dan door eenige kluizenaars; een geest van diepe geheimzinnigheid
hangt daar; de berg is in lagere en hoogere gebieden verdeeld;
geestelijke wezens zweven af en aan, en een koor van zalige knapen
beweegt zich kringvormig om den hoogsten top; engelen van mindere
en van meerdere volmaking gaan zingend om, terwijl zwevend de Mater
gloriosa nadert op den aanroep van haar grootsten vereerder. Zalige
vrouwen onder wie eene (weleer Gretchen genoemd) aanbidden haar,
terwijl het onsterfelijk deel van Faust door Engelen wordt opwaarts
gedragen en het geheele tafereel met een mystisch koor eindigt,
waarin de eeuwigheid als voltooiing van den tijd bezongen wordt.
Dit alles heeft de beteekenis van aanwijzing van een hoogere
werkelijkheid. Deze berg is onttrokken aan de aardsche natuur en
natuurwet; de wezens, die er vertoeven, zijn in zwevende beweging
en de geheele berg is een heilige schuilplaats der liefde. Ook het
streven en de zedelijke strijd bestaan hier niet. Wat in de wereld
niet geldt, geldt hier: het is de almachtige Liefde die alles vormt
en alles koestert.
In deze sfeer wordt het wonder voltrokken der voleindiging van
het geestesleven. De voltooiing moge een logisch gevolg zijn van de
voorafwerkende krachten, zoodat het geestesleven uit zichzelf naar haar
heenwijst--toch is haar werkelijkheid een _nieuwe_ daad. Beter nog:
in de voltooiing komt aan het licht welke kracht in het geestesleven
verborgen was: de liefdekracht van God. De zedelijke houding van
Faust was een strevende zelfwerkzaamheid, en het is dit streven,
dat hem tot de volmaking voert ("wie altijd strevend werkzaam is,
dien kunnen wij verlossen" zingen de engelen)--maar nu blijkt dat dit
menschelijke streven nog een andere waarde heeft dan het streven van
een mènsch te zijn: het is de ervaarbare keerzijde der Godskracht: de
eeuwige scheppingshandeling Gods draagt het geheele leven, gelijk zij
draagt de geheele wereld en waar wìj van zedelijk streven gewagen is
't in waarheid deze groote kracht, die zich in menschen openbaart. De
groeikracht, waarmee de plant zich uit den aardbodem opheft, is niet
haar speciale eigendom, maar is de Natuur zelve in haar werkzaamheid:
zoo is het niet anders dan de Kosmische Liefde, die zich in Faust
voordeed en vermomde als zijn eigen strevende wil. Zoo lang de mensch
nog in zijn streven is bevangen en de Mefistofeles hem begeleidt,
weet hij niet anders of het is zijn eigen zedelijke natuur die
handelt.... maar dit wordt anders in de voleindiging.
Ja dit is de voleindiging dat hij zich bewust is van de Godskracht
als zijn eigen wezen. Op eens aanschouwt hij in zich niet zijn eigen
persoon, maar het groote Wezen. Dit is de Godskennis waarvan Spinoza
zegt dat zij het einde is der deugd, God schouwende met een helderheid
als waarmee wij te voren van ons eigen streven bewust waren.
Want de mensch leeft in het Wereldgeheel en de geheele wereldorde,
die is de geest van God, woont in hem. Deze is de "eeuwige Liefde
die alle dingen vormt" en in de voleindiging des levens hebben wij
niet het partikuliere zelfbewustzijn, maar het bewustzijn van God,
dat is van de eeuwige Liefde. Wij zìjn ons bewust van de Oneindige
Tegenwoordigheid. Als "de Liefde van boven aan ons deelneemt roept de
heilige schaar ons het welkom toe." De Pater Seraphicus, langs den
berg zwevend, roept op tot deze ondervinding: "Stijgt opwaarts tot
hooger gebied, groeit ongemerkt, want hier versterkt u de zuivere
tegenwoordigheid van God. Dit is het voedsel der geesten, regeerend
in het vrije hemelruim; dit is de openbaring der eeuwige Liefde,
die zich in ons tot zaligheid ontvouwt."
De beteekenis van Faust's oneindigen drang wordt nu verstaan: wat
hem drong is het Oneindige zelf: zijn strevende natuur is van den
beginne aan niets anders geweest dan de oneindige kracht Gods in haar
menschelijke keerzij: datgene waarvan de Wagners onbewust waren, werd
door de Fausten beseft; maar met een vóórbesef dat zich nu eerst tot
levend inzicht voltooit.
Nu eerst.... De mensch streeft zoolang hij leeft en zoolang hij
streeft dwaalt hij en is door Mefistofeles vergezeld. Faust wordt
voleindigd door den dood heen. De ingang in het groote Mysterie
is de voorwaarde tot de voleindiging. Faust zelf heeft nog in zijn
laatste levensstonde verzekerd, dat het "uitzicht naar boven" hem is
afgesloten en dus de _kennis_ van het oneindige, waarnaar hij tevoren
zoo vurig smachtte, niet verkregen is. Maar het onbekende is niet het
onwerkelijke, en gelijk hij eenmaal den dood heeft willen roepen om
hem in het mysterie in te wijden, zoo komt nu de dood met het mysterie
en wijdt hem in. Slechts de dood geeft die zuivering waarbij de geest
des menschen tot zichzelven komt, de uitwendigheid der wereld aan de
aandacht ontzinkt. "Reeds is hij schoon en groot van heilig leven"
zingt over Faust een schare van zalige knapen.
