"Niet voor jou misschien. En voor mij ook niet. Ik vind het alleen
prettig, dat ze je duidelijk maken, dat zoo vreeselijk veel kwaad
van de menschen alleen aan de slechte inrichting van de maatschappij
moet worden geweten;--onze moraal iets onhoudbaars, zie-je; dan
oordeel-je zachter over gevallenen en gaat beter begrijpen;--maar de
heele kwestie is, dat ieder mensch voor zichzelf hier uitzoeken moet,
wat z'n leven waarde, volheid geven kan. Dat was bij Frieda heel
gemakkelijk, die is op ende op 'n studiemensch; het is haar ideaal,
met haar schrandere hersens zooveel mogelijk wetenschap tot zich te
nemen. Maar dat is iets, dat heel weinig jonge menschen volkomen
bevredigt. Iedereen heeft hier iets eigens, "'t boekje" van den
"Kleinen Johannes"; en die behoefte is onder studenten veel sterker
dan in de gewone maatschappij, omdat daar de mannen hun nuttige
werkkring, de zorg voor hun huishouden, en de vrouwen kinderen
en andere verantwoordelijkheid hebben; terwijl wij, die in onze
gedachten al heele menschen zijn, inderdaad nog niets presteeren en
nergens nut doen. Maar als we eenmaal iets hebben gevonden, 'n ideaal,
'n overtuiging, 'n gelóóf, dan heeft ons leven opeens waarde; dan
voelen we dankbaarheid, dat we op de wereld zijn. Daardoor zijn hier
zooveel vegetariërs en geheel-onthouders, en orthodox-geloovigen,
en liefde-predikers, en artisticiteit wordt óók wel 's tot 'n geloof
verheven; en dan de sociaal-democraten, en de anarchisten, en Van
Eedenianen en de wereld-vrede-menschen... en de Hegelaars; daar
ken-je, geloof ik, nog niemand van; dat is 'n heel bizonder volkje;
'k denk, dat je ze wel interessant zult vinden... en dan heb-je nog
'n paar voorstanders van het vrouwenkiesrecht, maar die zijn toch
niet talrijk bij ons, en 't zou ook niets voor jou zijn, wel?"
"Nee, zeker niet," zuchtte Go, "alleen al daarom, dat de jongens
erom lachen, en dat kan ik niet hebben; ik weet wel, dat dat erg
kinderachtig van me is."
"Och," peinsde Mary, "'t hóórt wel bij je..."
"Vin-jij 't ook altijd zoo ellendig, als je merkt, dat sommige
mannen de meisjes-studenten voor heel iets anders dan gewone meisjes
houden? Voor waanwijs, ingebeeld, en vooral voor wezens waar ze
geen égards, geen hoffelijkheid tegenover hoeven te toonen! Ik ben
's in 'n club geweest, waar de jongens de meisjes alleen naar huis
lieten gaan... "meisjes-studenten waren toch iets anders dan gewone
meisjes..." Ik had kunnen huilen, toen ik alleen op de donkere straat
liep, niet uit angst,--maar ik voelde 't als 'n beleediging... En toch
is 't eigenlijk logisch. Ze zeggen: als je met ons gelijk wilt gesteld
worden, moet je ook geen lievigheidjes meer verwachten. Maar ik vind
't zoo akelig."
"Beschaafde mannen zul-je zelden zoo zien doen, tenminste niet
tegenover meisjes, die 't "ewig weibliche" bewaard hebben. Je kunt hier
ook al weer niet generaliseeren. Er zijn enkele meisjes-studenten, die
als mannen sterk zijn;... er zijn méér "echte" meisjes, die studeeren."
"Je gelooft dus niet, dat ieder meisje, dat studeert, iéts van haar
vrouwelijkheid inboet, zij 't ongemerkt? Ik ben er vaak bang voor,
dat we, alléén door met de jongens samen op college te zitten, alléén
door onze vrijere levenshouding, iets verliezen; 't kostbaarste... Of
we minder schuchter, kuisch,--ach, ik kan 't zoo niet zeggen; 't zijn
heel ouderwetsche begrippen van me; maar ik schaam me soms zoo, als ik
met m'n boeken loop, en 'n jongen kijkt me rustig-brutaal aan; denkt:
'n collega."
