Mary vond hen in druk gesprek bij het open raam. "Zoo broertje!"

"Dag Mary, ik breng iets van moeder voor je mee."

"O, de das, dank je."

"Zeg Mary, Ru vraagt, of 'k vanavond mee ga naar de lezing van Mevrouw

Roland Holst. Doe-jij 't ook?"

"Nee, Go, ik kan niet. Maar doe 't. 't Is zeker mooi, en 't zal

je opfrisschen."

"Natuurlijk," pleitte Ru. "Dát is 'n vrouw! Ik voel me niet gauw

klein bij iemand, maar bij háár...."

"Wat is hij toch altijd opgewekt," zuchtte Go, toen Ru weer naar

"de boerderij" was. "Je voelt je al anders, als hij de kamer maar

binnenkomt."

"Dat komt, omdat hij sociaal-democraat is," antwoordde Mary, de

handschoenen naar binnen hengelend.

"Dan is dat toch 'n mooie overtuiging, als 't je zoo levens-tevreden

maakt."

"Ach, dat doet natuurlijk ieder wezenlijk geloof." Maar Go luisterde

niet. 't Was net, of er iets prettigs gebeuren ging, iets met

Eddy, zoo opgeleefd was ze opeens, door dat gesprekje, door 't

vooruitzicht van de lezing: misschien zou hij er ook zijn,--ofschoon

sociaal-democratie--'t was niets voor hem; misschien zou er gauw

'n brief komen, of hij dàcht nu aan haar; ze wist niet, wat ze

verwachtte, maar haar bloed stuwde krachtig door haar verwachtende

hoofd, ze vóelde, dat 't toch zoo maar niet opeens uit kon zijn,

tusschen hem en haar, en terwijl ze zich waschte en 'n héél klein

beetje toilet maakte,--ze mocht niet te mooi wezen, 't zou iets van

gelijkheid zijn, dacht ze,--zong ze aldoor die bemoedigende spreuk

voor zich heen, die uit 'n droge kolom van het middelnederlandsch

woordenboek haar plots toegegeurd had en die haar nu zóó sterkte:

»Dat nemmer man en was so wilde,

Een vrouw diene met smeekene hilde."

Ze zoù 'm houden, al trachtte alles hem van haar af te trekken;

door haar liefde alleen.

Ze liepen samen terug door de stille straten, beide warm van opwinding,

gedragen op hun bewondering, hun extase over dien avond.

"Nog nooit heb ik zoo iets gehoord," zuchtte Go, "en 'k had 't

heelemaal niet gedacht, toen ze pas opkwam. Niet eens sympathiek,

vond ik, en geen mooie stem...."

"Er is niets heerlijker, dan mee te gaan, op te gaan in haar geestdrift

en bezieling. Ze electriseert de menschen eenvoudig, en níet door

stijl-effecten, niet door woorden-klinkklank, maar alleen door haar

overtuiging, en haar passie om anderen te overtuigen."

"O, Ru, ik ben zoo blij, dat je me meegenomen hebt. Ik weet er

heelemaal niets van, van socialisme of anarchisme of al die dingen;

maar 't is net, of ik nu weer harder m'n best zal doen om goed

te zijn."

"Ja, die opwekking geeft ze zeker ieder: 'n behoefte eerlijk en

zuiver te zijn, in alles, ook in je intiemste gedachten; 'n behoefte

te werken, nooit bij de pakken neer te zitten."

"Laten we nog 'n endje omloopen, de avond is zoo heerlijk, en ik voel

zoo'n kracht; ik zou toch niet kunnen slapen."

"Als we nu maar 's dadelijk met wat moeilijks beginnen konden, hè,

'n groote opoffering, 'n heldendaad. Maar 't lastige is 't vuur

brandend te houden in 't gewone doen van alle dag, ook als we onder

kleine en groote zonden leven."

"Maar 't helpt toch zeker, zoo'n avond, en de beloften, die je jezelf

dan doet."

