gedeelten van het Faust-poeem ligt een _nacht_, een nacht van
vergetelheid en diepen slaap. Het geheele Eerste Deel kan beschouwd
worden als een avondgebeurtenis na een voorafgeganen dag van zware
inspanning en overladen werk. De monoloog, waarmede het eerste
Faustgedicht aanvangt, geeft aanstonds een blik op dezen voltooiden
en vermoeienden werkdag: "nu heb ik ach, filosofie, rechtswetenschap
en medicijnen en helaas ook theologie grondig bestudeerd met vurigen
ijver." Ziehier de al te zware dagtaak, welke Faust achter zich heeft,
wanneer wij met hem kennismaken. Op dit oogenblik gaat zijn geest
den avond in, den avond met zijn geheimzinnige aanspraak tot het
menschelijk gemoed, een avond reeds aangekondigd in den "proloog"
met de schildering van de zon, die haar voorgeschreven dagreis met
donderslag voltooit. In dien zielsavond neigt hij tot de wereld
der geesten met hun duistere wetenschap en verlangt hij naar den
dood, die een hooger licht dan het aardsche daglicht over hem zal
uitgieten. De dood wenkt hem verlokkend toe uit kristallen schaal. De
magische heksenkeuken, het spiegelbeeld van Helena zijn verschrikkende
en verteederende avondfantasieën. De zucht naar weelde en genot
herleeft: de zinlijkheid bekoort met haar schaduwzwarte diepten;
Faust verlangt het al der wereld te doorleven en zijn ziel daarin te
laten vervloeien. Gretchens liefde is zijn avondweelde en avondtroost
en in haar nabijheid verdoezelt zich zijn godsdienstig gevoel tot
pantheïsme, avondgodsdienst zonder omtrekken, welks leuze is: naam is
klank en rook; wees in gevoelens zalig en noem het zooals gij wilt:
geluk, hart, liefde, God. De zachte stemming èn vreemde fantasie zijn
de terugwerking op een dag van vruchtelooze moraliteit des werks. De
vergeefsche inspanning van den harden werker verkeert zich tot deze
maatlooze zieletoestanden.
Maar het einde des avonds, en waar hij tot nacht wordt is zwaar
en van jammer vol. Het is de wilde spooknacht der wroeging en der
radeloosheid, die met waanzin dreigt. De hevigste onrust als van een
heksendans op den Blocksberg is het laatste loon van dezen langen
dagtijd vol ondervinding.
Het zestiend'eeuwsche Faust-gedicht laat Faust ter helle varen;
de hel is het hopelooze en onherstelbare, en het schijnt wel of
na Faust's ondervindingen geen anderen uitweg bestaat. Immers, wat
is er te herstellen voor een man, die zoowel in het denken als in
het verkeer, in het waarheidsverlangen als in de liefde op ellende
uitkwam? Nu staat de strever naar het hoogste voor het Niet, het
ledige Duister der sterrenlooze middernacht.
Maar na de middernacht breekt de na-nacht aan, en de na-nacht zal
Faust's rusttijd zijn. Nu is het spookuur voorbij en hoogere geesten
onder leiding van Ariël, den geest der lucht, hebben den vermoeiden
lijder opgenomen en op een bloemenrijken grasgrond uitgestrekt;
zij zingen hem in slaap en zweven om hem heen, terwijl zij de rust
in zijn gemoed herstellen: "Nu is de nacht neergezonken en heilig
verbindt ster aan sterre zich; groote lichten, en kleine glinsteren
nabij en ter verte, glinsteren weerspiegeld in het meer, glanzen in
de heldere hoogten des nachts. Het geluk van diepe rust wordt door
de volle pracht der maan bezegeld." Onder deze zegening slaapt Faust
een slaap, die tijden duurt; hij doorslaapt het tijdperk der nacht;
het is de periode der uitrusting uit welke men niet met wroeging of
ellende ontwaken zal. De zwevende geesten verteederen zijn afgepijnd
hart, genezen de wonden van het zelfverwijt en reinigen zijn innerlijk
bestaan van het doorleefde tumult.
