zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het
op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning,
ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich
Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd
heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare
wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische
leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap;
het christelijke ascetisme, dat alle zingenot verwerpt; de mystische
versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen
der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering
van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid
der ervaarbare wereld bevrijdt--zij alle zijn de poging van den
oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn
een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles
aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De
hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij,
bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk,
eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone
levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen
heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang
zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de
wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in
botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke
te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.
Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met
verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie,
dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles
uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche
terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam,
dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit
alle wereldelementen het leven ontspringt: "had ik mij niet de
vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven." Dat
echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen
macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan
Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche
werk van zijn tegenstander: "Zoo heft gij tegen de eeuwig werkzame
heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig
balt, doch vergeefs".
4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.
Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij
zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute
kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn
oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische
verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een
weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen
zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken
zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich
van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den
proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang
toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij
den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is, verwijlen. Nooit zal
hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou
hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat
ontstaat is waard om te gronde te gaan.
Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit
Mefisto's oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de
ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het
betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van
zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk,
daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien
maar Faust's geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het
geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten
ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigen drang
te binden. "Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk,
dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij
zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en
zet uw voet op hakken van meters hoog."
Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van
vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan
geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt
in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling
de weddenschap met Mefisto aan: "wanneer ik ooit bevredigd mij op
het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij
mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat
ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik
tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij
dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga
ik aan met u!"
De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke
natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch
als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der
zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de
weddenschap met Mefistofeles aan.
III FAUST IN DE WILDERNIS
1. Zelfverlies in den zinnenlust
Faust heeft door zijn klacht om het hoogere weten het geloof betoond
aan zijn oneindige wezenheid. En toen zelfs de magie hem niet tot
het inzicht der waarheid leidde, heeft hij waarheid gezocht bij
den dood. Faust wil sterven opdat de dood hem wijs make: hij wil
dat duister ingaan, dat bij het binnendringen misschien zich als het
geopenbaarde geheim onthullen zal. Door den dood heen grijpen naar het
absolute. Vandaar dat hij plotseling in jubel uitbreekt: de aardgeest
heeft hem verbijsterd, maar desniettegenstaande heeft hij zelf den
weg der waarheid gevonden. En waarlijk niet in wanhoop, maar in den
triomf begroet hij den giftbeker: "ik groet u gij kristallen schaal,
die ik nu met eerbied aanvat; in u vereer ik menschelijk vernuft en
kunst. Gij samenvatting der zoete sluimersappen, uittreksel aller
doodelijke krachten, bewijs thans uw gunst aan den meester! Ik zie
u, de smart verzacht; ik vat u aan: ik voel mijn jacht verminderen;
de vloed des geestes gaat over in eb en wijst mij naar de volle zee
henen; het spiegelende water glanst aan mijne voeten en tot nieuwe
oevers lokt een nieuwe dag.... bereid gevoel ik mij op nieuwe baan
het luchtruim te doordringen naar sferen van nieuwe werkzaamheid. O
hooge leven, o godenweelde! Te voren nog een worm en nu reeds verdien
ik deze. Keer vastbesloten den rug toe aan de aardsche zon; vermeet
u slechts de poort te openen langs welke ieder mensch het liefst
voorbijsluipt! Hier is het oogenblik gekomen om door daden te bewijzen,
dat mannenwaarde niet voor godenhoogte terugwijkt!"
Nochtans bezwijkt dit doodsenthousiasme voor den zang des levens, die
stroomend van de Paaschklokken in Faust's studeercel binnendringt. De
weg door den dood tot het mysterie is op eens versperd. Een andere
weg moet zich openen. Deze ligt van de studeercel in de _menschelijke
samenleving_. De oneindige drang, welke Faust's natuur is, zal hier
niet ondergaan, slechts anders gericht worden. In het leven waar hij
nu ingaat, geldt zijn weddenschap met Mefistofeles.
