"Hallo!" schreeuwde De Veer, en zwaaide met z'n kussensloop, toen
hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, in 't oog kreeg.
"Prachtig weer; kom er uit, dames," ontving Gerard, "kijk, daar zijn
de anderen."
"Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, dat is
nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies 'n boer."
"Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? mag ik
's ruiken aan je koffertje, Elsi? En 'n blikje...'t is verleidelijk."
"Daar is Han met de taart;.... kerels, wie heeft de boter en de
brooden?"
"Ik; daar liggen ze.... ik wilde me niet vooruit al zoo opladen.."
"Hè, wat 'n flauwe vent; gauw, 't is juist zoo aardig." En Hans hing
de grijze boterpot over Gerard 's rug, bond de broodstokken om z'n
schouders.
"Ha... daar zijn Lize en Frieda met Hoefman. Wat heeft die man?"
"Kom 's hier, Louistje, laat je pak 's bevoelen."
"Nee, kerel, blijf af; 't is 'n geheim."
"Kon-je toch komen? Wat gezellig," praatte Go tegen Lize; "'t is
'n heele club, hè?"
"Nou wordt 't toch tijd, lui; daar is Beerenstijn... o, met de
flesschen om z'n hals... Coba... Kom, we gaan naar den trein, hoor."
"Rolands nog... en Eduard... zeg, die zouden toch allebei komen?"
Go leunde zenuwachtig uit 't portier; 't was nog maar één minuut en
ze zag niets op 't perron.
"Er zijn menschen, die nou altijd te laat moeten komen," bromde Gerard,
en de Veer gilde: "Chef, de trein kan nog niet vertrekken; er moeten
nog twee heeren mee.... vervloekte kerel, nou gaat-ie tóch fluiten."
"Daar zijn ze; hiér, hier; geef óp je taschje! Wat zijn jullie op
't laatste nippertje; dat scheelde 'n haartje; daar gaan we al."
"Der herr professor giebt heut' kein collegium," zong Hans 'n troepje
veeboeren toe, die hen verbaasd nastaarden, maar Wim raadde 'm aan
niet zoo ver uit 't portier te hangen, want dan zou hij wel 's niet
in de coupé terug kunnen: met veertien lui was 't wel wat erg vol.
"Neerwinden, vent," bewonderde De Veer, Eduard aan alle kanten
omdraaiend. "Je ziet er uit, of je naar 'n diner toe moet.... 'n
keurig pak, 'n mooie das, 'n hoed;... maar waar is de proviand bij
jou? Want wij, proleetjes--en hij accentueerde z'n titel door z'n pet
scheef te zetten--zijn natuurlijk wel gevleid, als er zoo'n meneer
mee gaat.... Maar we kunnen er niet van eten."
"Alles zit in m'n city-bag", antwoordde Eduard, wat luid gelach
veroorzaakte, waarbij allen zich geroepen voelden, hún bagage te
laten bewonderen.
Lou ging rond met flikjes: "Toe, nemen jullie vast; het hindert me
zoo in m'n zak."
"Mooie methode;... zullen we nu ook maar meteen de brooden en den
wijn en alles opmaken, omdat dat makkelijker meedragen is?"
Else fluisterde met Han, dat ze de rijste-pudding heelemaal zelf
gemaakt had. "Met 'n kookboek; dan is er niets aan; we konden echt
dádelijk trouwen."
"Uitstappen, dames en heeren! Wie iets laat liggen in de coupé, wordt
zonder pardon teruggestuurd, om het te gaan halen... Zeg Gootje,
is jouw pakje zwaar? Wil ik 't dragen?"
"Wel nee, Gé; op 'n pic-nic hoort zoo'n beleefdheid niet thuis. We
moeten ieder ons eigen boeltje sleepen."
"Regelingscommissie, wijs den weg. We zullen overal volgen."
"Allons enfants de la patrie!" juichte Hans, aan het hoofd van den
stoet stappend, de roode zak triomfantelijk slingerende.
