Handboekjes Elck 't Beste
Onder leiding van L. Simons
Uitgegeven door de
Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
Amsterdam
Goethe's Faust
Studie door
Dr. J. D. Bierens de Haan
Gedrukt ter drukkerij "De Degel", Amsterdam.
WOORD VOORAF
Goethe heeft in de twee gedeelten van den Faust aan zijn lezers het
beeld voor oogen gesteld van den mensch en zijn hoogste streven. Niet
een historisch bepaalden persoon, gelijk in menig drama, noch een
zielkundig merkwaardig wezen, als genie of "Uebermensch" heeft
hij geschilderd; maar den mensch, die wij allen zijn. Al het
fantastisch eigenaardige van het Faust-gedicht is dichterlijke
verbeeldingswijze. Het zal ons, die over de Faust-figuur gaan
filosofeeren te doen zijn, om het menschelijke in dezen mensch,
en om niets anders.
B. de H.
_Aerdenhout_, Oktober 1914.
I DE KLACHT VAN FAUST
1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.
Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn
klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld,
dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En
door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen,
verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden
door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de
wijsheid voorafgaat.
Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat
zij inhoudt--zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust's omgeving en
met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij
zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij:
hij is "de" mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet
begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een
schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot
Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van
Faust's klacht duidelijk maken.
"Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles" (Zwar weiss ich viel,
doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus
Wagner uit Faust's studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste
karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in
den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele
ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo'n schepsel, zijn
beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de
volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht
in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer
harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen
heeft gekarakteriseerd.
Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die
nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun
medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne
zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om
alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben
uitgevonden en de vergelijkende examens.
Wagner is de _begrensde_ mensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn
begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met
halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem
verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid
toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en
zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun
vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een
begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?
Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en
beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt
hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het
opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard
is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid
daarbij blijven kan en dat de ware, ruime en diepe geest niet anders
kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht
van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het
vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.
Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering
is tot het Onbegrepene. Ja: de diepere _waarheid_ der kennis ligt
hierin--een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze
aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene
niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets
van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke
kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij
kloppen begeerig aan de deur van Faust's denkvertrek "om met hem te
treden in geleerde overweging," maar niet om wijsheid. De vrees, die
hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees
of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim,
te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven
niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen:
"de kunst is lang en kort het leven" "eer de halve weg is afgelegd moet
een arme drommel misschien sterven." De _kwantiteit_ van het weetbare
verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis
hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen:
de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen
die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk
verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk
het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons
inbeelden, dat het verstand zelf _voert tot het onbegrepene_; dat aldus
het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij 't inspanden,
maar bij de ontkenning des doels--dàt te verstaan is verre buiten het
vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin
der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:
Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand
gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij
hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend
en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven
aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij
hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche
woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen
verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze
blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin
het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk
kan voortzetten: zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!
Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou
men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust,
de bittere en doodelijke klacht: "Ik zie dat wij niets kunnen weten"
(ich sehe dass wir nichts wissen können)?
"Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en
ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu,
een arme dwaas en ben zoo wijs als bij 't begin. Ik heet Magister,
Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef
en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten
kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen."
Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de
studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.
Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid,
streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld
en leven _raadsel_ zijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van
Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf:
"het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen,
toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver
ten laatste wij gekomen zijn."
2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.
De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het
te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van
duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek
gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der
menschelijke ontwikkeling.
De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het
Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn
vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven,
waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat
hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt
duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was
hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte
in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis
deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende:
het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den
horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont,
tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie
de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien
zij? Monsters die het bestaan bedreigen.
Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur
en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.
Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis
uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil
zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor
de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des
verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den
kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige
volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van
beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij
verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den
eisch onzer eigen bewustheid. Maar _begrijpen_ wij nu? Het voorbarig
"ja" als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.
Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het
algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der
aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene
wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door
het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en
niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het
Algemeene begrijpen--en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden,
om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het
verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen,
gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het
Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.
Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze
taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen
onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt
ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch
te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes tot raadsels;
de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere
raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der
aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin,
die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk
den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld
voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar
geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar
het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is
een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk
roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora);
onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren
(mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de
gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat
oog? Zoo gij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit
wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat de _zin_ der
schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de
tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of
zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene
te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen
laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld
zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende;
maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.
Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een
tweeledigen arbeid: _vooreerst_ de klassifikatie (schematisatie)
der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een
slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk,
dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend
zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen
wereld in verscheidene rangen: de anorganische wereld; de organische
(plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der
redelijke wezens. De _tweede_ taak van het verstand is: het leven
der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil
der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische
wereld is dit leven tweeërlei: chemische verbinding en ontbinding
der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit
leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld:
bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.
En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal
voordoen, herleid hebben tot de _enkelvoudige algemeene gevallen_
(wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand
even voldaan zijn als de famulus Wagner.
Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der
aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van
den wil: dat is juist het onbegrepene.
