven

en de geestelijke kracht, die hem daarbij geleidt. Faust wordt door

de zorg weerstaan, maar in zichzelf beseft hij den aandrang tot

voortzetting zijner grootsche daad en voor zijn innerlijke oogen

spiegelt het vizioen der voltooiing. Terwijl Mefisto's gezellen

bezig zijn het graf te delven, waarin hij Faust hoopt te vangen,

(want vernietiging acht hij het einde ook van dit leven), hoort

de blindgeworden strever in het geklank der spaden het werk der

arbeiders, die hij geroepen heeft. Immers een kanaal graven zij om

een moeras af te leiden en aldus de gezondheid der streek voor haar

bewoners te verhoogen? Het volk dat hier in vrijheid woont, zal zich

uitbreiden. Het gevaar kennend en afwerend zal jeugd, manschap en

grijsheid hier zijn lange leven in noeste werkzaamheid volvoeren!

Deze gedachte is het die Faust vervult en als vizioen voor zijn blinde

oogen zweeft, en in het licht daarvan roept hij uit: "nu waag ik tot

het oogenblik te zeggen: blijf, want gij zijt schoon genoeg. In aeonen

kan het spoor van mijn aardsche dagen niet vergaan. In het voorgevoel

van zulk verheven geluk, geniet ik thans het hoogste oogenblik."

Deze woorden zijn de laatste en Faust zinkt stervend op den grond. Dat

hij de weddenschap met Mefistofeles slechts naar den klank des woords

verloren heeft, is duidelijk. Hij zelf, aan Mefisto ontgroeid, is van

hem vrijgekomen. Hij heeft zijn oneindig wezen tegen den ondergang

bewaard.... maar niet verwerkelijkt. Het zedelijke streven is niet het

hoogste bereik der menschelijke persoonlijkheid. "Wiens geest altijd

strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" zal van Faust gelden:

dat de zedelijke streving zelve de voltooiing van het menschelijk

bestaan inhoudt, is daarmee niet gezegd!

V FAUST'S VOLEINDIGING

1. De liefdemacht. God en mensch. Overschrijding der begrensdheid.

"God kennen is de hoogste deugd" leert Spinoza. Dit "hoogste"

noemt hij summa virtus, hetgeen nog iets anders beteekent dan

"hoogste" nl. toppunt der deugd. Het begrip "hoogste" duidt aan

iets betrekkelijks, zijnde de uitkomst eener vergelijking; het

beteekent niet, dat het nòg-hoogere is uitgesloten; slechts over het

thans-voorhandene doet het uitspraak. Maar "toppunt" beteekent het

logisch uiteinde der opstreving, waarbij het nòg-hoogere niet gedacht

kan worden. Hier is het streven ten einde in zijn bereikte doel.

De oude zedelijkheid erkende niet dat het geestesleven zijn

(natuurlijke) voltooiing had in de eenheid met God en op deze eenheid

was aangelegd. Zij geloofde aan de tegenstelling tusschen mensch en God

(door de zonde) en hoopte te eindigen bij een verzoening. Dit is de

oude religie, die uitgaat van het zondebesef, en met alle middelen de

overtuiging hunner onwaardigheid bij de menschen aankweekt. Maar de

ware religie, die zoo oud is als de beschaving, al bleef ze in het

verborgen, beleed de fundamenteele identiteit des menschen met God

(zooals de zonnestralen fundamenteel één zijn met de zon) en erkent dat

in de bewuste eenheid met God het leven tot zijn waarheid is gekomen.

Deze eenheid met God is een verheffing des bewustzijns, waarin het

betrekkelijke is overwonnen; zij is onze vereeniging, die door

de mystische denkers zelfs "vergoding" (theosis) is genoemd. De

religieuze zielkunde handelt over haar in een diepzinnig hoofdstuk

en het is deze vergoding als een voleindiging van het geestesleven,

welke de Faust-dichter in de slot-scène van het gedicht heeft in

beeld en klank en woord gebracht. In haar is geen Mefistofeles die

het bewustzijn der oneindigheid tracht af te leiden of uit te dooven.

Goethe's Faust · 第 4 / 5 段