Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. "Natuurlijk slaapt ze nog."

"Nee, haar raam staat open."

Ze gleed de trap af, strompelde den winkel door, waar de japonnen

en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen huigen. Gerard en

Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig deed ze de deur

weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. Beerenstijn

schonk haar 'n glas water in, maar ze weerde 'm af: "Is-tie gevonden?"

"Ja, bij Leiderdorp," zei Gerard zacht.

"Verdronken?"

"Nee, 'n schot."

't Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; Beerenstijn

zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in 'n nevel. Toen

hoorde ze z'n stem, steeds duidelijker, vlak aan haar oor:

"Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink eens." Hij zette

het glas tusschen haar klapperende tanden.

"Het is niets," zei ze, terwijl ze op de canapé ging zitten. "Is

't zeker?"

"Ja, er is 'n groot couvert in z'n zak gevonden aan mij geadresseerd."

"O; wié heeft 'm gevonden?" Ze verbaasde zich over haar helderheid

opeens.

"Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We gaan

straks nog 's hooren."

Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in 'n glas water

gemengd. "Dit moet je eerst opdrinken," zei hij, zacht-beslist,

"en dan naar bed gaan."

"Weten de anderen 't al?" vroeg ze, zonder belangstelling.

"Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is niets meer,

waarop je hoeft te wachten."

"Nee, dat is waar," zei ze slap, de deur openend.

Op 't portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; maar

't drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal 'n hand.

"Ga nu dadelijk naar je slaapkamer," beval Beerenstijn, en ze knikte,

wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens zacht de trap

af hoorde gaan.

Ze kwamen 's middags,--een, twee tegelijk,--langzamerhand allemaal naar

haar kamer toe. Eerst Lou en Coba, die 't op college hadden gehoord,

bleek, geschrikt, met behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer,

en Rolands; Frieda 't laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er

afgetobd en gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag,

om 't aan z'n vader te gaan zeggen, "beroerde geschiedenis," bromde

De Veer, "ze lagen zoo'n beetje overhoop met elkaar," en Eduard was

met Gerard naar den burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te

halen, en de begrafenis te regelen.

Ze zaten stil om de tafel, als 'n troep bedroefde kinderen; praten

deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij

elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in

de kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met 'n snik;

ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om 't klaar te

krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht tegen 't gordijn,

uitgeput, verslagen.... Ze begreep 't nog niet; ze had nooit iemand

verloren, die ze goed kende; ze had geen idee wat het: "nooit weer"

eigenlijk beteekende. Ze betrapte er zich op, dat ze telkens even

dacht: waar blijft Hans? of z'n stem meende te hooren in den winkel

beneden; hij ontbrak immers nóóit op 'n vergadering....

Rolands zat op de canapé, ineengedoken als 'n klein, ziek poesje; z'n

triestig gezichtje drukte angstige verbazing en schrik uit, en hij

schudde telkens z'n hoofd, zuchtend: "Hans Elders--De beste van ons

allemaal. De flinkste. De sterkste." En dan opeens als 'n besluit:

"Maar als die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij 't dan

uithouden, die zooveel minder zijn?"

"Frits," zei Coba met nadruk, "het is dwaasheid, wat je zegt." Maar

Frieda keek 'm aan met ongewone zachtheid in haar donkere oogen,

en zei: "Dat we beneden Hans staan, zullen we wel allemaal moeten

bekennen... Z'n leven is voor ons een voorbeeld geweest. Maar

al hebben we niet 't recht hard te zijn: z'n dood was zeker 'n

misslag. Daarom zou 't wel heel verkeerd zijn, als wij, die 'm in

't goede niet navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten

we liever hopen, Rolands, dat we nog 'n heeleboel tijd overhouden om

ons zelf beter te maken."

"Ik ben daarvoor niet op den goeden weg," klaagde 't bruintje

weemoedig.

"Laat dit dan 'n keerpunt in je leven zijn."

De Veer trok zich zuchtend recht op z'n stoel. Hij had 'n gezonden

afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de narigheid

van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak náást z'n

eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem 'n geduchten schok gegeven,

'n vreemd gevoel van ijdelheid en vergankelijkheid, van veel schijn en

geveinsheid bij alles, wat hem zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes

van de juffrouw, die binnengeslopen was, noch 't komische kindergebler

van beneden kon z'n sombere stemming breken.

Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen

zitten, praatten met doffe stemmen over "de oude heer, die er zoo

kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd was."--

"Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de brieven?"

"Nee."

"Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal 't wel goed gemaakt

hebben natuurlijk."

"Wist-ie niets?" vroeg Go, en begon weer te snikken, als ze zich

den ouden man voorstelde, alleen in z'n huis, die opeens hoort:

"uw zoon... dood." Ze klemde krampachtig de handen voor haar gezicht.

Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze

fluisterde: "Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou

niet," en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder.

"Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij mij,"

vroeg Han, "dan weten we, wat in de brieven staat." En toen tegen Go:

"Ik heb 't Else geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo

van Hans."

"Dat deed iedereen," zuchtte De Veer, overtuigd.

's Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en nerveus,

praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend met

papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of ze

geslapen had;--en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles geregeld

zou worden voor de begrafenis.

"Als z'n vader er niet tegen is, wilden we 'm naar Warmond laten

brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide kerkhof."

"Wàs er 'n brief aan z'n vader?"

"Ja, we hebben 'm vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo blij mee."

Eduard zat naast Go; hij leunde z'n bleek hoofd op z'n handen, de

oogen gesloten, en om z'n mond trokken lange, moeë strepen neer.

"Was-tie dadelijk....", vroeg ze zacht aan Gerard, "of zou hij nog

pijn hebben gehad?"

"Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om

één uur."

"O, dus gisteravond nog... Als we toèn...."

"Zoo moet je niet praten," zei Beerenstijn, medisch-beslist, "'n mensch

is altijd geneigd allerlei bijkomstigheden de schuld te geven: àls

we ons maar meer met 'm hadden bemoeid, àls we 'm maar minder alleen

hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. Dat is

onzin. 't Is 'n ziekte. Als we 'm er nú van terug hadden gehouden,

zou hij 't de volgende gelegenheid hebben gedaan. Misschien met

'n halfjaar voortdurende observatie was hij er over heen gekomen;

maar tòch: dat verlangen naar den dood,.... zonder dat er reden voor

is.... Hij hàd geen enkele reden---"

Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door,

verdiept in z'n lievelingsstudie:

"Een van de treffendste voorbeelden, dat 't doodsverlangen bepaald 'n

soort waanzin, 'n idée fixe is, is 'n werkman, getrouwd, met kinderen,

niet ongelukkig, alleen heel nerveus, die opeens op 'n middag zich den

hals afsnijdt.... Enfin, 't mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen,

met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en

kinderen komen 'm verheugd van 't ziekenhuis halen; hij gaat mee naar

huis, 's avonds is hij niet te vinden, en na lang zoeken, vinden ze

'm op den zolder aan 'n balk bengelen.... opgehangen."

De Veer knikte, dat hij 't ook wist; maar Go barstte in 'n zenuwachtig

lachen uit: "Och Otto, 't is niet waar. Praat toch niet zulken

onzin.... 't Is zoo idioot, als die menschen al hun zorg hebben

besteed, maanden lang, om 'm beter te maken, en als hij dan...."

"Toch is 't waar," besliste Beerenstijn, "en dit is de eenige oplossing

van zooveel duistere gevallen...."

"Maar Hans beschouwde 't toch zelf niet als 'n ziekte-geval."

"Nee; natuurlijk niet," en Eduard gaf Go z'n afscheidsbriefje; hij las

over haar schouder mee. "Is 't niet heelemaal Hans," zei hij zacht,

"dat ons zelf nog over z'n dood willen troosten: "Jullie moet niet

denken, dat de laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk

zijn. Wel de onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet

wilt sterven. Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als 't besloten

is, dan is 't net, of je er al niet meer bent."

En dan dit: "Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak over

het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon

hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging

vinden kon. Daarom is 't beter zoo. Waarom zou er één mee-eten, en

mee-ademen en mee-streven in deze overvolle wereld, als hijzelf niet

dankbaar om z'n bestaan kan zijn, en anderen 't brood ontneemt?""

"'t Is zoo logisch, hè," peinsde Eduard, "maar er móet toch iets

mankeeren aan 'n levensleer, die tot zelfvernietiging leidt. Wàt 't

hier is, weet ik niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig..."

"Hij was de beste van ons allemaal," zuchtte Rolands, en hij huilde,

stil en nederig. Lou gaf 'm eau-de-cologne, en Coba, die van mevrouw

'n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, bereidde voor ieder

'n glaasje van 't melkige vocht, "toe, heusch, dan slapen we vannacht

tenminste."

Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat

hij 'm nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z'n lieve gezicht,

verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond bij de slapen.

Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst

voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in 't donker.

Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den

avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het balkon. Else

was naar Parijs gegaan,--Hans... wie nu? Wie zou nu 't eerste

uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een na den ander, naar

verschillende steden, naar vreemde landen, in allerlei betrekkingen,

hooge en lage;--alleen de studietijd bracht zóó verschillende menschen

bij elkaar.

Er zou 'n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; zij,

eens één in vreugde; en nu vereend in 'n groote droefenis.

Een Meisje-Studentje · 第 29 / 39 题