"Iéts verliezen we mogelijk, maar we krijgen iets beters terug. Als je
's met niet-studeerende meisjes samenkomt, benijd-je die dan zoo erg,
en vind-je ze vrouwelijker, sympathieker dan je vriendinnen hier? Ik
voel zoo dikwijls alleen maar medelijden..."
"Maar ik heb medelijden met de meisjes hier, die zóó zeer alle achting
voor zichzelf en alle hoop op geluk hebben opgegeven, dat ze er zich
niet meer om bekommeren, hoe ze er uit zien, slordig en smakeloos
gekleed langs de straat loopen.... Dan moet ik er aan denken, hoe
alles hoe langer hoe meer in de war loopt. De meisjes verdringen de
mannen, ieder verdient maar net genoeg om voor zich zelf te zorgen,
alles drijft naar volkomen vereenzaming van de individuën; ieder
nijdig, ieder strijdlustig: voor mij; voor mezelf."
"In 'n staat-van-wanverhoudingen moet je de beste mogelijkheid, niet
't ideaal zoeken."
Go zuchtte.
"Maar welk "gelóóf" denk-je nu, dat bij mij hoort?"
"Ja, kindje, dat weet ik niet. En 'k heb het idee, dat je 't eigenlijk
'n beetje mal moet vinden, als je hoort, wat hier al niet allemaal
"geloofd" en "gehoopt" wordt. En toch vind ik die verbrokkeling
absoluut geen teeken, dat al die idealen maar larie zijn, niets
dan dotjes om schreeuwende kinderen mee zoet te houden. Voor mijn
gevoel wijst het er juist op, dat er nog ontzaglijk veel te doen,
te verbeteren, te werken valt in de wereld; en dat er hier allerlei
zelfstandig-denkende menschen zijn, die hieraan trachten mee te
werken op de manier, die met hun capaciteiten overeenkomt. Als je
iemand hoort praten over z'n overtuiging,--of 't nu 'n Hegliaan
is met 'n breede kop, of 'n extatische vegetariër, of 'n vredige
wereld-vrede-vriend,--dan krijg-je altijd den indruk: "ja, wezenlijk,
ik zou er wat voor kunnen gaan voelen; er is toch veel moois in;"
ik heb dat ten minste; maar je begrijpt, ik ben óók nog niet erg ver
met m'n ontwikkeling."
"Wat ben-jij eigenlijk?"
Mary lachte. "Wel, niet veel meer dan 'n dankbaar, gelukkig, zoekend
menschenkind. Op 't oogenblik ben ik erg in theosofie verdiept;
dat geeft me zoo'n kalmte, omdat 't spreekt van weer terug komen
hier op de wereld. Want al kijk ik m'n oogen uit, ik heb toch 't
gevoel, dat ik met dit eene leven onmogelijk alles bevatten kan. En
ik bewonder alles zoo, dat ik 't zonde zou vinden, als ik nooit tot
de kern doordringen kon. Ook wat mezelf aangaat: ik zou graag den
tijd hebben me te volmaken."
"O, maar vóór ik volmaakt ben, is de wereld zeker vergaan," en Go trok
'n zóó tragisch gezicht, dat Mary vroolijk riep: "Maar lieve kind, neem
toch niet dadelijk aan als 'n waarheid, wat je maar terloops hoort. Ru
zegt, dat theosofie het toppunt van menschelijke verwaandheid is, nog
veel erger dan het Christendom. Want het voortleven, de ontwikkeling
van den enkeling, het individu, is voor theosofen alles, terwijl hij
juist overtuigd is, dat wij het leven maar even mogen dragen, en moeten
trachten het te verheffen, opdat wanneer we het aan anderen overgeven,
het 'n kostbaarder schat geworden zal zijn. Maar Wies van Hoof zegt:
als de vrouwen maar eerst eens zitting in 't Parlement hebben, en
Theo Vervoort: Het vleesch-eten veroorzaakt de slechte neigingen
in den mensch. Je hebt nog nooit 's zoo'n gesprek van ónze vrienden
bijgewoond. Dat zijn 'n levens-opvattingen, 'n idealen door elkaar..."
