HOOFDSTUK XIX.

'n Paar dagen later kwam ze lusteloos en bleek Mary's kamer in. Ze had

lang, half-wakker, in haar bed liggen woelen, en zich nu eindelijk,

zonder zorg, 'n beetje aangekleed, om in de rustige, blauwe kamer, die

uitzag in den tuin en over de kale boomen, wat vrede te zoeken, dien

ze nergens vinden kon. Die kamer had altijd 'n bizonderen invloed op

haar; de meeste meisjes vonden 'm somber en kwamen liever in Frieda's

"zonnepaleis," dat ook lichter en levendiger was gestoffeerd; maar

Go hiéld van die doffe kleuren en sobere lijnen; Mary's eigen rustig

en harmonieus wezen weerspiegelde zich in de dingen om haar heen; en

de stilte was er nooit beangstigend, maar 't mooie zwijgen van twee,

die elkaar volkomen begrijpen.

"Mary, ik wilde zoo graag iets doen, en ik kan níet werken. Heb-jij

ook iets voor me, te naaien of zoo, meen ik?"

Mary had zich omgewend, zoodra de deur openging, en terwijl ze naar de

kast liep om 'n rok te zoeken, waarvan het bezemband was afgetrapt,

bewonderde Go weer haar dunne, rechte gestalte, die iets zwevends,

iets symbolisch had, als de figuren van Toorop; en het kalm-ernstige

gezicht, met de bijna-extatisch-groote, grijs-blauwe oogen, die zoo

zuiver-koel en toch zoo innig konden kijken. En Go, die zelf lééd,

omdat haar gedachten deze dagen telkens met 't kwaad vervuld waren,

zij 't ook met 'n afschuw er voor; en die zich bezoedeld voelde door

haar weten van zonde, sloeg schuw de hare neer, toen Mary bij haar

kwam, en over haar gebogen zwijgend naar haar kijken bleef. Go voelde,

hoe afgetobd en onrustig en onverzorgd ze er uitzag, en, nerveus de

rok grijpend, vroeg ze om garen en 'n naald, verlangend de spanning

te breken door gewone, alledaagsche dingen.

Maar Mary stoorde er zich niet aan; ze zette zich naast haar in de

vensterbank, en, opeens 'n besluit nemend, begon ze met haar diepe,

donkere stem: "Gootje, je moet me 's zeggen: ben-je vertrouwelijk

met je moeder?"

Er was geen ontkomen meer aan; Go vóelde, dat nu alles uitgezegd moest

worden tusschen hen tweeën, en ze antwoordde zacht en weifelend:

"Ik hou heel veel van moeder,... en vroeger heb ik 'r ook altijd

alles verteld, en overal in raad gevraagd--en ze heeft me altijd

begrepen. Maar nu ik hier ben, in dat àndere leven, bij menschen, die

ze niet kent, en in toestanden, die ze zelf nooit heeft meegemaakt,

nu voel 'k telkens, dat ze niet begrijpt, wat ik meen; nu verwart

ze dingen en namen, en we merken 't allebei, al zeggen we 't niet:

we zijn aan 't vervreemden van elkaar, we ontgroeien elkaar."

Mary knikte. "Ik weet het wel, dat is het tragische in elke familie;

de ouders leven voor de kinderen, maar de kinderen worden menschen

voor zichzelf en leven in de toekomst. Dit komt te sterker uit,

naarmate de verhouding vroeger inniger was. En al is 't natuurlijk,

en al is 't "der lauf der welt"--iedere liefhebbende moeder, die haar

kind van haar af voelt gaan, lijdt eronder, diep en hevig, alsof zij

de eerste was, die met zoo'n vreeselijke ramp wordt getroffen. En

voor ónze ouders is 't wel 't ergste; want die zién in hun kinderen

de nieuwe levensrichting, de reactie tegen hún leven, en dat is nog

moeilijker te begrijpen, dan dat de jeugd eenvoudig zelfstandig denken

wil. Wij zijn nog min of meer voorloopers van 'n nieuwe beweging, en

't geslacht, dat na ons komt, vindt z'n weg door ons gebaand...."

