Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining
ingekwartierd. Voorloopig kreeg ze alleen maar 'n zit-slaapkamer,
omdat er nog iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun
drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er zoo op
aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda beide
hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, als
ze wilde, en als 'n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda had haar
dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den volgenden dag
hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de breekbare waar zelf
overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat 't binnengedragen was,
was haar heele huishouden weer uit de donkere straat weggereden naar
de lichte Jan-van-Goyenkade, met 't wijde uitzicht over water en land,
en de vroolijkheid van meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen.
Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was gebracht,
niet langer alleen--"het wàs geen kind om alleen te laten," maar met
twee aardige, verstandige meisjes, die voor haar zorgen zouden en
lief voor haar zijn. Ook haar moeder had enthousiast over de gunstige
verandering geschreven en gesproken. "Ik begrijp wel, kindje, dat je,
zoo heel alleen, behóefte hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden
als van vriendinnen. Maar ik ben toch wel bang, dat de bezoeken wat
erg druk zijn geloopen den laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders
worden; jullie maaltijden met je drieën geven veel meer de gezelligheid
van een huishouden. Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen..."
Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat de
eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot
was opgenomen, ze voelde 't wel: voldaan was zíj niet. Ze zat voor
Frieda's schrijftafel en staarde over het kale, wijde land, en,
de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: "Het kwam
dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, dat onrustige,
onbevredigde gevoel. Het komt uit m'n eigen hart, en daarom kan
niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn licht, en
aan elken maaltijd en 's avonds ook, zijn Mary en Frieda er, met hun
hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik zit er zwijgend
bij, en voel, dat 't me niet schelen kan. En als Gerard vraagt,
hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange verhalen van lof
houden; maar ik wéét 't alleen met m'n verstand. In mijn hart voel ik
't anders. Dit samenwonen is uitstekend, en 't moest veel meer door
jongens worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard
ergens met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter
zijn, dan zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik
ook weer kunnen voelen, dat 't leven prettig is."
Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z'n laatste bezoek te
denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar geweest, zoo
anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans waren. Hij
had alleen even met 'n naren lach gezegd: "Voor menschen, die pessimist
praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de opgewekten maken er opeens
'n einde aan," en uit 'n paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt,
dat er weer druk gefuifd werd in hun clubje. Bij 't weggaan had ze toen
gevraagd, of hij 's op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken
wilde, er beslist op aangedrongen, omdat ze 'm noodig spreken moest.
Zoo was hij 'n avond in Frieda's kamer ontvangen, maar er was geen
stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary en Frieda
geen van beide vóór z'n bezoek waren, ze had zich onzeker en gegêneerd
gevoeld, en hij had niets gedaan om 'r tot kalmte te brengen: hij was
heen en weer blijven loopen, had de fotografieën en beeldjes bekeken,
en steeds over allerlei onverschillige dingen gepraat.
Na 'n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon 'm niet laten gaan;
ze moest toch zeggen, dat ze 't zoo akelig vond...
"Waar ga-je heen?"
Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden...
"Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet gezien."
Ja, maar ze zouën spelen, kaarten...
"Hè nee, Eddy, doe 't niet."
Er had in z'n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even bang
maakte: "Natuurlijk zal ik gaan."
"Ja maar, 't is zoo verkeerd; jullie spelen om geld."
"Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga 'k eigenlijk. 'n Lastige
beer."
"Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op 'n avond."
"Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. 'k Moet 't hebben."
"Dus dáárom alleen?" En ze was naar de kast gegaan, en, smeekend,
dat hij niét boos zou worden... 't was wezenlijk beter.... had ze
'm het bankbiljet van vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde,
ontroerd keek.
"Ik schaam me, Go," had hij alleen gezegd, en toen was hij gauw
weggegaan, en ze had 'm niet weerhouden, omdat ze voelde, hoe pijnlijk
't voor beide zijn zou, nog samen te blijven.
Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze
vegetariër werd?--Nee, 't was zuinigheid; haar maandgeld was op....
Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd:
"Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog 't onze. Eet dus gewoon mee;
zoo sterk ben-je niet."
En daarna had ze niets meer van 'm gehoord of gezien. Zelfs niet op de
laatste vergadering van L. V.; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat
hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij
was beboet "wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder hiervan
vooruit schriftelijk kennis te geven," en "wegens niet inleveren van
z'n verplichte werkzaamheid."