"Ik heb idee, dat de heerlijkheden, die hij mee-heeft, straks 't
meeste op hutspot zullen lijken," peinsde Rolands, en Go, die eerst
aldoor 'n beetje op 'n afstand van 'm was gebleven, kwam nu naast
'm, en hielp 'm moederlijk de taartendoos wat ophijschen. Eduard had
haar weifeling gezien en begrepen, wat ze gedacht had; hij kwam nu
bij haar loopen, om te vertellen, hoe z'n juffrouw alle boodschappen
vergeten of verkeerd gedaan had.
"Ik was van ochtend eenvoudig radeloos; ik dacht niet, dat er kans was,
dat ik mee komen zou."
"'t Zou zoo jammer geweest zijn... Het is hier mooi, hè?"
"'t Lisser bosch is heerlijk; daar kampeeren we natuurlijk."
"Proviand is er genoeg."
"Ja maar, zoo'n dag kun-je eten."
Er werd halt gecommandeerd, omdat Lou met krijgertje spelen haar
haar in de verzakking had gebracht. Frieda kwam dadelijk helpen,
terwijl Beerenstijn, als hors d'oeuvre, al vast met radijsjes en
rauwe peentjes rondging.
"Je hebt je haarspelden verloren."
"Haarspelden-zoeken! Haarspelden-zoeken!"
"Ach, nee, laat je vlecht maar hangen! 't Staat wezenlijk heel gewoon
bij je backfisch-gezicht."
"Zooals jij 't draagt, is 't toch ook niet eigenlijk opgestoken,"
peinsde Gerard, die zich steeds had verbaasd over haar kinderlijke
strik-coiffure.
"Zoo, je ziet er heusch niets van." Maar Lou liep toch dadelijk naar
Han, voor wien ze, als geëngageerde, 't meeste respect had, om te
vragen, of ze niet straks aan 'n dorp kwamen, waar ze haarspelden en
'n kammetje koopen kon...
Lize en Hoefman waren doorgeloopen, "alsof zíj den tocht regelen
moesten," terwijl Coba juist weer niet voort te krijgen was, omdat
ze aldoor bloemen wilde plukken.
"In 't bosch is 't vol bloeiende kamperfoelie... Kom nou," drong
Gerard.
"Chèvre feuille... caprifolio... de m... de m..."
"Och, beste kind, hou je wijsheid voor je, en loop toch door... Ik
kan hier toch niet 'n weerloos meisje alleen achterlaten."
"Het bosch, het bosch... nu kunnen we wel uit elkaar gaan, hè
menschen?"
"Als we tenminste een verzamelplaats afspreken tegen vier uur."
"Der herr professor giebt heut' kein collegium," juichte Hans weer.
"Ben-je moe, Hans?"
Hij liep nu al 'n heele poos zwijgend voor de anderen uit, gebogen
onder z'n zak.
"Wil-je m'n vracht verminderen? Wil-je 'n chinaasappel?"
"Ja, graag; maar daarom vraag ik 't niet. Je ziet er zoo afgetobd uit,
als 'n werker van Meunier."
"Nou ja, 'n beetje moe."
"Geef mij dan je zak."
"Welnee; 't is niet zoo erg, dat ik 't vervelend vind nog verder
te moeten, maar net zooveel, dat ik straks zal genieten, als we
zitten. 't Is wel gezond je lichaam 's moe te maken; dat gebeurt ons
niet dikwijls."
"Nee; wat leven we altijd vreeselijk ver van de natuur."
"Hé, kijk 's; daar duiken Hoefman en Lize weer op; maar wat heeft-ie
toch op z'n rug? Is-tie nat geworden? 't Pak is nou heelemaal zwart."
"Dichterlijke tranen kunnen daarheen toch niet loopen."
"O, menschen, nee; kom nou toch 's allemaal hier. Kijk toch 's naar
Louis! Zit er spek in, kerel? Nee, kijk toch 's, 't loopt langs z'n
pak! Beste jongen, wat heb je toch meegenomen?"