In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor
oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige
werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde
algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van
honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding
hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde
natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in
een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd
als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te
plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we
gaan peinzen over dat Algemeene! Over den groei zelf; over ontstaan en
bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald
geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie
noch verwijzing naar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene,
dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet
met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar
de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der)
aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkings_kracht_. Kracht
beteekent mysterie.
Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie
maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een
plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen
fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje
bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel
en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met
andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,--den groei;
de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij
nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst;
het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of
een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aan _gewoon_;
maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene
is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.
In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de
vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de
aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm,
d. i. tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd,
heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat
zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.
Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van
Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en
teleurgesteld uitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen
ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner
verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het
de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke
Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is
het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.
Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel
gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan
zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht
uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij "dat wij
niets kunnen weten."
De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht het _wijsheid_. Zijn
karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het
negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving
zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het
leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de
wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In
den mond der kleinere geesten is Faust's klacht de uitspraak van het
zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten
een eindpunt heeft bereikt. "Que sais-je" vraagt Montaigne en wordt
door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch
en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.
Ook de groote zoekers van ons geslacht, Socrates zoowel als Paulus,
hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich
verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling
zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus
is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog
niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt: ik,
daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is
wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig
waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die,
gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.
Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn
twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat,
is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn
studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze
man aan zijn klacht ontkomen?
Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een
moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten
in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet:
veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd,
terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten
bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de
vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen,
maar te boven komen.
De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf
samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van
binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door
de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het
richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld,
natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan
zal nu de aandacht, van deze "buiten"-wereld afgeleid, zich tot den
denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid
vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld
blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In
eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastlooze
onzekerheid versplinterd is: "gij hebt haar verwoest de schoone wereld,
in eigen boezem bouw haar op". Zoo komt de geest zijn twijfel te boven
en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens,
komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet
in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen
moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een
"bekeering" maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.
3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.
Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid
te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne
daad--juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want
daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot
uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien
bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen
aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te
stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk
heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan 't verstand
niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.
De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie
tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de
natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand
de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene
natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een
algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de
mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts
met haar tooverstaf de zaden aanroert en het leven eruit opwekt,
zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en
uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót
de fantasie terugkeerde? Of neen niet terugkeerde, maar vóórtging:
een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond,
waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen
zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der
fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de
energie van geesten?....
Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.
Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het
overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als
tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt
blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze
einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen
eigen geest wordt vermoed.
Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht "Die Götter Griechenlands"
met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen:
"Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der
natuur! Ach slechts in het feeënland der dichtkunst is uw fabelachtig
spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan
mijn blik vertoont zich geen godheid meer" ....wanneer zich nu wèl
in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke
machten waren, die mijn voetspoor omringden....
Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de
mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch
de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein
doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: de _magische_,
zooveel zinvoller dan haar zuster. De mythologische fantasie zingt,
maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de
magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij
is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus
als de dood.
Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit
ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat
alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg
dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een
geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg
deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw
studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten,
retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften
bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de
smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster
steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.
Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het
geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling,
toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit
tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook
de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam
als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en
van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en
wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch
vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance, toen het
kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije
wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel
tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van
geestelijke machten welke men kan leeren kennen en op welke men kan
invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar
er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa
von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder
der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En
terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: "over de onzekerheid
en ijdelheid der wetenschappen" heet het andere "okkulte filosofie";
de weg dóór het verstand tot de klacht "ik zie dat ik niets weet"
en vàn de klacht tot de fantasie.
Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer
tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het
feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen
geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen
aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden,
achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens
de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons
streven verwant!
"Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor
u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt";
"de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood
uw hart. Rijs op leerling! En baad onbezwaard uw aardsche borst in
het geestes-morgenrood." Bij de aanschouwing der magische teekens,
waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de
aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen,
een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust's
zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft
neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht
van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!
4. Faust's klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).
Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër
niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der
werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van
het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der
magie gelden: "De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags
zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw
geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met
schroeven". Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.
De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept "o welke weelde welt
in dezen aanblik" is begrijpelijk. "Welke weelde vloeit door al mijn
zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en
aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn
innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en
met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben
ik een God? ik gevoel mij zoo licht!" De geestesverrukking van
Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de
neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt
en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle
zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds
door het nieuwe licht omstraald--zoolang de opwekking duurt. Weldra
zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het
spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal
ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en
dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De
droomen der magie voeren eerst recht het Onbegrepene tot vlak nabij
en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.
Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met
den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der
dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap,
al bestaat ze ook, dieper ligt dan ons _bewustzijn_. Maar zou
er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap
met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten
juist met ons _bewuste_ zieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur
verwantschap aanwees met de _onbewuste_ gronden van ons menschelijk
wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met
onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte:
afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan
een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij
die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal
wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar
zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou
de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt
waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de
magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur,
een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer
krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan
de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de
eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maar _deze_ zelfkenner
is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling
staat Faust voor het Onbegrepene.
