Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een
kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten
opgestapeld waren, en er naast was 'n bakker; de bakkersjongens zaten
in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes
naar de ramen.
De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het
stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door
de smalle straat, en 's avonds láát nog joelde het ruwe gelach naar
boven van flaneerende fabrieksmeiden.
Ze dacht wel 's, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar
keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud
genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer te
zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in
studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die "geen dames
namen," had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw "er maar
één hebben kon, en heer of dame was gelijk." Maar nu ze er zat,--'t
viel niet mee; 't huishouden slonzig,--de juffrouw.... ze wist niet,
't zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, maar
ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo triestig
's morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald gezang van de
oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en ongezellig
zou zijn, met 't muffe luchtje, zonder zon.
Het deed haar 's middags treuzelen weer naar huis te gaan, omdat ze
't binnenkomen van die kamer, waar ná haar niemand meer was geweest,
zoo ellendig vond; en 's avonds kon ze vaak niet werken van het
luisteren naar de stilte van het huis.
Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel
dikwijls bij Lize koffiedrinken,--een ei en 'n paar appels in de mouw
van haar mantel, haar broodje onder den arm,--maar die was toch zoo
heel anders, al had 't engagement met Hoefman haar zachter en rustiger
gemaakt. Ze kwam ook 's avonds wel bij andere meisjes theedrinken,
nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze ook dáárin geen
lust, omdat het haar toch niet bevredigde; ze wist altijd vooruit,
hoe het zou gaan: de hartelijke ontvangst: "wat leuk, dat je komt,
ik ben juist zoo alleen; gauw theezetten,"--dan getob met water en
'n spiritusstel, zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik
van rustige, breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis,
waar ieder bezoeker dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer
de lange vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal
had ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun
gehuishoud maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten:
het thuis, de familie, de moeder.
En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven 't gejoel
van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar 't
station ging, naar huis.
"Laborando Vincimus" begon z'n vergaderingen pas weer ná de inauguratie
van de nieuwe corpsleden, en de groentijd was nog in vollen gang:
schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs de huizen gedrukt,
over de straat, en soms ook kwam ze 'n heele kudde tegen, opgedreven
door 'n paar studenten met wandelstokken, die ze leerden hard-loopen,
of marcheeren.
Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en vertrouwelijker
dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang met moeder had
zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde over Hans,
die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en als je
hèm ging opzoeken, je binnen 'n kwartier weer buiten de deur had gezet,
omdat hij nét zoo goed ín z'n werk was.
"Komen jij en Lou en Coba dan tenminste 's bij me koffiedrinken, met
Han en nog een paar.--Komen jullie drie October: dan is er muziek op
de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk en gemoedelijk."
Ze had 't aangenomen, en toen voor 't eerst na de vacantie Eduard
weer gesproken. Ze had 'm wel al eens gezien: 't was geweest bij
de inauguratie-rede van 'n professor van de juridische faculteit,
toen hij als faculteits-praeses achter den senaat was binnen gekomen,
en ze, ondanks de statigheid van de pedels met de zilveren bellen, de
professoren in toga en de oude curatoren, die in de eikenhouten banken
hadden gezeten als deftige patriciërs uit de zeventiende eeuw, niets
zóó imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden
rok, z'n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het
sterk-vaste kijken van z'n donkere oogen.
Nu kwam hij Gerard's kamer binnen, samen met De Veer, die in uitgelaten
joligheid ronddanste op 't kopergeschetter, dat van beneden opklonk. Ze
trachtten Gerard over te halen om 's avonds mee te gaan naar de kermis
op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm over praatte, riep Wim
de meisjes bij 't raam, weer schaterlachend om 'n vuurrooden kerel,
die het vaandel van 'n aanrukkende muziek-bende torste.
"Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! Toe dan jongens,
mooi zoo, blaas d'r maar op los! Wie 't maar 't hardste kan! Kunstmin
tegen Apollo! of hoe ze heeten mogen!"
En z'n heele lijf was in beweging van dol plezier om die lollige lui,
die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon schitterende
hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende wangen.
"Kunnen wij niet mee naar de kermis?" vroeg Go, ineens in
feeststemming.
Gerard schudde lachend 't hoofd. "Ik denk eer, dat de dochters van
je juffrouw er naar toe zullen gaan."
"Maar jij komt toch," drong Wim, "Rolands gaat ook, dan zijn we met
z'n vieren."
Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet,
waarmee ze zich zouden vermaken, in 'n tuin met 'n paar kramen
en.... de dochters van hun hospita's. Maar Wim vertelde van de
draaimolen, en "waarachtig kerel, je moet mee, er is 'n schiettent ook,
en je kunt met halters werken." Dit stelde haar weer gerust, al vond ze
het niet prettig, dat Rolands er bij zou zijn; en 't koffiedrinken met
haring en wittebrood, dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk
en ongeregeld, omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam,
en allen dan jubelend naar de ramen vlogen.