"'n Groote ham, wat is er nou?" Hij voelde zich wat gepiqueerd,
vooral, omdat hij Lize ook zag lachen.
"En die is gesmolten in de zon.... nee, idioot; die wordt
uitgebraden;..... al 't vet wordt vloeibaar."
"Wat moet er nou mee?"
"Maar stilletjes er mee doorloopen, we zullen zien, wat er van
wordt. Je pak is tóch bedorven."
"Hij heeft natuurlijk meer op Lize dan op de ham gelet," bromde
Beerenstijn tegen Hans.
"Maar Otto; met er naar te kijken, had hij toch 't smelten niet
kunnen voorkomen."
"Ik weet 't niet. Als er meisjes zijn, gaat alles altijd dwaas en
verkeerd. Kijk nou 's, dat heeten nou collega's, studiegenooten. 't
Is immers hier als overal die alte geschichte."
Han en Else liepen gearmd onder 'n grooten varentak; Lize en Hoefman
stonden nog over de ham te delibereeren en Eduard plukte kamperfoelie
en wilde roosjes voor Go, brak voorzichtig de dorentjes af, voordat
hij, met 'n blik van teederheid, ze haar in de geopende handen legde.
"Ja maar, tegen dit alles kun-je toch niets inbrengen, behalve als
je bent voor uitsterving van het ras. 't Is toch de natuurlijkste en
beste zaak van de wereld, als jonge menschen van elkaar houden gaan
en met elkaar trouwen..."
"Best; maar geen vrijerij onder den dekmantel van studie."
"Ik gelóóf niet, dat iemand hier de studie als dekmantel
gebruikt.... 't Is alles vrij openlijk."
"Ach, zwijg er maar over. Niemand geeft me hierin toch gelijk. Ik
ben tegen den tijdgeest."
"Dat is altijd 'n dwaasheid."
"Ja, zeg," lachte Gerard, "wat zouën onze grootvaders en grootmoeders
wel zeggen, als ze ons zoo 's konden zien."
"Ik denk, dat ze 't tóch aardig zouden vinden," meende Coba, "heeft er
ook iemand zwart garen? De Veer heeft de mouw van z'n jas gescheurd."
"Wat doe-je ook voor houthakker te spelen, Wim? O, wil-jij 't even
doen, Go?"
"Ik wilde een vuurtje stoken.... 'n boschvuurtje."
"Zoo, en dan 'n boschbrandje zeker?"
"Zeg, weten jullie, dat wij laatst brand gehad hebben?" zei Frieda,
"we brandden de bladluisjes van de planten af, en opeens vatte 't
gordijn vlam. Ik schrikte zóó, dat 'k naar de deur vloog, en toen
laaide 't natuurlijk vreeselijk, van de tocht, maar Mary Bruining--je
weet wel: 't meisje, met wie ik samenwoon,--trok 't af, en gooide de
karaf er over uit..."
"En toen?"
"We waren geassureerd, en hebben 't opgegeven. Er hangen nu keurige
nieuwe."
"Ben-je voorzichtig, dat je me niet prikt?" vroeg De Veer.
"Och, jongen; 't is geen heksentoer."
"Kun-je toch ook naaien?" bewonderde Eduard.
"Ja, natuurlijk. Dat kunnen wij, vrouwen, allemaal, om de inferioriteit
van ons verstand wat goed te maken; is 't niet, Beerenstijn?"
"Ik stel 'n vrouw, die goed naaien kan, hooger, dan 'n zoogenaamde
geleerde."
"Maar als ze nu allebei goed kan, zooals Go," drong Gerard.
"Dan zou ik zeggen: terwijl je m'n goed heel houdt, mag je zooveel
middelnederlandsche teksten opzeggen, als je wilt, máár: zachtjes."
"Zeg, gaan we nog wel eens verder? Of wilden jullie hier kampeeren?"