"Ik weet niet," viel Go uit, "misschien zijn wij wel op 'n dwaalweg. Ik

geloof niet, dat ik licht 'n dochter van mij zal laten studeeren. Eerst

als je 't zelf hebt meegemaakt, weet je, hoeveel er tegen is."

"O, maar over vijf-en-twintig jaar,--en eerder zal jóuw dochter toch

zoo ver niet zijn--" glimlachte Mary, "over vijf-en-twintig jaar is de

toestand van 'n meisje hier al weer heel anders dan nu;... reken maar

eens, hoe verschillend ze nu is van 'n tien jaar geleden. Toen was er

geen club, geen vereenigingslokaal; er waren geen meisjeshuishoudingen,

geen pensions, geen faculteitsvergaderingen--hier en daar in de stad

zat ergens 'n eenzaam meisje op 'n triestige kamer; op college werden

ze met verbazing geduld;--dat is nog geen tien jaar geleden; terwijl

nu... Of meen-je dàt niet?"

Go zweeg en keek voor zich uit: hoe kón ze het Mary van Eduard zeggen,

en hoe kon ze éérlijk zijn, zónder het te zeggen? Toch snakte ze

er naar, eindelijk haar hart, zwaar van zorgen en onzekerheid, eens

voor iemand uit te storten, en haar oogen gingen hulpeloos naar Mary

om steun.

"Ik weet het niet, ik weet nu heelemaal niets meer. Toen ik Zondagavond

bij moeder zat, heeft ze gehuild. Er was geen reden voor, maar ze

zei opeens: "Wie weet, hoe kort ik nog maar leef, en dan heb ik

je niet eens de laatste jaren bij me gehad." En toen werd ik ook

treurig en dacht, dat ik eigenlijk best zeggen kon, dat ik thuis

komen zou, en iets anders beginnen. Zoo'n vreeselijk studiemensch

ben ik toch niet; en 't is niet van veel belang, of ik 't één doe, of

't ander. Heelemaal"--en ze haalde nerveus de schouders op--"kan het

me niet meer schelen, de wereld, 't leven, alles. Ik heb er genoeg

van. Ik begrijp toch niet, waarvoor 't allemaal dient."

"O, kindje," zei Mary heel zacht, met haar hand over Go's handen,

en haar oogen vol medelij, "van 't oogenblik, dat je bij ons kwam,

heb ik al gevoeld, dat er wat aan haperde. Ik had je gezien, toen je

hier aankwam, vol lust en overmoed en vertrouwen op je kracht; en jij

was een van de weinige meisjes, die ik onthouden had. Je weet, ik kom

bijna nooit op de club, ik houd van eenzaamheid en stilte. Het leven

kan niet stil genoeg zijn voor mij, maar dat is heel iets anders dan

het zwijgend broeden van jou, de laatste maanden, dat vol onrust is en

disharmonie. Ik heb het aldoor gezien, maar ik dacht: ze zal er zich

wel doorheen werken; 't is 'n moedig kind; en je moet je vooral niet

opdringen met hulp of steun;--maar ik heb al zoo lang gewacht, en het

is, of het aldoor maar erger met je wordt; je ziet er zoo hopeloos uit,

of je eigenlijk geen oplossing meer verwacht. En daarom moeten we nu

doorpraten, Gootje; ik zou zoo graag willen, dat je open tegen me was."

Ze wachtte even en toen ze de verwarring zag op 't vermoeide gezichtje,

half wetend, half vermoedend, wat de aanleiding tot de verslagenheid

zou zijn, al lag de oorzaak veel dieper, ging ze warmer voort:

"Kijk, feiten en gebeurtenissen in het persoonlijk leven zijn

natuurlijk bij meisjes-studenten, net als bij andere meisjes,

geheel verschillend. Maar wat algemeene ondervindingen, inhaerent

aan 't student-zijn zelf aangaat, die moeten we allen gelijkelijk

doormaken. En daarom zijn de oudere-jaars de aangewezen raadsvrouwen

voor de pas aangekomenen, de jongeren. Dat is ook wel de bedoeling van

het bestuur van onze club, maar in de praktijk staat nog al veel dit

ideaal in den weg. Meisjes zijn nu eenmaal niet erg toeschietelijk,

als 't haar dieper leven betreft, en ik geloof niet, dat iemand in

ziele-onrust licht naar de kamer van onze praeses of secretaris zal

stappen, om haar hart open te leggen... Zoo iets moet toevallig,

spontaan, vanzelf gebeuren, als je lang bij iemand hebt gezeten, die

je heel goed kent... en de jaren, de faculteiten, blijven haast altijd

gescheiden. De door ondervinding gegaarde wijsheid houdt ieder voor

zich. Toch zou 't menig droomstertje, dat opeens is wakker geschud, wel

goed doen, als ze wist, dat we allemaal 'n heele boel moeten doormaken,

vóór we eigenlijk kunnen zeggen, dat we léven, en er zou minder gauw

gewanhoopt worden, als de overwinning van anderen moed gaf."

"Toe, vertel me dan, hoe 't anderen gaat," vroeg Go, in spanning,

zich heelemaal gevend aan 't luisteren.

"Wel, we komen allen van huis, onbezorgd en luchthartig, met duizend

mooie plannen en droomen, maar zonder fond... en dan staan we opeens

in het wezenlijke leven. Dat geldt natuurlijk zoowel voor jongens als

meisjes, maar de meeste jongens hebben 't corps, dat hun in fuiven

en jool-maken de behoefte aan iets vasts vergeten doet, en ik geloof

wel, dat dit een van de redenen is, waardoor jij meer verbijsterd

en teleurgesteld bent, dan de meeste meisjes: dat je vol verwachting

hier aangekomen bent, en van 't begin af dié jongens ontmoet en met

ze omgegaan hebt."

"Niet al m'n vrienden zijn zoo," wierp Go tegen, aan Gerard en Hoefman

denkend, maar Mary hield vast: "De meest beteekenenden, die invloed

op je hadden, vulden dáármee de leegheid van hun leven aan, want 't

voelen van leegte, onvoldaanheid, teleurstelling, is dé ziekte van de

bewustwordende jeugd. Het is ook zoo natuurlijk: thuis hoefde-je niet

na te denken over je leven; alles ging er vanzelf, door de zorg van

je ouders, en hun bescherming, die je voelt om je heen. Maar als je

hier komt, dan slaat je eerst de vrijheid als 'n roes naar je hoofd;

ik heb dat meegemaakt evenals jij. Maar op die bedwelming volgt óók

de gewone "kater"; en de manier, waarop je dién ellendigen tijd te

boven komt, beslist voor 'n groot deel over je verder leven. Veel

jongens, vooral corpsleden, hebben afleiding van allerlei aard,

en als ze bang zijn om met zichzelf en hun eigen onvoldaanheid te

vechten, dan pogen ze het te vergeten, op de kroeg, in hun clubs,

of op 'n andere manier. Maar heel veel jongens en de meeste meisjes

kunnen of willen den strijd niet bang ontloopen. Die bekennen zich,

dat ze het land hebben, en streven dán naar verbetering."

Go zat stil, de kapotte rok in haar aandachtlooze handen; en diep in

haar oogen leefde het begrijpen met ieder woord mee. Toen Mary zweeg,

fronsde ze even de wenkbrauwen; zou 't al uit zijn, en zou ze nu

moeten gaan "verbeteren" in 't wilde weg, zonder dat ze recht wist,

hoé of waarheen?

Maar weer ging de kalme stem voort: "Ik zou je een heel rijtje van

menschen kunnen noemen, wier "zwarte" tijd ik heb meegemaakt. De

besten, diepsten juist hebben zoo'n crisis in hun leven, waarbij

't gaat als bij 'n ziekte, op leven en dood; en eerst als dié

is overwonnen, heeft 'n mensch z'n eigenlijk karakter getoond;

neem nu b.v. m'n broertje Ru. Wat is die jongen z'n tweede jaar

ellendig geweest! Hij werkte nog niet, foof niet meer, 'n toonbeeld

van levensmoeheid. Tot hij z'n sociaal-democratie heeft gevonden,

mevrouw Roland Holst;--ja, die heb-je nu zelf gehoord.--Heeft 't jou

niets gegeven?"

Een Meisje-Studentje · 第 34 / 39 题