In de menschenwereld, waarin Faust door Mefisto geleid wordt, had
zijn oneindigheidsdrang zich kunnen voordoen als een Napoleontische
heerschzucht of als de zucht naar apotheose, zooals der Romeinsche
Caesaren; zelfs had hij naar het wonderbaarlijke kunnen streven
gelijk Apollonius en Cagliostro. Immers op deze wijze kon Mefisto
gepoogd hebben aan zijn hevige verlangen te gemoet te komen. Maar
de oneindigheidsdrang onder Mefisto's leiding openbaart zich in een
_onstuimige zinnelijkheid_: "de draad van het denken is doorgebroken;
van alle wetenschap walg ik: laat ons in de diepte der zinlijkheid
gloeiende hartstochten stillen! Storten wij ons in den roes des
tijds en in de wenteling der gebeurtenissen!" Meen echter niet dat
Faust in deze razernij een voldoening zoekt en zich aan Mefistofeles
zal gevangen geven. Veeleer zal hij als een stormwind alle geluk en
geluksvoorwerp uiteen blazen en eerste stort hij zich in het niets
dan zich te vleien met begoocheling. Vandaar ook zijn schrikwekkend
woord: "ik vervloek alles wat de ziel omspant met lokwerk van
begoocheling! vervloekt zij de hooge illusie van den menschelijken
geest, vervloekt de verblindende schijn; vervloekt de bedriegelijke
droom van roem en bezit, van vrouw en kind en knecht en heer; vervloekt
het balsemsap der druiven en vervloekt de zaligheid der min; vloek
over de hoop en over het geloof en vloek voor alles over het geduld!"
De zinnenbegeerte van Faust is geheel anders dan Mefistofeles
bedoelt. Zij stamt uit den oneindigen drang naar zielsverzadiging
en kenmerkt zich door voorbijstreving van haar doel. Zij wil niet
genieten, maar zich verliezen. Tevoren was Faust's leven ontbering;
nu wil hij niet-ontberen en zijn geweldig streven tot het uiterste der
gevoels-spanning voortzetten en in zielsverrukking sterven. "Zalig wien
de dood in den glans der overwinning de bloedige lauwers om de slapen
windt; zalig wien hij na de razernij van den dans in de armen van een
meisje aantreft." Of anders verkiest hij een snerpende ontgoocheling,
die met zijn geestesaard beter overeenstemt dan de voldoening welke
Mefisto belooft: "Hebt gij spijs die niet verzadigt, rood goud dat
als kwikzilver mij in de hand ontloopt; een spel waarbij men nimmer
wint; een meisje dat aan mijn borst gelegen, zich reeds met het wenken
der oogen aan mijn nabuur verbindt; de godenlust der eer die als een
meteoor verdwijnt--geef ze mij! Toon mij de vrucht die verrot eer men
haar plukt!" Faust wijdt zich aan de dronkenheid en het genot dat met
smarten zegent, aan den haat der liefde, aan het verdriet, dat de ziel
verkwikt. Voor geen smart gesloten, wil hij genieten wat toebedeeld is
aan de gansche menschheid, haar vreugd èn jammer; zijn eigen zelf tot
het zelf der menschheid verbreeden, en met haar wil hij ten onder gaan.
Ziehier de zinnenbegeerte van dezen titanischen mensch. Het is geen
genot dat hij zoekt. "Gij hoort toch: om vreugd is het mij niet te
doen." Het is zelf-verlies; gelijk hij door een teug uit den giftbeker
zichzelven gewelddadig wou inslingeren in het mysterie des doods,
zoo werpt hij zich thans in de zinnelijkheid met de onstuimigheid van
zijn rusteloos gemoed. Hoe zou het mogelijk zijn dat Mefistofeles
dezen stormenman in zijne bedwelming ving! Onder de leiding echter
van zijn verstorende macht is het voor Faust niet anders mogelijk
dan te vertoeven in een wildernis.