'n Vergadering zonder hém had geen doel, en 't had Go toegeschenen,
of ze allemaal maar hadden zitten praten, om met hun woorden
de leegte te bedekken, en eigenlijk leek haar heele leven haar
tegenwoordig zoo, vooral als ze 'n middag alleen zat in de kamer,
met haar boeken. Wat moest dat allemaal nu eigenlijk? Wat had het
met haar geluk of 't heil van de menschheid te maken, of ze al wist,
hoeveel uitgaven er van Maerlants strofische gedichten bestonden,
of wat voor invloed de eerste en tweede klankverschuiving hadden
gehad? En nu kon-je zeggen: dat had-je nu eenmaal in iedere studie,
of je rechten nam, of medicijnen, of scheikunde: altijd moest je eerst
'n massa concrete kennis vergaderen, waar je 't nut niet zoo dadelijk
van inzag. Maar dat was 't hier niet alleen; als ze dóór dacht over
later, wat er zou gebeuren, als ze dit nu allemaal wist, als ze haar
candidaats en haar doctoraal had gedaan, en dan ook nog 'n boek, 'n
dissertatie, had geschreven,--dan sloeg haar eerst recht de schrik om
't hart. Dan zou ze de hier vergaderde wijsheid gaan onderwijzen op
'n burgerschool of 'n gymnasium, of op 'n bibliotheek als archivaris
studeeren in perkamenten, dag in dag uit, òf aan "het woordenboek"
'n baantje krijgen, bij gratie, en de rijkste jaren van haar leven
besteden b.v. aan de letter p. En nóóit, nóóit zou ze, als de studenten
van andere vakken, in 't werkelijke leven kunnen ingrijpen en nuttig
worden; nooit zou ze direct met "menschen," menschenléven, te maken
hebben, zooals 'n dokter, 'n advocaat. Zelfs nooit haar hánden kunnen
gebruiken, zooals Mary, die kookte en knoeide op 't laboratorium,
die zoo heerlijk moe kon zijn, nadat ze 'n middag gestaan had. Voor
haar waren er niets dan boeken, die naar andere boeken verwezen,
en altijd weer boeken, waar niets achter was, en niet kòn wezen. 't
Was immers zuivere wetenschap, alleen òm de wetenschap, zooals: l'art
pour l'art. Dat had ze eerst juist zoo mooi, zoo groot gevonden, voor
gedachten te leven, in ideeën; maar nu, nu ze lange uren er zich aan
begon te geven, m'n God, nú voelde ze, dat ze jong was en krachtig,
dat haar lichaam niet wilde vegeteeren, dat haar spieren trokken van
ongeduld bij al dat stil zitten studeeren; en dat ze benijdde, o,
benijdde met hart en ziel, de bedrijvige wereld, beneden op straat, de
meisjes, die kleeden klopten in de zon, met flink beweeg van de stevige
armen; de jongens, die zware schuiten voortboomden, met groente,
met turf; iedereen, die z'n lijf inspannen kon, z'n kracht uiten.
"Het Comburgsche HS; het Zutfensch-Groningsche HS, het HS der
Pelgrimage van der mensceliker creaturen, de Heidelbergsche
fragmenten...." Ze zette zich opeens op, en 't bloed vloog naar
haar hoofd: 't was om dól van te worden, zoo'n heele middag zitten,
terwijl vlak voor de deur 'n schuit met steenen werd afgeladen, en al
die menschen zich bukten, en sjouwden en zwoegden in den frisschen
winterdag, met de kou tegen hun warme lijven. Ze móest ook iets
doen. En met 'n ruk sjorde ze de ramen open, begon de kussens van
Frieda's canapé uit te slaan op de vensterbank, ofschoon ze wist,
dat dat eigenlijk overbodig werk was, want ze had tegenwoordig zoo
dikwijls 'n bui, dat ze opeens iets móest doen, en dan gingen de
kussens en de kleedjes er altijd 't eerst aan. Al haar handschoenen
waren ook heelemaal schoon, en ze schommelde in de laden van Frieda
en Mary; daar was wel wat te doen: warm water maken, zeep raspen,
goddank, nu leefde ze weer, in de koele lucht, met de beweging;
lekker, zoo met haar handen in 't warme sop voor 't raam te staan;
de waschkom kantelde wel wat op de vensterbank, maar 't zou wel
houden, en de wind was zoo frisch tegen haar gezicht. Was de slang
met 't aansteken zooeven 'n eindje van 't comfoor afgegleden? O, nee,
Frieda had al meer over gaslucht geklaagd; ze rook het nu ook, nu ze
er dicht bij was;--ze zouden--hé, daar was Ru Bruining, met z'n fiets.