"'n Mooi gevoel is niet verloren," zei Ru, maar Go keek strak voor

zich uit. Ze waren nu op de Stille Rijn en van de brug zag ze twee

menschen komen, 'n jonge man en 'n meisje, die dicht bij een lantaarn,

tegen elkaar geleund, bleven staan. Zij, die in 't donker liepen,

zagen hen hel belicht; Go onderscheidde 't grijze hoedje op 'n bos

ros-blond haar, het beige manteltje, waarom 'n zwarte arm lag. De man

was lang en slank, hij droeg 'n slappen hoed; zwart haar.... o, God,

en z'n gezicht was bleek, maar z'n oogen straalden.... Hij keek in

't gezicht daar beneden hem, en boog zich, en z'n hand was op haar

schouder; maar toen ze de voetstappen hoorden, liepen ze door langs

den donkeren waterkant, en z'n stap, even sleepend, klonk door haar

hakgekletter heen....

"Scheelt er wat aan, Go?"

"Nee. Wat koud." Haar lippen weigerden bijna, maar Ru scheen 't niet

te merken.

"Laten we dan gauw naar huis toe gaan. Je ziet zoo vreeselijk bleek."

"Ja. 't Is ook mistig, kijk." En ze staarde over het water, waar

de booten met hun roode lichtjes lagen, en terug naar de donkere,

stille gracht, waar ze nu samen zouden zijn.

"Ik begrijp niet," begon Ru weer over de lezing, "dat er niet veel

studenten waren vanavond. Natuurlijk wel de partij-leden, maar dit

was toch iets, dat iedereen goed zou hebben gedaan."

"Och, ze hebben zooveel andere dingen." Ze liep steeds sneller om

maar thuis te zijn.

"Maar nergens leeren ze 'n historischen kijk op de wereld

krijgen.... Als je die kerels soms hoort beweren--" Nu was hij op z'n

stokpaardje, praatte door tot bij de deur, waar hij weer verschrikt

zei: "God, Go, je hébt toch niets? je ziet er zoo ellendig uit; kan

'k niets voor je doen; iets halen?"

"'t Is alleen de kou...." En ze klappertandde. "Nacht Ru! Ik dank

je wel."

Ze knikte nog even op de stoep; sloot toen langzaam de deur en

deed er den grendel en de knippen op. Iedereen was al naar bed,

en met de kleine olielamp ging ze langzaam, tastend, de trap op,

naar Frieda's kamer, waar nog wat kachelwarmte en theegeur hing. Ze

zette de lamp neer, en wist opeens niet meer. Onderweg had ze hevig

naar 't oogenblik van alleen-zijn verlangd. Nu stond ze als te

wachten. Er was iets ergs gebeurd; er was iets gescheurd van binnen;

maar wat moest ze nu hier alleen in die kamer? Ze had nog geen pijn;

't was te scherp geweest. Ze wou even zich herinneren, hoe 't maar

weer precies was gebeurd: ze liep naast Ru, en was moedig, en had

honderd groote en dappere plannen in haar hoofd; toen kwamen er twee

de brug af, en ze vermoedde zonder woorden; ze voorvoelde; 't was

als het bewustzijn van één, die vallen gaat, diep, dood;... ze had

gekeken, strak, naar één punt, en het was duidelijker geworden;--háár

Eddy was even tusschen het dreigende beeld komen schuiven, hij, met

z'n belovende oogen, z'n streelende lach; toen was hij er mee samen

gevallen: z'n lach naar 'n ander, de belofte aan 'n ander....

Nu waren de tranen er, opeens in 'n stroom over haar strakke gezicht;

ze stond met haar hoofd tegen den muur als om zich op te houden,

en trillend over haar heele lichaam, fluisterde ze: "Hoe kòn-je, hoe

kòn-je! O, Eddy, wat bén-je slecht. Ik had het nooit gedacht...." En

als ze even stil was geweest, barstte dadelijk haar snikken weer

heviger uit, tot ze uitgeput op de canapé viel en daar onbeweeglijk

bleef zitten, in de donkere kamer starend, waar alleen 't olielichtje

'n spokig schijnsel door wierp.

Zoo was dus het leven; en dít de liefde, waar ze zoo naar had

verlangd. Zoo waren de menschen, die ze had vertrouwd; hij, hij,

de aller-liefste, deed zulke dingen. En dat hoorde zoo. De ouderen

wisten het; er veranderde niets om op de wereld; zooals Rolands gewoon

in hun clubje was teruggekomen, zoo zou hij de volgende keer weer één

der hunnen zijn, met z'n zingende stem, met z'n lieve manieren. Niemand

zou iets van 't gebeurde aan hem kunnen zien;....deden ze dan misschien

allemaal zoo: Hoefman en Otto en Han--en Gerard ook? Wien kon ze nú

vertrouwen, nadat ze hem zoo gezien had!

