"Ik niet. Ik vind 't natuurlijk. En ik geloof ook, dat er dingen zijn,
die meer waarde voor je krijgen, naarmate je zelf beter wordt. En
daarvoor moet je lang leven."
"'t Komt wel allemaal hiér op neer," zuchtte Eduard, "dat ik zelf
niets dan aantrekkelijkheden voor-'n-oogenblik heb; geen fond, dat
altijd waarde houdt."
"O, wijze man; meen je jezelf te kennen?" plaagde Go. En met 'n
heerlijk-vertrouwend lachje staarde ze over 't lichte land, of ze in
de toekomst zag.
"Laat mij nu voor 't laatst theeschenken," had Else gevraagd, en
terwijl ze bezig was met de trekpot en 't water, zaten ze allemaal
stil naar haar te kijken, en te denken, dat ze haar waarschijnlijk
nooit meer in hun midden zouden zien.
De dichte kruinen van de boomen om hen heen maakten het balkon al
schemerig, maar de hemel er boven was nog zilverig-wit, met ijle
wolkveegjes aan de kanten. Ze hadden voor Lou 'n makkelijk stoeltje
gevraagd, en die zat daar nu stilletjes te genieten, de vlecht om
haar hoofd gelegd op Gretchenmanier.
Lize leunde, de oogen verre, over den balkonrand, terwijl Hoefman
zachtjes tegen haar sprak.
"Ik wist het eigenlijk van 't eerste oogenblik, dat ik je zag. Ik
voelde 't dadelijk."
"Maar ik begrijp 't niet. Ik ben toch leelijk."
"Voor mij niet. Ik zie door de vormen van je gezicht heen."
"Het is zoo vreemd, zoo nieuw. Ik had nog nooit aan zoo iets
gedacht...."
Else ging rond. "Ik hoop, dat ik goed aan al jullie speciale smaken
heb gedacht.... Rolands slap en Gerard veel melk, en Frieda geen
suiker.... Zoo. Waar blijft Neerwinden toch met z'n city-bag? Wil
hij zelf 't lekkers opeten?"
"Hè, menschen," zuchtte Coba diep. "Hier moesten we nu tot
morgenochtend kunnen blijven."
"Ik denk, dat Lou in dien tusschentijd 'n lekker dutje doen zou,"
plaagde Gerard. "Kom, laten we wat zingen, om de kleine kinderen
wakker te houden."
"Ja, wat? wat?"
"Uit de Liederschatz natuurlijk." En Eduard zette in met z'n klankrijke
baryton: "Morgen musz ich fort von hier, musz ich Abschied nehmen."
Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend
de simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven weemoed,
klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, die opeens
niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de levendige
gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, in het licht
stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat oogenblik allemaal waren; hoe
harmonieus hun stemmen klonken uit de harmonie van hun jeugdig-bewogen
zielen. Hielden ze op dat oogenblik niet allen van elkaar als broers
en zusters van 'n groote familie? Waren hun gedachten niet mooi en
zacht en open, als de avond, als het kinderlijke lied, waarin ze hun
ziel uitzongen?
Ze dacht niet in 't bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart wijd
worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich heen, en toen
't uit was, zei ze zacht uit den grond van haar hart: "Hè, we moesten
ons heele leven bij elkaar kunnen blijven."
"Nou, maar zou dat niet kunnen?" riep Gerard levendig. "Zouden we ons
niet voor 't een of ander kunnen associeeren, wij allemaal gestudeerde,
knappe lui.... 'n kostschool b.v."
"We zouden, om met mezelf te beginnen 'n classicus hebben," peinsde
Hans, "'n natuurkundige, één, twee, drie, vijf, zes doctors in de
Nederlandsche letteren;.... dat is wel wat overdadig."
"Nee, ik zorg voor 't huishouden," regelde Go.
"Misschien ben-jij dan de eenige, die wat te doen heeft;... twee
medici... twee meesters in de rechten."
"Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de
leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk
nooit krijgen."
"O, maar dan zijn jullie getrouwd," bedacht Gerard opeens, Else
teleurgesteld aanziende.
"Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd met alles
meedoen."
"'n Tijdschrift," bedacht Hoefman, "voor wetenschap en kunst."
"En daarin al jouw verzen als kunst," plaagde Wim, "we hebben je in
de gaten hoor, mannetje."
"Nou maar 't is waar," vond Frieda, "dat 'n tijdschrift verstandiger
dan 'n kostschool zou zijn. We zouden ieder artikelen over ons vak
kunnen schrijven; medische, etymologische, rechts-kwesties; Hoefman
voor 't kunstgedeelte,--"
"En jij voor de rubriek: kinderkamer," zei Han zacht tegen Else,
en streek even ongemerkt over haar haar.
"Nee, 't beste, verreweg 't beste zou zijn, als we 'n variété
vormden," pleitte Wim met toewijding. "We hebben lui met aardige
stemmen; ik kan 'n wandelstok op m'n neus laten balanceeren en met
eieren ballen... Gerard loopt op z'n handen; de meisjes kunnen wel
's iets als 'n ballet geven, Hoefman kan declameeren--Rolands--"
"'n Slangenmensch," sloeg het lenige zwartje voor.
"En in 'n kermiswagen, Wim?" vroeg Coba.
"Ja, of met den trein en in hôtels, al naar 't ons lukt. En op de
affiches. "Dispuut Laborando vincimus" uit Leiden."
"Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet. We moeten voorloopig
allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het tijd
voor den trein."
"Hè Han, is er geen latere?"
"Ja zeker; we zitten hier in 't middelpunt van spoorwegen. Er gaan
hier, geloof ik, drie treinen op 'n heelen dag."
"Rosenstock, holder blüth'," stemde Hans nog 's in, maar niemand
volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen weg, en treurden al om
't afscheid, terwijl ze nog samen waren.
"'t Is zoo vreemd," zei Go zacht tegen Eduard, "dat ik nu vanavond
weer thuis zal zijn, en dan maar één dag weg geweest. Dat morgen weer
alles als gewoon gaan zal, één dag van de lange, lange vacantie!"
"Och, waarom vreemd?"
"Het was zoo heerlijk. En 't lijkt zoo lang geweest. 't Is zoo
wonderlijk nu zóó uit elkaar te gaan."
"Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan 't eind van
'n partijtje hebt meegemaakt, dan is 't eigenlijk niet zoo wonderlijk
meer."
Hij zag, dat z'n woorden haar hinderden, plukte droomerig 'n paar
bloemen af. "Vin-je ook verwonderlijk, dat die morgen verwelkt zijn?"
"Nee, alleen maar treurig," antwoordde ze.
Aan 't station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han en
Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen;
Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z'n blikje door 't
raam in den coupé, nog pratend:
"Als 'k in Rotterdam kom, kom 'k je mama 'n bezoek brengen." Eddy riep
tegen Han, zag Go's oogen niet. Maar toen de trein zich in beweging
zette, begon Hans met volle stem:
Si l'on est si bien ensemble,
On ne devrait jamais se quitter.
Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes
flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens 't hare terugtrok,
ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar gezicht.
"Zóó'n dag komt nooit terug," zei ze zacht tegen Lou, "zóó zullen we
nooit meer allemaal samen zijn."
De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad
van vreugde.