Het omslaan uit den weetdrang naar den zinnenlust heeft vele lezers
van Goethe's gedicht verwonderd; het kwam hun voor dat de Faust van
den eersten monoloog, de uitspreker van de klacht, èn de Faust, die
Gretchen verleidt niet meer gemeen hebben dan den naam, en dat wij in
waarheid een geheel ander karakter voor oogen hebben hier en daar. Bij
deze beoordeeling vergeet men echter dat de Faust geen psychologisch
persoonsdrama is, gelijk in de school der Fransche klassieke gegeven
werd; maar een symbolisch gedicht. Racine had zeker van den Faust niets
begrepen en hem uit een oogpunt van dramatische kompositie dubbel
en dwars afgekeurd. De eenheid van gedrag des hoofdpersoons is ver
te zoeken. Faust is geen bepaalde persoon; maar hij is de _mensch_
en de mensch in verscheidene fasen van het oneindigheidsbewustzijn;
de tafereelen van het dichtstuk hangen niet samen als voorvallen uit
het leven eener bepaalde menschenfiguur. Het geestelijk leven kan
zich verjeugdigen. Het kan zijn dat een grijsaard voller idealist is
dan een jonkman, die zijn levenslust verloor; men kan eerst oud zijn
naar den geest en daarna jong. Zoo verschijnt Faust in het begin als
bejaard man en in de Gretchen-episode als een jeugdig kavalier. Hier
zijn geestelijke fasen in beeld gebracht. De verjongingsdrank, dien de
dichter aan zijn held in de heksenkeuken te genieten geeft, is niet
anders dan de aanwijzing van overgang tot nieuwe geestesfase. Moge
hierdoor het Faust-drama een onwaarschijnlijkheid hebben en verwarring
stichten voor een uitwendigen verstaander, de inwendige toedracht is
zoo geheel waar en de inwendige eenheid des poeëems zoo onbestrijdbaar,
dat de verbazing over verschillende gestalten van Faust allen grond
verliest.
2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in Mefisto's leiding)
De wildernis waarin Mefistofeles Faust vergezelt heeft verschillende
gebieden; Faust vertoeft tusschen de drinkende boeren in
Auerbachs wijnkelder, bezoekt de heksenkeuken, verwijlt in de
zoete vreugde van Gretchens liefde en komt te gast met de heksen
in Walpurgisnacht. Alleenlijk het verkeer met Gretchen oefent een
schoone verleiding uit en daarin schijnt het soms als zal Faust de
weddenschap verliezen door tot het oogenblik te zeggen: houd stand,
want gij zijt schoon genoeg. Voor Gretchen misschien zal hij den
oneindigheidsdrang verloochenen. Is zij niet het toonbeeld der lieve
onschuld van het aardsche geluk? In haar is de wereld op haar schoonst,
gelijk in den bloei der vruchtboomen op een zonnigen Meimorgen. Zoo er
onbetwist geluk is en zijn mag, en zoo wij met de wereld en het leven
ons verzoenen, en de vraag naar het oneindige met reden tot zwijgen
gebracht wordt--het is bij de aanschouwing eener zoo landelijke en
vredige lieflijkheid, als wij in hare verschijning belichaamd zien.
Maar ach, nu Faust's oneindigheidsdrang in Mefistofeles' leiding tot
een verstorend geweld werd en nu zijn begeerte zoo hevig brandt als
te voren zijn drang naar kennis, nu kan het niet anders of het geheele
geluk van Faust en van Gretchen moet als tot een wildernis vergaan.
Het meisje, wier leven door den storm van Faust's hartstocht
verwoest wordt, staat niet als een vreemdeling buiten Faust, maar
houdt verband met de aardsch-nederige en tevredene zijde van Faust's
eigen karakter. Het levensproces eens menschen is een proces in de
ziel en de dichter stelt het in beelden voor en laat het dus buiten
den mensch voorvallen. Maar in deze beelden ligt de aanduiding van de
worstelingen des karakters. Faust's karakter heeft de lieflijke, humane
zijde evenzeer als de titanische, maar zij is geen hoofdeigenschap
en zal dus door den oneindigen drang worden aangestormd. De behoefte
aan levensgeluk is hem gelijk allen menschen eigen. Hoe vrij heeft
hij geademd in de voorjaarsnatuur van den Paaschmorgen, terwijl de
vroolijke menigte de wegen vult. Te midden van deze heeft hij zich
mensch gevoeld en zijn recht op het leven erkend. In de liefde voor
Gretchen eindelijk werden de teerste snaren van het menschelijk
gemoed aangeslagen. Het konflikt tusschen den oneindigen drang en
den aardschen vrede, is een konflikt, waarmede wel de bestaande orde
der maatschappij wordt aangetast, maar dat ten slotte in de ziel
van dien titanischen mensch zelf wordt uitgestreden. De woede der
titanische zinnelijkheid komt aldus Faust, in het beeld van Gretchen,
op een ondergang van alle aardsche vreugd te staan; hij verstoort
zijn aardsche bestaan door den drang der oneindigheid en eindigt
hier met nog heviger klacht, dan welke hij ophief na de verschijning
van den aardgeest; een klacht welke ditmaal een aanklacht is tegen
de macht der verstoring: "Hond, afschuwelijk ondier, word o slang
veranderd in de hondgestalte waarin gij mij verscheent; verander in
uw lievelingsbeeld en kruip op den buik in het stof, en ik trap u met
den voet, verworpeling. Ellende, door geen menschenziel te vatten,
dat meer dan éen ziel in de diepte van zulken jammer verzinken
moest...." "O ware ik nimmer geboren."