O, ze had er wel eens over hooren praten en er van gelezen, van

het leven van jongelui, en dat 't zoo anders was meestal, dan 't

scheen aan den buitenkant, en ze had niet gedacht, dat de menschen,

die zoo oordeelden, logen of zich vergisten, maar wèl: dat ze over

'n ander soort jongens praatten, dan zíj kende. Háár vrienden had ze

altijd geheel als zichzelf vertrouwd, en toen Eddy dien middag in

het laantje had gezegd: "Ja, zoo zijn we, wij, studenten; zoo zijn

we haast allemaal", had ze wél de pijn gevoeld, dat hij ook wel 's

iets kwaads gedaan zou hebben, 's lief gedaan tegen 'n meisje; maar

nú toch zeker nooit meer, nu hij háár kende. En ze had zich ook niet

voor kunnen stellen, dat hij ooit erg intiem met zoo iemand kon zijn

geweest;--misschien 's tegen 'r gelachen,--dat was al erg genoeg,

z'n mooie lach;--misschien 's een endje met haar opgeloopen, maar

hoe kon hij, de ontwikkelde, beschaafde, over-verfijnde, voor wien

zij zich vaak te grof en te onwetend had gevoeld, wezenlijk behagen

vinden in 'n burgerlijk, onbeschaafd schepsel, zoo een, die Leidsch

dialect sprak, met 't leelijke zangetje, en niets had gelezen; die

bovendien niet wezenlijk van 'm houden kon.

En tòch, ze had het gezien, het wàs zoo: hij gáf haar zijn

liefkoozingen, hij verdiepte zich in haar wezen. O, nu begon ze

te begrijpen de tragedie van vrouwenliefde in zooveel boeken, die

altijd zooveel roerender dan mannen-désillusies was. Nu begon ze

iets te voelen van de wanverhoudingen tusschen het meisje, dat wacht

en hoopt, om zich geheel aan den man, dien ze liefheeft, te kunnen

wijden, en den man, die minnarijen zoekt, die hem direct voordeel en

bevrediging geven, zonder al de zorgen en 't bindende van 'n huwelijk

met 'n vrouw van dezelfde ontwikkeling, die hooger eischen stelt. En

als hij dan eindelijk toch naar 'n eigen huis, 'n familie verlangen

gaat, met hoe verschillende idealen, met hoe ongelijke verwachting,

gaan de twee dan het nieuwe leven in: het meisje, dat al, wat ze bezat,

heeft bewaard en vermooid, 't hem nu bevend wil geven; hij, al moe,

en gedésillusioneerd, met herinneringen, die schrijnen en bezoedelen,

vaak met 'n ontveinsd dédain.

Dát stond de vriendschappelijke verhouding tusschen jongens en meisjes

in den weg; niet, dat ze vaak dronken waren in de eerste plaats,

maar 't feit, dat andere vrouwen op 'n andere manier in hun leven

gedrongen waren, en ze daarom geen achting, geen zuiver, hartelijk

gevoel meer konden voelen voor eenig meisje, want hun gedachten waren

vol van wat laag en afschuwelijk was.

O, wat wás de wereld leelijk, en wat deed 't weten 'n pijn. 't Was net,

of ze haar heele leven geslapen had, en nu opeens, wakker geschrikt,

de onwaarheid van haar mooie droomen besefte; 't was, of ze al lang in

'n modderpoel was rondgegaan, en nu pas zàg, waar ze was verdwaald.

Het zien van Rolands had haar niet diep getroffen. Het was even

pijn geweest, maar wat wist ze van z'n leven, en hoe kon ze er zich

indenken, hoe z'n liefde zou zijn? Maar Eddy's liefkoozingen had ze

gevoeld in haar droomen; ze wist, hoe z'n oogen keken, wanneer hij

teeder was; ze zag de zachte gebaren van z'n streelende handen, en nu

dit alles, haar lang-gedroomde schat, aan 'n ander werd gegeven, als 'n

nietswaardigheid; nu haar hoogste geluks-verlangen was neergestort bij

den vreeselijken aanblik van het tot bespottelijk-karikatuur misvormde

beeld van haar ideaal,--nu doorvoelde ze plots de diepte van ellende

van ongelijke moraal van twee naar gelijkheid strevende geslachten, en

duizelend van haar eigen misstanden-peilende helderheid, hield ze het

hoofd in de handen, en kreunde om haar gewond, beleedigd vertrouwen.