Maar toen 's avonds het brallende gezang uit de smalle straat opsteeg,
dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate 't later werd,
had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen
't venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen,
vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht.
Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere
voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,--stemming, waar
ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,--toen opeens Gerard
binnenkwam, 't gezicht bleek, de blauwe oogen onrustig wijd-open.
"Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs vertellen."
"Eddy!" gilde ze, de handen uitstrekkend.
"Nee, Hans," antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden schrik in
haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, vroeg ze:
"Wat is er dan? Is hij ziek geworden?"
"Hij is al twee dagen zoek. Z'n juffrouw is 't vanmiddag bij
Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust geworden,
omdat-ie wel 's meer uitbleef; maar nu twéé dagen!"
"Maar kan hij niet naar huis toe zijn?"
"Nee, Hoefman had gisteren nog z'n vader gesproken."
"God, denk je aan een ongeluk?"
"Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt 'm niet meer gezien na de
vacantie, wel?"
"Nee, 'k heb 'm niet gezien. Wat moeten we doen, Gerard?"
"Ik wilde nu naar z'n kamer gaan, en daar 's alles
doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert."
"Ik ga mee, 'k ben klaar." En ze draaide de studeerlamp uit, stond
even onzeker in 't duister: was dit de reden van haar onrust van de
laatste weken, was dit 't vreeselijke, dat gebeuren moest?
"Maar ik geloof 't toch niet, jij wel?" begon ze buiten, weer met
'n hoopvoller stem, "hij was altijd zoo opgewekt, hè? God, 't is toch
pas twee dagen.... hij kan ergens bij familie zijn."
"Ik weet 't niet.... O, vroeger deed ie 't wel eens meer. Ik heb 'n
jaar met 'm samen gewoond; dan zat hij soms eerst 'n beetje stil in
'n hoek,--mopperen of klagen deed hij nooit,--en dan opeens liep hij
naar de deur, waar 'n groot treinenplan hing; hij keek op z'n horloge,
ging na, waarheen hij 't eerste weg kon, en dan met 'n eenvoudig:
"Dag kerel. Ik moet er uit," trok hij er van door, kwam na 'n paar
dagen dood-op, maar veel opgewekter weer aanzetten."
"O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen was,
heeft hij 't niemand kunnen zeggen."
"Mij leek 't meer de onrust van 'n eerstejaars;.... later deed hij
't niet meer, ofschoon hij altijd aanvallen hield, dat "'t 'm te
benauwd werd", zooals hij 't noemde, maar dan ging-die 'n eind roeien
of fietsen, of naar 'n mooi concert;--dat hielp ook altijd wel."
Ze waren nu aan z'n huis gekomen en zagen licht op z'n kamer. "Zou
hij?" hoopte Go, maar de juffrouw vertelde huilerig, dat meneer
Beerenstijn boven was; wat zij er toch van dachten, "zoo'n dierbare
meneer."
Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de
laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in
de boeken, en nooit er 's uit, de heele vacantie door op z'n kamer
gezeten, en 's avonds, als 'r man en zij naar bed gingen, vast nog
't licht op, en als ze 's ochtends beneden kwam, meneer dikwijls
nóg voor z'n schrijftafel met 'n kop koffie en 'n bleek gezicht,
waar je akelig van werd.
Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z'n hand in z'n
haar. "Er liggen dagboeken," zei hij, "maar je begrijpt, dat ik daar
nog niet in kijken wil; verder niets dan cahiers met aanteekeningen,
van wat hij den laatsten tijd gelezen had;.... kijk maar 's even."
Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs
de ruggen, schudde somber het hoofd: "Wat 'n zware kost allemaal,
en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, Otto?"
Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te
nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen;
ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z'n klok; en toen
draaide ze zich opeens om naar Gerard: "Hebben jullie eigenlijk al
's op z'n slaapkamer gekeken?"
"Nee; waarom zouën we?" maar ze gingen toch; ze hoorde de sleutels van
de kasten knarsen, en Beerenstijn's stem, die zei: "'t Is dwaasheid,
hij zal zich hier waarachtig niet verstoppen;... maar och, 't kan
toch nooit kwaad, en we weten niets anders meer."
"Was hij nog bij iemand geweest?"
"Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is 'n week geleden. Hij was
er maar even, om 'n boek terug te brengen."
"Wat zouën we nu doen? Weet niemand van 't corps iets?"
"Neerwinden is bij al z'n intiemere vrienden geweest."
Go luisterde naar de juffrouw. "Hij was 's 'n nacht om drie uur met z'n
fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk bemodderd teruggekomen. Toen
had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat 't dan zoo mooi was buiten."--
"We moeten 't nu aangeven," zei Beerenstijn. "'t Is wel beroerd en mal,
als er niets is, maar langer afwachten..."
"We konden ook zelf gaan zoeken."
"Dat kunnen we tóch doen, vannacht."
"Toe, neem mij mee," vroeg Go beverig.