Nu kan de nieuwe Morgen komen en hij zal geen morgen van nieuwe
zorgen zijn. Met welk morgenlied ook vangt het tweede deel van het
Faust-gedicht aan! Het eerste deel was met den zang der aartsengelen
ingeluid. Zij zongen het _avondlied_ van de zon, die haar dagreis
voleindigt, en van de aarde in wier wenteling paradijsglans plaats
maakt voor diepen nacht--maar de geesten, die het tweede gedicht
openen, zingen het lied van de juichende ontwaking des Lichts:
"Schouw, zoo roepen zij tot den slapenden Faust, naar den glans,
die ginds verschijnt! Slechts lichtelijk zijt gij met slaap omvangen:
slaap is als een schaal, werp haar af; verzuim niet u te verkloeken,
terwijl de menigte talmend aarzelt: alles vermag de edele mensch, die
verstaat en snel handelt." En bij dit woord verkondigt een geweldig
gedruis de nadering der zon: "hoort o hoort naar het aanstormen der
Horen; voor geestes-ooren blinkend wordt geboren de nieuwe dag."
Met dezen aanroep is Faust ontwaakt.
2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding).
En hiermede begint zijn nieuwe weg. De inhoud van het tweede
Faust-poëem bevat meer dan de vertooning en verbeelding van dezen weg;
geheel het denken van Goethe's tijd en vooral de natuurfilosofie
voeren er het dichterlijke woord; maar wij laten dit ter zijde
en zoeken te bepalen den weg dien Faust ging. In het eerste deel
hebben wij Faust, teleurgesteld in zijn oneindige verlangst naar
kennis, zich zien storten in het levensgenot: door de oneindigheid,
die hij in zich beseft, heeft eerst zijn natuurweten schipbreuk
geleden. Daarna in het leven gekomen, leed zijn genieten dezelfde
schipbreuk op de onvoldaanheid zijner hoogere natuur. Faust heeft
den oneindigen eisch gesteld en daarop is zoowel zijn kennis als zijn
levensvreugd gestrand. Niets was bestand tegen dezen drang naar het
absolute, die tegen alle beperktheid stoot en voor welks aangezicht
alle levens-vrede tot verwoesting keert.
De vraag, welke wij thans stellen, is: welke weg blijft voor Faust
over na dit twee-ledig bankroet? Er is een mogelijkheid van klein te
eindigen, nadat men groot begonnen is. De aanstichter van een nieuwe
wereldbeweging kan mislukken in zijn grootschen toeleg en--na eenige
jaren teruggevonden worden als vreedzaam burger van een klein dorp
bij de grenzen; na het eerste hoofdstuk van den nieuwen bijbel der
menschheid geschreven te hebben, is de vlaag der genialiteit gedoofd,
en men biedt, na wat verpoozens, litteratuur van derden rang. Indien
Mefistofeles den Faust geschreven had, ware er geen ironischer
vervolg van het eerste boek geweest dan den held te laten optreden
als gevierd middelpunt van een dorpskring, bemind op sociëteit
en letterkundigen krans. De overmacht van de negatie had zich dan
bewezen in de uitsterving van dien oneindigen drang, die Faust's wezen
uitmaakt. Zoo er echter een weg voor Faust is, moet het een weg zijn,
waarop hij zijn wezen bewaart en tegen Mefistofeles de geheele diepte
van zijn menschelijk karakter volhoudt. De weddenschap blijft gelden:
zoodra Faust het mindere aanvaardt als voldoend en zijn oneindigen
drang ontkent, is hij verloren; maar dus ook: zoolang hij wezenlijke
mensch blijft en zijn eeuwigheidsnatuur door eenig voorloopig resultaat
van zijn streven niet wordt vervuld--zoolang is zijn streven zelf
zijn levensweg. _Het oneindig streven is de weg van Faust._
Deze uitspraak gelijkt op rhetoriek, maar zij bevat een diepen inhoud
en is vol wijsheid. In haar is de nieuwe zedelijkheid uitgedrukt in
tegenstelling met de oude.
Met oude zedelijkheid bedoel ik de levensopvatting der Zeventiende
Eeuw; met nieuwe zedelijkheid het begrip van persoonlijkheid en
leven, dat in de Negentiende Eeuw is gangbaar geworden. Faust is geen
zeventiend' eeuwsche, maar een moderne mensch. De oude zedelijkheid
is Israëlitisch gestempeld, en door ontkoming aan het Israëlitisme
is Faust een mensch van den nieuwen tijd. De tegenstelling, die hier
geldt is een andere dan de vaak genoemde tusschen de twee geestelijke
standpunten: Israël en Hellas. De Israëliet is vooral zedelijke mensch,
doch in dezen bizonderen zin van te staan onder de zedewet, waarbij het
schuldgevoel des menschen tegenover de heiligheid Gods de grondtoon
der geheele gezindheid bepaalt. Deze mensch weet niet dat in hem een
goddelijk licht brandt: hij kent zich als zondaar en ontleent uit een
geschreven wetgeving den maatstaf der zelfbeoordeeling. De Helleen
daarentegen is aesthetische mensch, die geen onvoorwaardelijkheid kent
op zedelijk gebied, geen zedelijk gebod, maar een zedelijke intuïtie;
in schoonen arbeid geniet hij het geluk zijns levens.