Het zedelijk streven van den mensch is, in zijn grond beschouwd,
niet eigen werk, maar de Godskracht in hare werkzaamheid; want naar
ons wezen zijn wij het Algemeene, en de Geest des Geheels heeft
hier zijne inwoning. Het streven opwaarts is, alzoo beschouwd, de
aantrekkingskracht die van boven werkt, en de Faust-dichter noemt deze
aantrekkingskracht: _het eeuwig-vrouwelijke_. "Het eeuwig-vrouwelijke
trekt ons opwaarts" luiden de slotwoorden van het Faust-gedicht:
"Das ewig-weibliche zieht uns hinan."
Wat is de beteekenis dezer uitspraak? Naar ons voorkomt deze: tot nu
toe kenmerkt Faust zich door de strevende werkzaamheid. Het streven is
het eeuwig-mannelijke; deze drang tot werken, deze voortschrijdende
daadkracht is de scheppende macht, gewrochten voortbrengend en van
den eenen tot den anderen arbeid voortgaand. Maar, "wie immer in
strevende werking is dien kunnen wij verlossen"; hetgeen beteekent dat
niet deze mannelijke gezindheid zelve de verlossing is: in haar wordt
Mefistofeles geleidelijk overwonnen, maar het eindpunt der overwinning
wordt niet bereikt. Doch in 't einde moet de mensch inzien, dat niet
hijzelf, dat is niet zijn individueele eigen-persoon, de voleindiging
toebereidt, maar dat hij haar verwerft krachtens de Godheid die zijne
werkende macht is. Hij, als eigenpersoon, _geeft zich over_. Hier
treedt het passieve moment in, dat de aktiviteit bekroont. Wat hem
tevoren werk toescheen schijnt hem nu rust.
Daarom is de Godheid in dit opzicht dat zij het geestesleven
voleindigt, voor hem niet de werkzame Man, maar degene in wien het werk
ten einde is en bij wien de mannenkracht uitrust: zijn tegendeel: het
eeuwig-Vrouwelijke. Man en Vrouw, Mannelijkheid en Vrouwelijkheid zijn
symbolische namen en symbolische begrippen om de goddelijke werking
aan te duiden. In dit opzicht van ten einde zijn des werks en van
overgave onzer persoonlijkheid aan den Voleinder is het goddelijke
vrouwelijk gedacht. Hier is een _innigheid_ die tusschen man en man
niet bestaat. Wat de Middeleeuwen in de Maria-dienst, wat de Griek
in de Aarde-moeder nabij was, deze aflegging van den menschelijken
eigen-wil en van het eigen-bewustzijn, vindt Faust in zijn opstijging,
aangetrokken door het eeuwig-Vrouwelijke der goddelijke Liefde. Hier
is niet bedoeld een onderdompeling in het onbewuste onzer zinnelijke
natuur, gelijk men heeft verklaard, maar een opstijging boven het
bepaalde bewustzijn van ons verstandelijk daglicht.
Het menschenleven voleindigt zich door inkeer tot zijn grond; het
eindigt bij zijn aanvang. Het Faust-gedicht begint in den hemel
d. i. in de sfeer van God en vindt er zijn einde. In het einde is de
eeuwige Dag aangelicht.
De eerste Dag van Faust was het vale, voorbijgezwoegde tijdperk zijner
vergeefsche inspanning, eindigend in de klacht. Daarna de avond
met mysterieuse diepten en zinnelijkheid en eindelijk de voornacht
bespookt door wroeging en verwijt. Deze eerste Dag is het eerste
Deel des gedichts. De na-nacht brengt kalmte en geeft den strever
geestes-rust. Nu verschijnt de nieuwe Morgen van arbeid, de morgen van
het groote streven en deze morgen geeft zich over aan den Eeuwigen Dag.
In dien Nieuwen Dag der goddelijke Tegenwoordigheid is de Drang naar
het Absolute bevredigd. [1]
INHOUD
WOORD VOORAF
I DE KLACHT VAN FAUST:
1. De famulus Wagner, de begrensde mensch
2. Wetenschap is herleiding tot het
Onbegrepene
3. Faust zoekt ontkoming bij de magische
fantasie
4. Faust's klacht herhaald (verschijning van
den Aardegeest)
II Faust en Mefistofeles:
1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in
den Hemel)
2. De verstorende macht. Het noodwendige
Tegendeel in wereld en leven. Mefistofeles
3. Mefistofeles: ontkenning en ironie
4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles
III FAUST IN DE WILDERNIS:
1. Zelfverlies in den zinnenlust
2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in
Mefisto's leiding)
IV DE WEG VAN FAUST:
1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen
morgen
2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven
en zelfbevrijding.)
3. Het besluit tot daden
4. De klassieke beschaving als leerschool;
geestelijke vorming; de idee der schoonheid
5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie
en maat
6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en
ontoereikendheid der zedelijke daad. Het
einde van Faust's streven
V FAUST'S VOLEINDIGING:
1. Overschrijding onzer begrensdheid in
de religie; de goddelijke Liefdemacht; de
overgave
AANTEEKENING
[1] Verg. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dante's mystische reis (Amsterdam,
1914), Hoofdstuk XIII, Het kristallijnen bewustzijn en Idee-studies
(Amsterdam 2de druk 1913): De geestelijke ontroering; en: door de
Rede tot de Aanschouwing.