"Nee; Gerard gaat naar 't politiebureau, en ik breng je thuis. 't Zou
geen zín hebben, en ons hinderen, als jíj er bij was." En hij praatte
nog even zachtjes met de juffrouw in de gang, sprak af met Leeden,
dat ze elkaar bij Neerwinden zouden vinden.
"Maar je dénkt toch niet?" smeekte Go, in 'n wanhopig verlangen gerust
gesteld te worden. "Hij hield toch zoo van al het mooie in 't leven. Ik
weet nog, dat we 's samen over 't Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat
je toch wel een ingeroest-ondankbare, onverbeterlijke pessimist moest
zijn, als je, wanneer je 't Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets
anders voelen kon dan 'n diepe, blije dankbaarheid, dat je leefde."
Beerenstijn haalde de schouders op. "We wéten op 't oogenblik niets,
en 't is nutteloos ons in supposities te verdiepen. 't Eenige, dat
we kunnen doen, is handelen en afwachten. En 't zou heel dwaas zijn,
ons al vooruit náár te maken," en hij wierp 'n afkeurenden blik naar
Go's betraande oogen.
"Waar gaan jullie heen?" vroeg ze zacht.
"Ik weet niet, ieder 'n andere richting, hier in den omtrek."
"Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg."
"We zullen 't Eduard voorstellen; dan moet hij iets van 'm ruiken,
eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of setters..."
"We zijn 'm 's 's avonds langs de Haarlemmertrekvaart
tegengekomen;--hij liep alleen, en toen kéék hij wel somber."
"Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;--kom even
mee!" en hij ging 'n apotheek in, bestelde Hoffmandruppels: "Dat moet
je innemen, zoodra je thuis bent, en dan naar bed gaan; opblijven
dient nergens toe."
Ze knikte onverschillig, praatte weer: "Op die picnic was hij toch
ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij
wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd
z'n oogen stonden?"
"Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet
fantazeeren. Je slaat 'n mal figuur, als hij morgen weer terug komt."
"O, dus je denkt toch ook...."
"Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de winkel
nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder."
Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek
zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten,
tot de jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze
nu toch niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun
stemmen in de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben.
Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en
die opgewekte klank in z'n stem, en z'n lachen. En z'n hartelijke
eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. Maar natuurlijk zou hij wél
een ongeluk gekregen kunnen hebben, ergens buiten, waar niemand langs
kwam, of in 't water zijn gevallen;--maar 't hoefde toch heelemaal
niet zoo iets ergs te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn
getrokken. Toch was 't iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand
die zich altijd zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten,
ofschoon hij niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd 'n
sluier van opgewekte gelijkmatigheid over z'n dieper leven heen;--God,
àls hij daaronder eens erg geleden had, en geworsteld met zichzelf
en nù ondergelegen. Er wàs iets onder zijn woorden, achter z'n lach;
dat lag soms éven in z'n oogen, als 'n onrust; dat gleed soms over
z'n gezicht, als 'n schaduw. Als z'n heele leven eens één strijd was
geweest tegen 'n groeiende melancholie, als hij 's vergeefs overal
had gezocht naar een waarheid, die hem bevredigen kon.
Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was
eigenlijk zoo duidelijk. Alle kleinigheden, die ze zich van z'n leven
herinnerde: z'n bleekheid op Eduard's examen, toen hij den zonsopgang
had gezien: z'n uitgelatenheid en dán weer z'n stil-zijn op de picnic,
en 't nooit éven willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles
wees op 'n verwoeden strijd met 'n donkere macht, die ondanks 't verzet
sterker in hem werd.--En tòch:--het zou bijna bovenmenschelijk zijn,
als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat hij er nooit iemand
over had gesproken, ja, juist degene geweest was, die de anderen altijd
opwekte en aanzette. Was het niet tè romantisch te denken aan 'n zóó
moedig volgehouden comedie tot 't einde toe;... maar de laatste weken
had hij niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z'n kracht
op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer gezien...
Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde 't kloppend hoofd
tegen den harden muur.
Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je zoo'n besluit
nàm. En als 't eenmaal vast-stond, hoe vreemd 't dan zijn zou te
denken, bij elk banaal kleinigheidje, dat je deedt: voor 't laatst,
voor 't laatst.... Als je je liet scheren,... als je ging eten.... En
dan 't afscheid van je kamer, die je nooit meer zou zien; en 't
denken aan al de menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan,
en ergens, waar 't heel stil is, gaan zitten en je heele leven,
àlles nog 's overzien--en dàn--
Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het kòn niet;
ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog niets. De jongens waren
niet terug;... misschien was hij wel naar Amerika gegaan;... de wereld
was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den zwerversgeest.---
Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. Ze
liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam
in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn
bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek
gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker
was licht op, en eens kwam 'n troepje luid-pratende studenten voorbij.
Toen 't dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en waschte
haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, maar
bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te rijden, en
fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen pantoffels,
de handen onder de uitstaande schorten.