"En duizelt het je dan niet wel 's?"
"Nee; ik krijg 'n diep, zalig gevoel: o, kind, wat heb-je nog veel
te doen in je leven. Wat is er al niet gedacht en opgeofferd en
gestreden. Hoe moet je zelf werken en zoeken naar 'n ideaal!.... en
als ik dan dat verlangen en die kracht te leven zoo sterk in me
voel, dan lijkt het me zoo'n dwaasheid, zoo'n waanwijze domheid,
als jonge menschen, die nog onmogelijk de hoogten en diepten van 't
leven kunnen hebben doorvoeld, zich nu al verbeelden er genoeg van
te hebben; zooals 'n domme boer, die, voordat hij 'n vreemde spijs
geproefd heeft, al verzekert, dat hij 't niet lust."
Go dacht aan Hans, en haar oogen vulden zich met tranen: was 't een
domheid van hem geweest?
Maar Mary, intuïtief begrijpend, wat ze voelde, beantwoordde zacht
haar nog onuitgesproken vraag: "Er zijn menschen, die zoeken, maar
zonder vertrouwen en zonder rust. Die alles tegelijk willen lezen en
bevatten, en gek worden van ongeduld, als de waarheid niet dadelijk in
hun handen ligt. Je begrijpt, dat dat 'n heel verkeerde manier is, die
geen resultaten geeft. Want al moeten we natuurlijk actief zóeken, en
lezen en ons inspannen,--hoe dat, wat we in ons opgenomen hebben, weer
uit ons opbloeit, moeten we aan den tijd en de natuur overlaten. Dat
gaat zoo verrassend, zoo anders dan we dachten.... En als we maar
steeds het gevoel houden, dat de waarheid wijkt en wijkt, als we
niets kunnen vatten, dan moeten we weten, dat het zoeken-op-zich-zelf
óók iets heel moois is, bijna even mooi als 't vinden, wanneer we
tenminste vertrouwend zoeken. Ik ben tenminste blij, dat ik nog geen
bepaald stelsel gevonden heb; dat ik nog dilettant ben in 't leven."
"O, Mary, zou dát de oplossing zijn: door ontwikkeling naar alle
kanten tot harmonie te komen?"
"Ja, want naar de onbewuste, natuurlijke harmonie met de omgeving
kun-je niet meer terug. Je hebt desillusies geleden; je hebt het
leven leelijk gezien;.... ik begrijp het wel, Go, zoo iets moeten we
allemaal door. Eerst had-je geen begrip van 't leven;.... nu heb-je
't 'n beetje, maar eenzijdig en verkeerd. Denk maar eens logisch na:
Het kan toch niet, dat de wereld maar voortdraait, dat de menschen
zich organiseeren, en werken en ploeteren;--als er eigenlijk niets
waarde had en alles leelijk was?"
"Nee, natuurlijk. Nee, dat kan niet. O, Mary, ik geloof, dat je woorden
me zoo goed hebben gedaan. Vroeger, als ik 'n mooi boek had gelezen,
verbeeldde ik me altijd, dat van dàt oogenblik af m'n heele leven
veranderen ging; en dit gevoel heb ik nu weer."
"Dat geloof ik toch niet, Gootje. Alleen is dit gesprek goed geweest,
als begin van grootere vertrouwelijkheid tusschen ons. Je bent zoo
gesloten,--en ik geef me ook niet gauw, ik heb er geen behoefte aan,
en heb ook niet veel te zeggen."
"En je hebt nu den heelen ochtend aan één stuk door gepraat! Wat kan
iemand toch dom-rampzalig zijn."