Deze tegenstelling nu kan niet rechtstreeks op die tusschen oude en
nieuwe zedelijkheid worden overgedragen, al is er overeenkomst: de
oude (zeventiend' eeuwsche) zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld;
de nieuwe is aan Hellas verwant doordat zij het recht der vrije
persoonlijkheid erkent.
In den oud-Germaanschen vrijheidszin is de nieuwe zedelijkheid
voorgeschaduwd. Reeds Parzival, de Germaansche held, wordt uit zijn
verwildering gered, doordat "in hem een vaste zin was en onversaagde
mannenmoed, die niet gebroken werd door harden druk." Zijn zedelijkheid
was de vastberadenheid van een streven, dat de vertwijfeling
overwon. Faust is een tweede Parzival, de vernieuwer dezer Germaansche
zelfbevrijding. Aan het einde van zijn levensloop wordt over hem
gesproken: "wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen"
(wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen).
Het onderscheid van oude moraliteit en nieuwe bestaat hierin, dat
de oude moraal het zwaartepunt der deugd buiten den mensch legt,
de nieuwe moraliteit stelt het in ons; d. i. in de menschelijke
persoonlijkheid, genomen in den vollen en diepen zin van dit begrip. De
Zeventiende Eeuw is, binnen de nieuwe Geschiedenis gelijk wij zeiden,
de vertegenwoordigster der oude zedelijkheid, hoewel juist toen een der
groote scheppers der nieuwe leer geleefd heeft: Spinoza. De oude moraal
stelt de zedelijkheid in deugden, plichten, werken, die als meer of
min afgepaste en aangewezen geestelijke grootheden door een zedelijke
wetgeving zijn afgekondigd en gekodificeerd. Dat alle deugden, plichten
en werken de openbaring zijn van éen innerlijk levensbeginsel, en dat
er dus geen zedelijkheid is dan als een verwerkelijking van dit; dat
zedelijkheid de verwerkelijking is van het eeuwige zelf des menschen,
vermoedt zij niet. De oude zedelijkheid is gedrag volgens de zedewet,
en deze zedewet is een goddelijke _instelling_, geen opwelling uit
het menschenhart zelf.
De Zeventiende Eeuw heeft het _mechanisch_ denken tot overwinning
gevoerd; zij stelde de mechanika vast als methode der natuurleer,
en bestreed de Middeleeuwsche opvatting, volgens welke de natuur
met verborgen eigenschappen en geestelijke krachten werkte. Het
mechanische denken rekent met uitwendige oorzaken alleen en behandelt
alle gebeurtenissen in de natuur als toepassingen van algemeene wetten,
die wiskunstig moeten berekend worden. De astronomie is het zuiverste
voorbeeld van mechanische natuurwetenschap. Huyghens, Harvey en
zoovele natuurkundige ontdekkers der 17de en 18de eeuw hebben door de
mechanische methode de natuurwetenschap tot haar hoogte gebracht. De
wiskunde is het hart der mechanika en Cartesius had de wiskundige
methode van denken ook op de geestelijke wetenschappen van toepassing
verklaard. Zoo is dan ook de opvatting dat zedelijkheid een gedrag is
volgens de ingestelde zedewet, de vrucht van een mechanisch denken: de
zedewet werd evenals de natuurwet geacht door den schepper der wereld
te zijn ingesteld. Aan deze voor de levensleer noodlottige opvatting
beantwoordde het Calvinisme, deze algemeen geldige geestelijke richting
des tijds. Het Calvinisme is een herleving van den Israëlitischen geest
in het Christendom, gekeerd tegen de idee der vrije individualiteit
volgens Grieksch en tegen die der zelfberaden persoonlijkheid volgens
Germaansch begrip. Het Calvinisme immers hield de zedelijkheid
voor een gehoorzaming aan een zedewet, van bovenaf aan de menschen
gedekreteerd op het ontoegankelijkste rotsgebergte, de Sinai, alsof
de zedewet van ergens anders stamde dan van onze menschelijkheid zelf!