"Als je maar altijd 't allerleelijkste van de menschen denkt, als je

je maar nooit door idealisme laat verleiden, dan krijg-je 't meeste

gelijk in de wereld. De oude, wantrouwende menschen hebben gelijk,

de misanthropen hebben gelijk," prevelde ze bitter, "en wie vertrouwt

en liefde geeft, zal net zoo lang gemarteld worden, tot hij wijzer

geworden is. "Zoo ís de wereld eenmaal," zeggen de ouderen altijd. Hoe

heb ik ze gehaat, om hun hard en liefdeloos oordeel. Ik voelde, dat

't niet waar kon zijn; en nu...."

Ze begon in Frieda's kamer op en neer te loopen, en bleef lang

voor de bul van L. V. staan; het was 'n groot papier met 'n

gewichtig-uitziend zegel op den hoek, en er stond met dikke letters

gedrukt: Virginem ornatissimam Friedam Vervoort, enz.; onderaan de drie

handteekeningen van het bestuur, den datum en 't jaar in Romeinsche

cijfers. Onwillekeurig trachtte ze het in gewone over te brengen, en

onderwijl herinnerde ze zich, hoe het alles was begonnen, dien avond op

z'n kamer, hoe ze in 'm was opgeleefd zonder eenige terughoudendheid,

terwijl intusschen z'n gedachten vol leelijke dingen, o ze wist 't nu,

moesten geweest zijn. Wie weet, wat hij van haar en haar dringende

openheid had gedacht; of hij niet met anderen over haar verlangen,

voor állen iets te zijn, had gelachen. Hoe schaamde ze zich, dat

ze zich had laten gaan, en haar mooiste gevoel misschien tot spot

gemaakt. En al zei ze weer: "nee; zóó slecht kan hij niet zijn; hij

was toch eerlijk tegen me, al wilde ik het niet begrijpen",--hoe wist

ze, in hoeverre ze nu nog iemand vertrouwen kon; hoe wist ze, of niet

de heele wereld één afschuwelijke leugen was, waar de menschen toch

maar mee doorleefden, omdat het nu eenmaal zoo gewoonte was...

Toen het drie uur sloeg door de stilte, stond ze nóg voor 't raam

in de duisternis te staren. Het olielampje achter haar rug was

bijna leeggebrand, en ze zei 't zich, dat ze nu maar naar bed moest

gaan. Maar de roerloosheid van de kamer, de gevoellooze rust van

het heele huis, deed haar de schouders ophalen: waarom eigenlijk;

wie kon 't iets schelen, of ze hier heen en weer liep, in angst en

verbijstering, of naar haar bed toe ging? Wie mérkte 't zelfs? Iedereen

sliep. En wat kwam 't er voor haarzelf op aan, of ze hoofdpijn zou

hebben morgen; wat kwamen alle dingen van alle verdere dagen er op aan?

Ja, natuurlijk; ze moest examen doen; ze moest promoveeren en 'n

betrekking krijgen, om voor zichzelf te kunnen zorgen; 'n ander zou

't niet doen. Ze moest verdienen, om te kunnen leven, of eigenlijk:

bestaan. Ze wist niet, waarvóór. Wist die vrouw, die toch ouder was

dan zij, en die.... dienzelfden avond, maar hoe lang scheen 't al

geleden,--had gesproken van 'n toekomst, 'n omwenteling, dan niet,

dat de ménschen slecht waren, en dat daar geen veranderde staat voor

hielp? En ze had wel gepraat van verandering van de leugen-moraal,

maar wat hielp 't, als de mannen van aanleg ontrouw waren, de meisjes

trouw? Of die misschien alleen uit noodzakelijkheid?

Ze wist 't niet meer, ze wist niets meer. Van wat, dat ze vroeger hoog

en heilig had gehouden, kon ze nú nog zeker zijn, nu het hoogste van

haar leven schijn was gebleken?

Een Meisje-Studentje · 第 33 / 39 题