"Mary is niet thuis, Ru."
"Zóó. Zou 't nog lang duren?"
"Nee. Binnen 'n kwartier zal ze er wel zijn."
"O, dan kom 'k toch maar even boven; ik heb 'n pakje van huis gekregen,
met ook iets voor haar; 'n das of 'n strik; ik weet niet precies."
Ze hoorde 'm de fiets in de gang zetten, toen z'n vlugge stappen op de
trap. Het was zoo'n kordaat kereltje, niet groot, maar breed gebouwd,
rechtop en energiek, met kleine, sterke handen, en 'n kop met 'n wil.
"Goeienmiddag. Wat voer-jij uit?"
"O, ik wasch handschoenen. Geef jij me misschien ook de clandisie?"
"Nee, die draag ik nooit. Je mag er wel wat opleggen, dat ze niet
wegwaaien, als ze gedroogd zijn."
"Ja. Zeg, Ru, ruik-jij geen gaslucht, daar in dien hoek?"
"Nee, 'k ben verkouden. Ja, hier toch; 't zit bij 't kastje."
"Niet aan de slang? Frieda klaagt er al langer over. We zullen 's
'n man van de gasfabriek...."
"Laat mij 's kijken; mag 't tafeltje even weg?"
"Pas op; geen lucifers, Ru,... je vliegt in de lucht...."
"Nee, wacht maar; zoo erg is 't niet. O, kijk; deze schroef zit
los. Je hebt hier zeker geen gereedschap."
"De juffrouw zal wel...."
"Och, ik kan het wel met m'n fietssleutel."
Hij was al weg, om dien van beneden te halen, heelemaal in z'n werk
verdiept; en Go keek met welgevallen, hoe hij zich boog, schroefde,
z'n kracht spande, dat 't bloed roodend naar z'n voorhoofd liep,
tot onder z'n stug, blond haar.
"Kom nu 's ruiken. Wat denk-je er van?"
"Ik ruik niets," snoof Go behagelijk. "Wat leuk, dat je ook van zulke
dingen verstand hebt, zeg. Zoo 's practisch iets doen, dat kan bijna
geen een student."
"Dat komt door de stomme verdeeling van den arbeid. Er is 'n klasse
menschen, die hun lichaam óver-aftobben, en geen tijd voor eenige
ontwikkeling overhouden, ook geen kracht en geen lust; en aan den
anderen kant staan wij, de z.g. bevoorrechten, maar die even goed zelf
ook lijden door de misstanden, die we in onze kortzichtigheid toch
niet opgeven willen; wij, die ons suf en stomp werken met ons hoofd,
en onze spieren als niets-nut moeten laten verslappen."
"Hè ja," zei Go gretig, "ik had vanmiddag zoo graag 's met dien
steenensjouwer geruild;--hij hier 's wat uitrusten en ik me 's weldadig
moe maken. Je hebt gelijk; 't is 'n domme indeeling."
"We kunnen er natuurlijk zelf wel wat aan verhelpen. Ik woon daar nu
buiten, en als ik 's twee uur gewerkt heb in Hesiodus of Isocrates,
dan ga 'k eens naar m'n kooltjes kijken, of neem de geit mee wandelen;
maar dat is maar spielerei, en aardig voor mij persoonlijk. De
gemeenschap heeft er geen nut van, zooals 't zou zijn, wanneer de
verhoudingen beter georganiseerd waren."
Ja, Mary heeft wel 's verteld, je hebt daar 'n eigen huisje, hè,
en je doet alles zelf."
"Zoowat, ja; kom 's kijken, als je lust hebt, met Mary. Er is nu niet
veel om jullie mee te geven: vroeger heb ik 't huishouden hier wel
's van boontjes of aardbeien voorzien."
"Aardbeien! O, heerlijk! Mogen we dan van den zomer nog 's komen? En
je hebt 'n roeiboot, niet?"
"Ja, en 'n kraai en 'n paar kippen, en konijntjes. Je zult 't wel
grappig vinden, denk ik."
"Hè, zalig zoo buiten wonen...."