Het einde van dezen weg in de wildernis van het leven bereikt
Faust in zijn wilden dans met de heksen op den Blocksberg in
Walpurgisnacht. Alleenlijk deze fantastische spookwereld blijft
nog over, nu Faust in Gretchens omgang het verlangde oogenblik der
voldaanheid niet heeft beleefd. Mefisto zal hier hem tot het laagste
punt des levens heenvoeren. Mogelijk dat het walgelijke aan zijn
titanischen drang voldoet, nu hij het bekoorlijke verwierp. Aan den
heksendans is tenminste een diabolisch genot te beleven, en daar
niets anders overblijft zal misschien Faust zich hier gewonnen
geven. Bereidwillig laat hij zich meevoeren. Door een dwaallicht
geleid, schrijden Faust en Mefisto de tooversfeer binnen, de rotsen
hebben menschen-neuzen, spookvogel, kievit en ekster zijn wakker
gebleven en de hagedissen kruipen met de muizen door het struikenbosch,
terwijl boomwortels uit den bodem steken en glimwormen een verwarrend
geleide geven. Onderwijl draait het geheele landschap en is het alsof
rots en boomen gezichten trekken; vuurgloed en lichtstrepen maken
de wereld geheimzinnig; vonken storten zich uit als fonteinstralen
en de geheele rotswand is verlicht. Onderwijl steekt de storm op en
schudden de denneboomen, wier takken afbreken al krakend; gegier,
gesis en geraas doorblaast de lucht en langs den geheelen berg stroomt
woedend een tooverzang. Een menigte van heksen nadert door de lucht
varende, zoodat Mefisto voor Faust ruimte moet maken opdat hij niet
worde omvergeworpen. Zij wijken ter zijde en terwijl bij uitgegloeide
kolen een klein gezelschap van oude heeren zitten, vinden zij weldra
twee heksen, een oude en een jonge; en terwijl Mefisto de oude grijpt
voor den dans dwingt hij Faust om met de jonge om te springen.
Dit oogenblik is het dieptepunt der leidingen van Mefistofeles. Hij
meene echter niet, dat de Faustische geest hier iets anders zal
beseffen dan afkeer. Reeds zoovele malen is Mefisto's onmacht gebleken
om Faust te verderven. Elke periode zijner werking eindigt met een
zelfbevrijding. In den wijnkelder van Auerbach, heeft Faust het gansche
schouwspel met onverschilligheid bijgewoond, en wanneer ten slotte
de lustige drinkers uitroepen "wij voelen ons heelemaal kanibalisch
lekker gelijk aan vijfhonderd varkens" heeft hij nog slechts éen
wensch te uiten: ik verlang nu heen te gaan. In de heksenkeuken wordt
Faust geboeid door het in den spiegel aanschouwde beeld van Helena:
een nieuw verlangen wordt in hem levend, maar voor het overige vindt
hij in al het gedoe dezer onsympathieke wezens niets dan smakeloos
bedrog. Daarop volgt de Gretchen-episode. Ongekende gevoelens van
teedere bekoring stillen de machtige levensdorst van Faust; en
misschien zou hij hier het gevaarlijk oogenblik bereiken, zoo niet
een geheimzinnige aantrekkingskracht hem uit de oase naar de woestijn
terugtrok. Deze vreugde moet eindigen in wanhoop; ook terwijl Gretchen
zijn gemoed en zinnen bevredigt, verkeert Faust in de wildernis, die
weldra zich in groot onheil openbaren zal. De scala der aandoeningen
van Gretchens gemoed teekent deze afzinking naar het jammer, waarin
Faust aan Mefisto ontkomt; terwijl de genotsbevrediging hem aan Mefisto
zou hebben overgeleverd. Bezorgdheid is de grondtoon van haar liefde,
sedert haar ontboezeming "mijn rust is henen, mijn hart is bezwaard"
en het klagende lied voor het beeld der Mater Dolorosa is zóo van
leed vervuld, dat wij hier het ergste voorzien: "help en red mij
van smaad en dood! ach buig gij smartenrijke genadig uw aangezicht
tot mijn ellende neer!" Het leed van Gretchen zal het leed van Faust
blijken; het is niet anders dan de afspiegeling van zijn titanische
natuur, die alle aardsche verhoudingen verbreekt en wiens geluk
vanzelf in ongeluk omslaat. Wanneer dan Gretchens broeder Valentin
in een tweegevecht met Faust is omgekomen, nadat ook haar moeder,
niet zonder schuld der gelieven, gestorven is en bij den lijkdienst
in de domkerk het dreunend orgel den donkeren choorzang begeleidt,
den zang van het goddelijk oordeel--dan is niets meer te wachten van
levenslust of liefdevreugd en aan Mefistofeles zal zeker de macht over
Faust ontgaan: in déze wildernis des gemoeds weet geen Mefisto den weg.