"Hoe voel ik mij u nabij" durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het
leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking
samenvat. "Uw gelijke ben ik!"--maar deze moed is overmoed, of het
is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of
alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend "gij gelijkt
den geest _dien gij begrijpt_, niet mij".... en de geest verdwijnt.
Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt
bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede
klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen
melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking:
"Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk
niet eens op u!"
In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de
geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem
verlaat.... "o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling
te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat
men weet is overbodig."--Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner,
die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De
onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de
Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.
II FAUST EN MEFISTOFELES
1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).
De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder
is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is de _oneindige
drang_. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen
zijner menschelijkheid.
Hiermede is Faust niet "Uebermensch" maar _mensch_. Hij is, zoo ge
wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort,
die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een
eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de
mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van
het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen
en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van
den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich
bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap
naar het allerhoogste.
In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust,
noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan
hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze
geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal
boeit slechts kinderen; de geschiedenis van iemands worstelingen zonder
meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een
eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd
heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen
levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen
ook onzer menschlijkheid.
Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar de _gronden_
onzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen
door aan het optreden van zijn figuur een "proloog in den hemel"
te doen voorafgaan.
Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen
omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de
werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der
planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen
sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods
zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt
in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid
als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht;
de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede
in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van
ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt
vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het
zachte wandelen van den dag.
Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische
werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn
ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die
zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van
het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik
maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken
de schoonste ster van den hemel vordert en de hoogste lust van de
aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders
dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op
zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande
hoogere natuur.
Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij
overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt;
hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles' weg: eindelijk zal de
verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch
blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.
En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des
menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik
hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet
in gestadige werking.
In dezen "proloog in den hemel" wordt dus Faust genoemd in
een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het
kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen
gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit
wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen
den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is
hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong
en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een
vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door
God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem
vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een
kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het
oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hij
_mensch_. In iederen mensch is het _bovenpersoonlijke_, algemeene
en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd, zooals de
val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt,
en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.
2. De verstorende macht.
Faust dan is vergezeld door _Mefistofeles_. Reeds in den proloog is
deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij
zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij
met zijn geleider pleegt.
De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip
in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de
gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.
Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af:
de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust,
die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een
vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen
en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles
in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij
menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte
bijsmaak was.
Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want
deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter
heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten,
niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig
wezen, maar een faktor van Faust's menschelijkheid zelf, een element
_in_ den menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.
In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het
menschelijk _wezen_ zelf is in zijn hoogere Algemeenheid) eene
belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang
bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die
zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wij _zijn_. De
majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar
wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de
bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt,
die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.
Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijn _tegendeel_
te stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de
mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet
de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en
onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand
komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het
licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling
des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar
nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd
in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht,
roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element
te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich
verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te
triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto,
dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het
goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve
is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt
uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot
het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde
plaats. Faust's titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich
af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw
met ons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van
Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust's wezen.
Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is
Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid,
stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel
omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den
waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid
met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke
voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.
De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens,
dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten
geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende
koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet,
mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de
stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules
zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van
het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten,
onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie--de eeuwigheidsmensch
heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil
worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder
dan het volstrekte zou voor hem een _ontkenning_ van de waarheid
zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische
leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde
gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke
voldaanheid, maar streven.
De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze
oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs
de famulus Wagner zuchtte eens: ach God, de kunst is lang en kort
is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor
verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of
mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij
toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens
weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een
laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het
leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij
de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt
kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het
ware een onderwerping aan Mefistofeles.
Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van
onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een
verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en
het doel, waarheen hij streeft is _verstoring_. Hij wil verderven,
te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.
"Ik ben de geest die steeds ontkent" roept hij tot Faust. Wel is waar
is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan
ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst
van een erkenning (nl. de erkenning van het tegenovergestelde)--maar
dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid
bedoeld is, maar als een deel van Faust's persoonlijkheid. Van
zijn standpunt uit "is alles wat bestaat waard om te gronde te
gaan". Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven,
en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen
menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het
beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het
levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet
om het kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.
Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester
verwachten zou, redeneert hij tot Faust: "Ik ben een deel des deels,
dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het
licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht
den ouden rang en plaats misgunt." Ja, Mefistofeles is het tegendeel
der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht
als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt,
het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des
lichts zal zijn vergaan.
3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.
Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles
een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn
tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en
aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot
hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van
elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met
haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.
Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles
voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld
tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn,
en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is
ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze
laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren,
al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons
kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de
halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keert zich tegen hem en
al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.
Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te
meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk
achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de
Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De
menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de
eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld
tegen ons hooger ik.
Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere
wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle
verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het
oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons
vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar
hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te
verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die
het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte,
godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk
te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de
gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.