"Nee, nee; waarachtig niet! Wie neemt de leiding?"
Lou was moe; ze hing met 'n bleek, stil gezichtje aan Frieda's arm,
die haar gedachten resoluut trachtte af te leiden.
"Willen we 'n baar van takken maken, Lou, en je zoo mee dragen?"
"'n Volgenden keer nemen we 'n sportkar mee voor de invaliden."
Maar Han, die zich als praeses min of meer verantwoordelijk voelde,
ging naar haar toe om te vragen, of ze liever niet verder wilde. Eduard
werd gecommandeerd z'n city-bag te openen, en haar 'n slokje wijn te
geven uit den gemeenschappelijken beker.
Toen, zonder getreuzel, stapten ze recht door naar de plaats, waar
het maal gehouden zou worden.
Terwijl de meisjes het oude tafellaken, dat Coba van "mevrouw"
gekregen had, uitspreidden, en gehakt, rookvleesch, sandwiches,
pudding en flensjes--haar bijdragen--uitpakten, ontkurkten de jongens
luidruchtig de flesschen, en hielden 'n inspectie over de ham, waarvan
ze allemaal om de beurt met geveinsden griezel de handen aftrokken.
"Kom, wees nou niet zoo flauw," kwam Frieda tusschenbeide, die zag,
dat Hoefman 't geplaag wat vervelend ging vinden. "Hij zal even goed
smaken; wie 'm akelig vindt, hoeft 'm niet te eten. Geef maar 'n mes;
dan zal ik 'm snijden."
"Ja, wie heeft voor de messen gezorgd?"
"En voor de vorken?"
"En voor de vingerkommetjes? Heb jij die misschien in je city-bag,
Eddy?"
En toen het bleek, dat er niets was, behalve zakmessen; dat het
heele tafelgerei bestond uit drie kroezen en 'n paar papieren bekers,
danste Wim in het rond, in woeste extase, omdat ze gingen eten "als
de wilden"; omdat 't een pic-nic was, als ten tijde van Homerus.
Gerard en Go hadden samen voor Lou 'n bedje van jassen en mantels
gemaakt, waar ze 'n beetje stil moest blijven liggen, om straks, als
't eten klaar was, weer heelemaal frisch te zijn, en Hans bracht 'r wat
peentjes en ananas, om den eetlust op te wekken en 'r bezig te houden.
Intusschen zwoegde Coba op de brooden met 'n bot mes, Rolands naast
haar, om, als de boterham er bijna af was, 'm maar verder af te
trekken, en op den stapel in 't midden van de tafel te gooien. Frieda
hakte edelmoedig 'n tijd lang aan de ham, tot ze eindelijk, haar
glimmende vingers aan 't gras afwrijvend, decreteerde, dat wie
verder 'n stuk hebben wilde 't maar zelf moest snijden. Er kwamen
nog steeds verrassingen uit de sloopen en de tasch: gember, caramels,
'n blikje tong, geconfijte vruchten, bananen, 'n krentebrood; 'n pot
jam, koek met sukade.
"Ik zie wel, dat we straks nog weer beladen terug moeten ook," zuchtte
Hans, "ik geloof, dat ieder buitengewoon weinig vertrouwen had op
de goedgeefschheid van z'n buurman." En hij rolde zwaarmoedig z'n
dertig chinaasappels de tafel over, gevolgd door 'n blikje kreeft en
'n doos met pralines en fondant.
"'t Is goed, dat we 'n dokter, nee, laten we De Veer eens hoog
aanslaan: twee dokters bij ons hebben; ik geloof niet, dat de spijzen
erg harmonieeren," oordeelde Gerard.
"Ik practiseer vandaag niet," hijgde Wim, die met z'n tasch, 'n
boomstam en 'n jas 'n makkelijke zitplaats voor Go trachtte te maken.
"Zoo; daar is Lou met 'n rood puntje aan haar neus.... Alles in
orde? Ik commandeer: val aan."
