"Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest is."
"Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Frieda schrijven;--die wéét
misschien wel 'n kamer. Ik ga dan zelf met 't briefje naar haar toe."
"O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo
wanhopig,--alleen tusschen al die vijandige menschen."
"En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf maar."
Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel
zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer,
die je huurde, was toch je eigen,--maar natuurlijk, 't was 't huis
van de juffrouw.--Hád ze schuld? Moesje had gezegd: "Maak nooit
misbruik van je vrijheid," maar ze had de jongens toch niet in den
winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die omstandigheden...
Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: "Ben-je bijna
klaar?" riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water kookte
voor thee.
"Ja, dadelijk." En vlugger pende ze het briefje aan Frieda.
"Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en
'n zakje biscuits, behalve de thee zelf," klaagde hij hulpeloos;
"ik zou je zoo graag met 'n kopje verrast hebben, en 't water kookt
"als 'n see", zou mijn juffrouw zeggen."
"O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen zonder jou!"
"Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet 'k je weer alleen
laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te zijn."
"Nee, nee," zei ze, maar haar lippen trilden.
En hij keek haar aan, met 'n oneindig zacht medelijden in z'n eerlijke
open oogen, en eenvoudig-weg, of 't zóó in z'n hart opkwam, zei hij:
"Ik wilde, ik kon u iets geven
Tot troost diep in uw leven;
Maar ik heb woorden alleen,
Daden en dingen geen..."
Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met 'n bemoedigend
knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, wegstommelend
langs de ongelijke trap.
Den volgenden morgen, toen Go na 'n onrustigen nacht, want ze hóórde
de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de ontbijtkamer
binnenkwam, vond ze naast haar bord 'n groote bos witte seringen en
donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol lentegeur, en achter
op z'n kaartje had Gerard geschreven: "Goeienmorgen Go. Vanmiddag
komt Frieda bij je, en brengt 'n prettige boodschap mee."
Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens
niet bang en niet eenzaam meer.