Go stond op, en rechtte zich, maar Mary praatte nog voort, met
haar naar de deur gaande: "Ik heb eigenlijk nog zooveel te zeggen;
zoo'n oogenblik, dat je elkaar wezenlijk begrijpt, komt zoo zelden
weer.... Maak je geen zorgen, dat je je studie op 't oogenblik duf
en droog vindt. Dat komt, omdat 't nieuwtje er af is, en je nog niet
ver genoeg bent, om de philosophische waarde te begrijpen;--alles
gaat in drie perioden, en de tweede is de neergang in 'n stijgende
golflijn.... Wees niet ongeduldig, als 't niet meevalt in 't begin,
en ga je nu aankleeden voor de koffie."
Drie minuten later was Go, 't haar al los, in de kamer terug. "Wees
niet boos op me, maar ik móet je even vragen, waarmee 'k beginnen
moet? De toepassing in het leven?"
"Ken-je den bijbel? Nee? Nu, dan moet je daarmee beginnen. Het
grootste deel van de jeugd is tegenwoordig ongeloovig, zonder iets
van den christelijken godsdienst af te weten."
"Ja, dank je."--Ze zweeg even, nadenkend; maar dadelijk weer vervuld
van 'n nieuwe kwestie, viel ze uit: "En wat willen de vegetariërs met
de beesten doen, als we ze niet meer opeten? En hebben die menschen
van de wereldvrede vertrouwen in de conferenties in Den Haag?"
"Kind," lachte Mary, "gá toch. Ik ben waarachtig niet het orakel van
Delfi. Hoop maar met hart en ziel, dat je nog heel lang op deze wereld
mag blijven...."
"Of er dikwijls terugkomen."
"Want je ziet wel; we hebben enorm veel te doen."
"Ja; ik zal maar beginnen me gauw netjes te maken, want Frieda fluit
al in 't portaal."
En met 'n sprongetje was Go weer in haar kamer, en onder 't kappen
lachte ze nog om haar domheid, dat ze het leven nu al had geoordeeld
en veroordeeld; zij, 'n kind, dat nog niets wist.
En terwijl ze dacht aan Eduard en de desillusie over hem, was 't toch,
of zij 't nu anders zag, als 'n klein droef gebeuren in 'n groot leven;
en, de handen achter haar hoofd saamgevouwen, staarde ze strak in den
spiegel naar haar gezicht, om de toekomst te lezen uit haar lippen
en oogen. Zelfstandig zou ze nu moeten worden, goed en sterk. Het
was onmogelijk, dat de toekomst haar beangstigde, wanneer ze niets
verlangde dan 'n goed mensch te worden. Ze zou zich in zichzelf en
in levensvertrouwen krachtig moeten maken.
Maar zich afwendend om te gaan, zag ze even, dadelijk verschemerend,
haar beeld, zooals ze het zich kortgeleden had gedroomd: tusschen hem
en haar kinderen, gévend aan elk, gevend zichzelf, haar gedachten,
haar kracht, haar leven....
Mary had niets over trouwen gezegd. Ze waren ménschen; ze wàchtten
niet. Dít leven was hooger en edeler en fijner;.... maar had
moesje, die eenvoudig deed haar plicht van vrouw, van moeder, zonder
diepzinnigheid, zonder redeneeren, het leven niet beter en inniger
begrepen....
En ze twijfelde even aan de waarde van alles, wat Mary dien ochtend
had beweerd. Toch wás dat streven op 't oogenblik het eenige, dat
haar kon vullen, al moest ze daarbij iets van haar wezen negeeren, 'n
groot verlangen bedwingen, dat niet gemakkelijk te overstemmen viel....
Maar Mary, geurig van vredige vroolijkheid, stond lachend in haar deur,
vroeg, of ze den bijbel bepaald vóór de koffie uit hebben wilde. En,
zich overgevend aan den invloed van voldaanheid, volgde Go haar naar
de huiskamer met lichtende oogen en 'n blij-wachtend trekje om de
hoeken van haar mond.