Maar nu de Walpurgisnacht op den Blocksberg: terwijl Faust zijn
tijdelijke laagten doorwaadt in vergetelheid van Gretchens liefde
en haar ongeluk, wordt hij plotseling door de gedachte aan haar
opgeschrikt. Weelde en wanhoop doorkruisen zijn gemoed en terwijl
hij van de bepeinzing niet scheiden kan doorflikkert de gedachte aan
dood en straf zijn overdenking. "Een in lange niet gevoelde afschuw,
de gansche ellende der menschheid grijpt mij aan. Hier toeft zij
achter vochtige muren", roept hij uit, staande voor de gevangenis,
waarin zij om den in waanzin gepleegden moord op haar kind geworpen is;
"haar misdaad was het verkeeren in zoeten waan. Gij aarzelt tot haar
te gaan? Gij vreest haar weder te zien! Voort! uw talmen brengt haar
dood naderbij!"
Zoo verscheurt Faust het net dat Mefisto over hem heenwerpt. Het
woord uit den proloog in den hemel wordt bewaarheid: de goede mensch
blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. Bij
alle omdwaling in de wildernis blijft Faust de ware richting des
levens beseffen en zijn verheven menschelijkheid gaat niet ten onder.
IV DE WEG VAN FAUST
1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen
Zoo Goethe aan zijn Faust-drama den ondertitel "een tragedie"
heeft toegevoegd, is deze benaming toch niet in eigenlijken zin
aangewend. De onmogelijkheid om dit gedicht bij een der bestaande
dichtsoorten in te deelen, verontschuldigt de halftoepasselijke
aanwijzing. In een tragedie traden van oudsher figuren op van
grootscher bouw dan die van het dagelijksch leven; de beweegkrachten
en ondervindingen waren eer heroisch dan gewoon en het levenslot dier
"helden" was het lot der enkelen die naar het uiterste streefden. In
zoover kan Faust een tragische figuur heeten. Maar in de tragedie is
de held tot den ondergang geroepen: zijn grootsche aanleg, grootsch
in deugd of ondeugd, bestemt hem tot een lijden, dat zich niet meer
te zijnen gunste wenden laat. Van den beginne af hangt over zijn
leven het noodlot. In dit opzicht waarin juist het tragische der
tragedie bestaat, kon het Faust-drama niet bij deze dichtsoort worden
gerekend; wat niet voor den tragischen lijder, maar wel voor Faust
bestaat is: de weg der ontkoming aan de wildernis. Evenmin als om de
helsche ondervindingen van Dante de Divina Commedia een tragedie is,
evenmin is Faust zulks om het eerste deel des gedichts; en het tweede
deel, dat "den weg van Faust" bezingt, is niet maar een toevoegsel,
waarin de oorspronkelijke opzet van het poeem verloochend wordt,
maar een van den aanvang af bedoelde voortzetting en de uitwerking
der grondgedachte waarmee het gedicht opent: een goed mensch blijft in
het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. De kontinuïteit
der beide gedeelten is onmiskenbaar.
Toch is het verschil tusschen den tweeden Faust en den eerste op vele
manieren groot: een andere toon wordt vernomen, een andere omgeving
geschapen, andere figuren treden op. Een veel meer bedachte kompositie,
een verstandelijker konstruktie kenmerkt het tweede gedeelte tegenover
het eerste. Terwijl de eerste Faust den indruk maakt van een gedicht
uit des levens bloeitijd, schijnt de tweede een gedicht van den
ouderdom. Is het ook niet begrijpelijk, dat ouder wijsheid den _weg_
vindt, terwijl de jeugd avontuurt in de _wildernis_? Faust II heeft
kunstmatigheid waar het eerste gedicht vrijheid heeft.