De Zeventiende Eeuw is theologisch: het aanvangspunt van denken is
er de tegenstelling tusschen God en mensch. Spinoza, die haar niet
erkende, werd voor atheïst gescholden. In deze tegenstelling komt de
mensch ontledigd tegenover God te staan, waarbij een negatief begrip,
het zonde-begrip, het uitgangspunt der levensbeschouwing wordt. Het
dwars-verkeerde dezer beschouwing is niet meer goed te maken. Zij
berooft den mensch van de waarheid zijns wezens. De heilsleer der
Zeventiende Eeuw is hetero-soterisch; d. i. de krachten die het
leven tot heil brengen werken van buiten af. Calvinisme, Piëtisme,
Lutheranisme zijn in dit opzicht gelijk. Deze hoofdstroomingen der
Zeventiend' Eeuwsche levensleer mogen onderling verschillen als meer
intellektualistisch of meer empiristisch gekleurd--in de levensleer
is aller opvatting op het door ons genoemde punt gelijk. Inzonderheid
het Piëtisme, dat aan Lutheranisme en aan Calvinisme de gemoedswarmte
gaf en een religieuze ervaringsleer kan heeten, heeft in zijn
heilige boek _Bunyans Pilgrims Progress_ een uiting geleverd,
die de zedelijk-religieuze opvatting des tijds op het duidelijkst
uitsprak. Het Engelsche Piëtisme dat in dit boek tot uiting komt,
heet gewoonlijk Methodisme. Bunyans "Christenreize naar de Eeuwigheid"
is het Zeventiend' Eeuwsche heilsboek; het heeft zijn verdienste in
groote menschenkennis en is _het tegendeel van Faust_. Geen boek ter
wereld is zoozeer in tegenspraak met de moderne levensopvatting. De
mensch is er ongeniaal, uit zichzelf voelt hij alleen onmacht en
ellende. Uit een boek, dat hem van elders in de handen komt, leest
hij den beteren levensweg; andere wezens leiden hem; alles komt van
buiten behalve de zonde; in zichzelf is hij negatief. Hij is geen
persoonlijkheid, hij is alleen maar behoefte. Het Piëtisme is de leer
eener reeks van gevoelservaringen, die doorloopen moeten worden,
en die niet uiting zijn van eigen geestelijk streven, maar waar de
mensch, de lijdelijke, wordt doorheen-geleid. Het geestelijk leven
als stroomend uit den eigen innerlijken bronwel en zijn rijkdommen
uit zichzelf voortbrengend--dit nieuwer levensbegrip is er onbekend.
Dat zedelijkheid niet is een gehoorzaamheid aan een wil die van buiten
af beveelt, maar des menschen eigen aspiratie, wordt door deze oude
leer niet bevroed.
Maar ziehier juist de kern der nieuwe levensgedachte. Spinoza
reeds had de stelling uitgesproken, dat des menschen "streven om in
eigen zijn te volharden" het eenige fondament der deugd is. In deze
uitspraak klinken de bazuinen der nieuwe levensleer. De mensch, aan
banden eener ingestelde zedewet vastgelegd, zal opnieuw ontwaren, dat
zijn eigen wezen de zedewet inhoudt. Dat beteekent: de geestelijke
natuur van den mensch zelf is de grond aller deugd, en er is geen
andere deugd dan deze: onze geestelijke natuur verwerkelijken;
zich-_zelf_-zijn. Voorheen gold de zedewet door bedreiging en
belofte, als door dwangmiddelen; des menschen vrijheid beteekende
de vrijwilligheid, waarmeê hij dezen band verdroeg of niet verdroeg:
nu geldt de gedachte andersom: er is geen ander beginsel van zedelijk
leven, dan de idealiteit onzes wezens: de zedewet niet heerschappij
voerend over den mensch, maar de mensch als voortbrenger van de
zedewet. Deze moraal is die der vrije persoonlijkheid, die de zedewet
niet boven zich, maar in zich heeft.
De levensopvatting, hier geldig is niet de mechanische, maar de
_organische_. Terwijl de steenen op elkaar gezet worden en uitwendig
door de kalk saamgebonden tot een muur, volgens het plan van den
metselaar, die ze behandelt--groeit het zaad tot een plant niet
door uitwendige toevoeging, maar krachtens een innerlijk beginsel en
volgens een wet, die in het leven en den groei des zaads is vervat. Het
geestelijk leven als de oprichting van dezen muur te begrijpen is
de mechanische opvatting der oude moraliteit: maar dat het zedelijke
aan een innerlijke levenswet, veeleer op den groei der plant gelijkt,
organisch, is de Negentiend' Eeuwsche gedachte.