"Boterhammen genoeg, maar hoe krijg-je met je veertienen de boter
uit ééne boterpot?"
"Ik begin met de sandwiches; die zijn kant en klaar."
"Hé, dat smaakt; hebben jullie allemaal ook zoo'n honger?"
Gerard sneed voor Go 't gehakt, reikte haar op de punt van z'n mes
'n homp over.
"Ik denk niet, dat ons gesprek levendig of interessant zal worden,
vóór we de tiende boterham achter de kiezen hebben."
"Dit zwijgen is zeer veelzeggend," verzekerde Hoefman, "boter!"
"Smeer je boterham met 't vet van je jasje."
"Wie wil kreeft hebben?"
"Hoe krijg-je die binnen?"
"Je gebruikt 'n boterham als bordje, en hapt 'm zóó er af."
"Hè; ik kom 'n beetje bij."
"Gaan we de taarten snijden?"
"Nou, die van Rolands is leelijk verzakt."
"Snij 'm met bodem en al; dan hebben we tenminste wat vastigheid."
"En nou?" vroeg Go onzeker aan Eduard.
Hij haalde de schouders op. "Nu moeten we zien 'm naar onzen mond te
krijgen, maar hoe?"
"Nu kun-je toch 's zien, hoe verworden we zijn. We zijn zoo aan vork
en lepel gewend, dat we niet eens meer zonder kunnen eten. Hoe deden
de ouden 't nou?"
"Ik denk niet, dat die verzakte taarten met room en confituren aten."
"De algemeene invoering van de vork is nog niet eens zoo heel lang
geleden," leeraarde Gerard; maar Coba juichte: "Ik weet 't. Je schuift
je taart 'n beetje, 'n heel klein beetje, want anders breekt-ie,
over den rand van het karton en... bijt dan af."
"Keurig... alleen wil m'n neus er zich niet buiten houden."
"'t Is 'n fijne manier; kom kinder, fruit... dessert... Of wil er
eerst iemand nog 'n hompje ham hebben?"
"Kijk 's; ik heb 'n chinaasappel zonder pitten," verbaasde Lou zich,
"heelemaal geen een."
"Weet je niet, dat tegenwoordig 't streven is van de landbouwers alle
vruchten zonder pitten te maken?"
"En hoe moet 't dan met 't nageslacht? Krijgen die geen appels en
peren meer?"
"Och; de algemeene pessimistische geest heeft zich ook van "den
nijveren landman" meester gemaakt. Ze gelooven niet, dat over 'n
vijftig jaar iemand den treurigen moed zal hebben 't leven, dat hij
zelf zoo beroerd vindt, aan anderen te geven."
"Zou er dan niemand meer trouwen?" vroeg Lou kinderlijk; maar Coba
begon te vertellen van de stelling op de club laatst, over "opzegbaar
huwelijk."
"Waar zulke kinderen 't al niet over hebben!" plaagde Gerard. "Wat
zeiden jullie er over?"
"Nu, de inleidster was er vóór, maar een heeleboel waren er tegen;
en 't is afgestemd."
"'t Helpt ook niets er over te praten," zei Beerenstijn kort. "Het
huwelijk is 'n beroerde instelling;... maar zoolang de maatschappij
blijft, zooals ze is, zie ik geen kans op verbetering."
"Maar ik vind 't huwelijk geen "beroerde instelling," pleitte Go. "Ik
vind, dat 't veel bindender moest zijn, opdat niemand 't aanging,
als hij niet wezenlijk van den ander hield."
"Wat is nu "wezenlijk houden van"; definieer me nu 's, wat je daaronder
verstaat."
"Dat is niet te definieeren; maar als je 't doet, dan twijfel-je niet
meer; dan is 't ontzaglijk."
't Gesprek stokte even; Go had 't héftig gezegd.
Maar Lou praatte zachtjes: "Ach, we kunnen er natuurlijk eigenlijk
zoo slecht over oordeelen, omdat we geen van allen ooit getrouwd
zijn geweest."
