De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college
en 's avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn
helpen, die Hans' vader beloofd hadden, alles te zullen regelen
en in orde brengen. Er was 'n huiselijk testamentje gevonden, dat
ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote
kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd,
brieven en dagboeken verbrand;--ze werkten te zamen uur na uur op
de stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige
zon; soms even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven
kwam, aangetrokken door 't houten bordje, dat tegen 't raamkozijn
kletterde. "Cubicula locanda;" het klonk zoo koud; of de vorige bewoner
ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of gesjeesd, of
om geldverlies z'n studie heeft moeten staken, of zelf 'n einde aan
alles maakte--"cubicula locanda"; het bleef 't zelfde. En telkens,
als Go weer aan kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel
zou zijn, dan zag ze weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg,
en in de zon blikkerde als 'n emblema van de snelle wisselvalligheid,
èn de onaantastbare gelijkmatigheid van het leven.
Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap
scheen 't werk van "het dispuut" te zijn; telkens kwamen De Veer en
Rolands, Beerenstijn of Hoefman met 'n rekening, 'n brief: wat Go er
van dacht; en door de noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst
groeide hun vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk,
steungevend, bemoedigend gevoel.
Zoo kwam ook Gerard 'n avond met 'n pakje lidmaatschap-kaarten, om
te bespreken, of ze afgeschreven moesten worden, of door den dood
vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend met haar hoofd op de
schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar haren woelend.
"Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?" begon hij verschrikt, maar toen
ze z'n stem hoorde, ging er opeens 'n schok door haar heen, en 't
betraand gezicht opheffend fluisterde ze nerveus: "Ga weg, Gerard; hoe
kom-je hierbinnen? Hield ze je niet tegen? Heb-je 'n scène gemaakt?"
"Wie? Ik heb niemand gesproken." En z'n oogen staarden verbaasd
haar aan.
"De juffrouw--ze zegt--o, Gé, ze zegt..." Nu begon ze weer opnieuw
en erger te huilen, telkens tusschen twee snikken door hijgend:
"Ga weg.... ga weg.... ze wil 't niet hebben."
Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel
zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór ze wat kalmer zijn
zou, en z'n afgebroken stem dwingend tot rustig spreken, begon hij:
"Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát nu een reden om
zóó te huilen? Is 't heele mensch wel één traan van jou waard? Als je
me nu maar 's wou vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is,
dan zouden we kunnen overleggen, hoe 't in orde te brengen.... Maar
als je zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk iets
voor je doen."
"Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... dat 't
geen pas heeft, als 'n méisje hééren op 'r kamer ontvangt.... Eerst
was jij alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het
kon.... het had...."--en even trok 'n glimlach over haar trillende
lippen--"het had 'n fatsoenlijk engagement kunnen zijn, ofschoon
ik geen ring droeg,--maar nu telkens andere,.... ieder oogenblik
'n ander...."
"Vervl...," viel hij uit; "heeft ze dat durven zeggen?"
"Ze zei, dat het 'r goeien naam kwaad dee. En ze had zélf groote
dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit dames op hun
kamer ontvangen; als je 'n heer had, ontving-je heeren, als je 'n
dame had dames."
"En wat antwoordde jij, Go?"
"Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde 'r eerst
uit te leggen, dat 't m'n collega's waren, en dat onze verhouding
anders is dan van gewone jongens en meisjes.--Maar ze keek me zoo raar,
zoo verdenkend aan, en zei weer iets over 't fatsoen van haar dochter,
en toen kón ik opeens niet meer; tegen zoo'n mensch, over zoo iets..."
"Nee, natuurlijk. Laat mij maar 's..."
"Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt 't immers nog veel
erger..."
"En wat wou-je nou doen?"
"'k Heb gezegd, dat 'k zoo gauw mogelijk van 'n andere kamer werk
zou maken."
"Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, 't Is... 't is... zoo'n
mensch tegen joù, tegen joù... zóó iets..."
"Ja maar," zei Go, kalmer door zijn opwinding, "we moeten ook
niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat ze zoo
praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? Hoe kan
ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan 'n jongelui's partijtje
in háár jeugd? Bovendien zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen
't met haar eens geweest zijn..."
"Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar 't veranderen van de publieke
opinie is geen toeval; die volgt de omstandigheden, en daarom..."
"Toe, je verwacht van háár toch geen redelijkheid!... En ik ben hier
pas zoo kort; en juist in 't begin, door den dood van Hans, zijn er
zulke vreemde dingen gebeurd: Otto en jij dien ochtend vroeg... en
's middags de heele club... en later telkens weer iemand om iets te
vragen... telkens 'n ànder, zooals zij zegt..."
"Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet filozofisch
opvatten... Ik vind 't min, láág, afschuwelijk.--Enfin; wat doe-je
nou? Weet je 'n kamer?"
"Nee, 'k moet toch ook eerst naar huis schrijven."
"Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den brief naar
't postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar huis ging,
tot je iets anders hadt. 't Zal je zoo irriteeren, als je hier moet
blijven, en 'k heb de kamer altijd beroerd gevonden."
"Och, 'k zal 't maar niet al te erg maken voor moeder. Die vindt
't zoo vreeselijk, als iemand iets slechts van ons denkt."
"Maar de ploerterij..."
"Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder
vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel 's bang, dat 'k onvoorzichtig
ben."