Het Nieuwe Testament heeft menige uitspraak in deze richting; de
middel-eeuwsche mystieken en Luther hebben dergelijke tonen van
hun instrument doen klinken; in geen tijdperk der Christelijke
kultuur-geschiedenis heeft de stem der zedelijke vrijheid geheel
gezwegen: maar de andere opvatting heeft deze nieuwere telkens
overstemd en de "oude" zedelijkheid heeft zich als de kettermeester
der nieuwe gedragen.
Goethe's Faust vertoont deze levensleer op de meest klare wijze in
het dichterlijke beeld. De Faust is een kultuurboek, waarin niet
slechts de geest van Goethe, maar vooral de geest der aangevangen
Negentiende Eeuw zich spiegelt.
De dichter van Faust heeft den overgang tot den nieuwen tijd in zich
meegeleefd en de groote revolutie gadegeslagen. Nu is zijn gedicht
breed geworden, encyclopaedisch van opzet, daar het den nieuwen
mensch vertoont in zijn zedelijk streven en dit streven naar alle
zijden ontwikkelt: de nieuwe zedelijkheid heeft haar verhouding tot
staat en maatschappij, kunst, natuur en godsdienst.
3. Het besluit tot daden.
"In den beginne was de Daad", zoo heeft reeds in zijn studeercel Faust
gefilosofeerd. Er staat geschreven: "in den beginne was het Woord",
maar het woord kon hij zoo hoogelijk niet vereeren; evenmin de rede,
ook niet de kracht.
Het zedelijk streven, waarin hij Mefisto zal te boven komen, zal voor
Faust bestaan in het uitoefenen van de levende daad.
In het eerste Faust-gedicht overheerscht de negatie,
Mefistofeles. Faust wordt er door Mefisto geleid en geeft zich aan zijn
inspraken over; alleenlijk bewaart hij zichzelf tegen dien leidsman,
zoodat hij nooit ten onder gaat. Zijn leven is nog bewogen door den
levensnood; de passie overheerscht, de levensgang is verwilderd. Dit
is de noodwendige aanvang van elk zedelijk leven: het leven begint in
laagtestand en gaat door het heilsgemis naar het heilsbezit, evenals in
Carlyle's Sartor Resartus Professor Teufelsdrökh door het Everlasting
No heen moet om het Everlasting Yea te bereiken. Maar hiermee is
het leven niet verloren: zijn de negatieve wateren doorkliefd, dan
komt het schip in positieven stroom. Mefisto heeft zich aan Faust
onmachtig gemaakt, doordat Faust in de volgzaamheid aan zijn leidsman,
zichzelf tegen hem heeft vastgehouden, de weddenschap op geene wijze
verliezende.
Eindelijk is het positief beginsel in Fausts natuur voldoende tot
eigen kracht van daden gerijpt, zoodat Mefisto niet meer den weg
behoeft aan te wijzen, doch alleen als Faust's dienaar kan blijven
geduld. In het tweede poëem is Faust zijn eigen meester en betreedt
door eigen streven den weg van het levensheil.
Faust's moraliteit is dus: zichzelf te zijn, en het aktueel beginsel
van zijn streven is het _besluit tot de levende daad_. De daad is
uiting der inwendige aktiviteit; in haar betoont de mensch zichzelf;
zij is niet wat de oude moraliteit bedoelt: een gedraging of werk
volgens de zedewet; geen "werk der dankbaarheid" of wat ook, waarbij
een handeling uitgevoerd wordt, die reeds tevoren was voorgeschreven in
een kodex van deugdwerken; neen maar de daad als _getuigenis_. De daden
waartoe Faust besluit, zijn pure uitingen van inwendigen drang; zij
zijn niet te voren bij eenige zedelijke wetgeving bepaald; zij zijn de
betooningen van den zedelijken mensch die zijn moreele persoonlijkheid
doet gelden: "dit aardegebied verschaft nog ruimte tot groote daden;
tot het doen van koene en verbazingwekkende werken voel ik de kracht."