"Nee, over tien jaar zullen we 't er nog wel's over hebben, hè
Lou?" lachte De Veer, en de spanning was gebroken.
Eddy pelde de hazelnoten voor Go; ze dronken met Hans samen uit het
tinnen kroesje. Die zat nu al geruimen tijd zwijgend, de armen om de
knieën, het bleeke hoofd gebogen.
"Zeg Hans, wat ga-jij eigenlijk doen, als je afgestudeerd bent?" vroeg
Go, om 'm wakker te roepen uit z'n treurend gedroom.
"Dat weet ik niet," antwoordde hij, met z'n handen langs z'n voorhoofd
strijkend, als om zich te bezinnen. "Ik weet niet, wat ik doen ga,
als ik afgestudeerd ben,... maar dat komt natuurlijk, omdat ik nog
niet klaar ben;... als 't eenmaal zoo ver is, dan weet ik 't wel
vanzelf--'t is ook eigenlijk l'embarras du choix;--wat kun je al
niet allemaal doen, als je eenmaal doctor in de klassieke letteren
bent?... Je kunt de honderd-en-elfde vertaling van Homerus in de wereld
brengen; je kunt je den eeuwigen dank van 't nageslacht verwerven,
door 'n klein, dun, slap, Hollandsch uitgaafje van Demosthenes of
Cicero te bezorgen, zoodat de jeugd geen gevaar meer heeft door
'n Germanisme in den val te loopen;... in dien tusschentijd kun-je
met vijftig medestanders solliciteeren naar 'n baantje... of je kunt
natuurlijk ook naar Lapland of naar Amerika gaan;... al heb-je nou
toevallig Grieksch en Latijn gestudeerd, je kunt ook pakjes-drager of
kellner, of bankdirecteur, of mijnwerker worden. God, ik weet niet, wat
kun-je nou vooruit zeggen van je leven? De wereld is zoo reusachtig,
en zoo gecompliceerd;... ik zal maar afwachten;--er zal natuurlijk
wel ergens iets voor me te doen vallen."
Er flitste weer even dat vreemde, onrustige licht door z'n oogen,
dat Go al meer keeren opgevallen was.
"Wat doe-je raar met je oogen Hans!"
"Staat "raar" eufemistisch voor "scheel"? Ik ben 's 'n poos scheel
geweest, vóór m'n candidaats-examen."
"Ja, als-tie dan iemand aan wilde kijken, moest-ie met z'n rug naar
'm toe gaan staan."
"Nee, zeg, weten jullie die grap van dien schelen rechter met de drie
getuigen? Die vroeg aan den eersten: "Uw naam?" Antwoordt de tweede:
"Meyer." Zegt-ie tegen den tweeden: "Ik vraag u niets." Antwoordt de
derde: "Ik zeg niets."
"En weet je dien mop van den vent, die z'n alibi niet kon bewijzen?"
"En van 't jongetje, dat niet spreken mocht aan tafel?"
Met bliksemsnelheid volgden grappen en anecdotische raadsels elkaar op;
eerst bleven ze in 't algemeene, daarna werden 't speciaal proffen-
en studenten-aardigheden, streken uit den groentijd; tradities van
professoren, die al lang gestorven waren.
"Zeg, zouën we ook 's opbreken? Er is geen ziel, die meer eet."
Han keek op z'n horloge, berekende, dat 't tijd werd, om naar 't
hôtel te gaan, waar ze thee zouden drinken op het groote balkon.
"Nu eerst veilen, wat nog over is.... in de eerste plaats: de ham!"
"We zijn niet ondankbaar," zeide Frieda, "maar 't is zoo'n vreeselijke
vracht;... er is 'n eind links 'n huisje, wie gaat mee 'm daar heen
brengen?"
Rolands, Frieda, De Veer en Lou namen ieder 'n punt van 't zware
papier, waarop hij lag, droegen plechtig 'm uit, in den guldenden
avond.