Misschien acht menigeen zulke ideëele moraliteit geen degelijke
zedelijkheid te zijn. Het schijnt of het Faust-poëem het lied is van
den aesthetischen mensch Goethe, die zichzelf bezingt. Men wil een meer
geëikte deugd. Het besluit tot daden, niet eens tot bepaalde en als
zedelijk goed voorgeschrevene, maar het besluit tot _zelf-uiting in de
daad_ schijnt den menschen, die aan konventioneeler deugd gewend zijn,
nevelig en onbestemd. Zij begrijpen niet dat er geen vruchten zijn dan
uit de groeikracht van den boom en dat er evenmin deugden, plichten,
werken, zedelijke handelingen zijn dan als levensopwelling van een
menschenhart zelf. Er is misschien voor een dogmatisch verstand geen
houvast aan een zedelijkheid, die van binnen stamt, gelijk er een zeer
gemakkelijk houvast is aan zedelijkheid, die een bestaande wetgeving
opvolgt. De Muzelman heeft aan zijn trias van aalmoes doen, bidden,
vasten, een algemeen begrijpelijker deugdsysteem, dan de Germaansche
strever aan zijn besluit tot de loutere daad. Dit verhindert niet
dat de zedelijkheid in laatstgenoemden vorm de ware is.
Aan Faust's besluit tot daad (het positief moreel princiep) gaat
vooraf het _berouw_. Het berouw is de reaktie na het verblijf in de
wildernis. Als de negatie is doorgemaakt, blijft een nijpend gevoel
van leegheid over; de mensch beseft de laagte, waarin hij heeft geleefd
en klaagt zichzelf aan om zijn verblindheid. Deze negatieve moraliteit
volgt op het negatieve levensgedrag en is de weerslag op Mefistofeles'
leiding, de terugschrik na de zelfherkenning. Het Piëtisme zou dit
zedelijk moment, het berouw van Faust, hebben doen aanzwellen tot
hoofdbelang; in litteratuur kon het in 't breede geëxploiteerd worden
als tijdperk van zelfverwijt en zelfontreddering; de Zeventiend'
Eeuwsche moraal althans had met voorliefde op deze negatieve zijde
van het zedelijk leven de schrilste lichten geworpen--Goethe is te
zeer menschkundig om het berouw te ontkennen in zijn heilzame werking,
te schoon van geest, dan dat hij er zwaarder gewicht aan gaf dan als
overgang uit lager tot hooger levensstand. Het berouw van Faust wordt
ondervonden in de diepte van het naar binnen gekeerde bewustzijn,
aanvaard als krisis des inwendigen levens. Zoo volstaat Goethe ook
met een fijnvoelige vingerwijzing, die den begrijpers genoeg is:
in den aanvang van het tweede Deel spreekt Ariël tot de geesten:
"brengt den grimmigen strijd zijns harten tot rust, verwijdert
de scherpe pijlen van zijn zelfverwijt; en reinigt zijn innerlijk
van doorleefden schrik." Hier is het geestelijk herstel van Faust
geteekend. En als hiermee de negatieve faze zijns levens (de wildernis)
voorbij is, zie! daar ontwaakt "een krachtig besluit om volhardend
naar den hoogsten levensstaat te streven."
4. De klassieke beschaving als leerschool.--geestelijke vorming.--de
idee der schoonheid.
Faust heeft dan besloten tot de zedelijke daad, d. i. tot de betooning
zijns innerlijken wezens. En waarin deze ook besta--een streven
rechtstreeks naar het absolute, gelijk hem eenmaal vervulde, is niet
meer te wachten: hij getuigt dat het geestenlicht hem heeft verblind,
en roept nu uit: "den waterval, die het rotsrif doorbruist, beschouw
ik met toenemende vreugd; in duizend en meer dan duizend stroomen giet
hij zich uit al nederstortende, zijn schuim in de lucht spattend. Die
spiegelt het menschelijke streven af; overpeins hem en begrijp dat
wij het leven hebben in den kleurigen weerglans der zon." De waterval
werpt zich in de aardsche wereld, en weerkaatst in zijn stralen het
zonlicht, zonder het licht te gemoet te streven: zoo zal Faust doen;
hij zal zijn drang naar het absolute verwerkelijken in de lichtende
daden van zijn hart. Ziehier zijn weg.
Faust zoekt op dien weg te komen; maar hoe? Wij vinden hem aan het
keizerlijk hof genoodigd wegens den roem zijner geleerdheid. Het
keizerlijk aanzoek heeft hij opgevolgd in de hoop aldaar gelegenheid
te vinden tot heilzame daden. Maar het is niet in deze omgeving dat
hij slagen zal. De toestand van het Keizerrijk is verre van fraai;
uiterlijk vol glans is het rijk innerlijk krachteloos en vervallen;
de keizer zelf leeft voor het genot in de grootste verkwisting en de
schatkist is tot den bodem geleegd.