"'t Overgeschoten lekkers in Eddy's tasch; dat is goed voor onder weg."
"Wie maakt aanspraak op het blik, waar Else's rijstepudding in heeft
gezeten?"
"Ik," riep Gerard, "als souvenir. En voorloopig als
botaniseertrommel." En hij schikte er voorzichtig Go's bloemen in.
"Zullen we de rest nu maar niet allemaal in het tafelkleed knoopen?"
"En dan begraven! Hoe maak-je 'n kuil?"
"Met je voeten en je handen, en boomstronken."
"Nu; allons.... zoo'n inspanning is goed voor de spijsvertering."
"En we planten 'n gedenk-eik op het graf...."
"En hangen de overgebleven chinaasappelen aan de takken," juichte
De Veer, die Hans' geruit sloop als 'n schippersdas om z'n hals
had geknoopt.
"Treuzel nu niet te lang," dreef Han, "'t wordt hier te vochtig voor
de meisjes; kom Lize, doe jij ook je mantel aan, en gaan jullie wat
krijgertje spelen, tot het graf klaar is."
"De begrafenis begint; wie willen dragen?" schreeuwde Gerard.
Go en Frieda liepen voor, de punten van het tafellaken over den
schouder, stil, met gebogen hoofd; achteraan Eddy en Wim, blootshoofds
met ernstige oogen; en Hans dreunde tusschen de tanden de treurmarsch
van Chopin. Voorzichtig werd 't laken in den kuil neergelaten; de
punten over elkaar gelegd; één voor één wierpen ze 'n hand aarde naar
beneden, tot De Veer opeens woest te schoppen begon, wat dadelijk
onder groote luidruchtigheid door de anderen werd nagedaan.
"Zie zoo; deze ceremonie is afgeloopen; nu op marsch naar 't hôtel! En
wie 'n haarspeldenwinkel ziet, moet Lou waarschuwen; kom Else!"
"'t Lijkt 'n brautzug," lachte Eddy, terwijl hij met Go achter den
praeses met z'n meisje aanstapte.
"Waarom houën we niet elke week 'n picnic." juichte De Veer. "Er is
op de heele wereld niets heerlijkers te bedenken."
"Ach, ventje, dat is alleen, omdat 't zoo iets nieuws voor je is! Dat
is de heele charme. 'n Mensch is niets dan 'n gewoonte-dier. Of
'm nu 't grootste ongeluk, of 't hevigst-begeerde geluk overkomt,
hij zal wel 'n poosje uit z'n sleur worden gerukt, en intenser leven;
maar al gauw wordt hij, zooals hij vóór de groote gebeurtenis was;
dat wil zeggen: hij zal zich nog wel 's geroepen voelen 'n verheugd
of 'n lijdend gezicht te trekken, maar in z'n binnenste gaat 't weer
z'n gewone gang."
"Dus je gelooft niet aan den dood door geluk of verdriet?" informeerde
Beerenstijn, medisch.
"'t Eerste oogenblik door den schrik is mogelijk. Maar als iemand
het 'n week heeft uitgehouden, komt-ie er ook over heen.... over z'n
geluk zeker."
Het laatste klonk heel bitter en Hans peinsde voor zich uit:
"Volgens deze theorie is hij het meest benijdenswaard, die onder de
ongunstigste omstandigheden leeft. Die kan zich dan verbeelden, dat,
als alles maar zus en zoo was, hij de gelukzaligste man van de wereld
zou zijn--en hij komt nooit tot de ontdekking, dat het z'n eigen,
onvolkomen structuur is, die 'm ongeschikt maakt op de hooglanden
van het geluk te leven."
"Is er dan niets wezenlijk mooi voor jou, Eddy, iets, dat altijd mooi
blijft?" vroeg Go zacht.
"Nee; dat is er niet.... Ik moet altijd afwisseling hebben!"
"Maar wat zul-je dan bang zijn voor oud worden!"