Else woelde, zuchtte eens. "Ben-jij daar, Go?"

"Ja, wil-je wat?"

"Kom een beetje bij me. Ik heb zoo'n vreeselijke hoofdpijn; 't is,

of het ontstoken is van binnen."

"Zal ik de juffrouw wat eau-de-cologne laten halen?" Ze hadden toch

letterlijk niets hier, niet eens eau-de-cologne: wel allerlei fijne

parfums van Else, maar daar kon-je niets mee beginnen.

"Ach nee, laat maar. 't Helpt toch niet. Hoe laat is 't?"

Go ging naar de voorkamer om op 't klokje te kijken; 't was er

schemerdonker; de tafel was nog niet afgenomen; ze had vergeten de

juffrouw te bellen en alles zag er ontredderd en in-de-war-geloopen

uit. Ze bepeinsde, hoe akelig 't was, als je maar oppervlakkig van

elkaar hield, als er dan één ziek werd; hoe vervelend je dat moest

vinden;.... en ze keek uit naar Han over den stillen weg. Als Eddy

ziek werd, zou ze natuurlijk nog meer van 'm houden, maar voor anderen

was zoo iets een drukkende last;.... nu was 't al half acht; Han zou

toch niet uit de stad zijn?

En ze jokte tegen Else, dat het zeven was, en liet haar zich nog

's 'n beetje wasschen op bed, omdat ze zoo gloeierig was en 't zoo

benauwd had.

Om acht uur rukte Henri de bel bijna kapot: hij was net thuisgekomen,

den heelen dag in Amsterdam met een paar vrienden geweest. Hoe ze nu

was, en of hij bij haar mocht?

Hij zag er bleek en erg ontdaan uit, en Go werd dadelijk kalm door

zijn zenuwachtigheid, zei, dat hij moest gaan zitten, en of hij wel

gegeten had....

Toen deed ze verslag van de ziekte, alles nu weer optimistischer

inziend, waarop hij in vliegende haast 'n briefje aan z'n

"arm vrouwtje" krabbelde, dat Else zalig deed lachen onder de

dekens. Toen Go met de boodschap terug kwam, dat hij 'n snoes was,

en dat ze morgen beter zou zijn, had hij al weer 'n nieuw epistel

klaar, en Go liep geduldig van den een naar den ander met briefjes

en boodschappen, blij, dat Else weer wat beter leek, en dat Han er

nu was om haar te helpen. Ze vroeg hem nu ook over de soep, omdat ze

bang was, dat de juffrouw beleedigd zou zijn, als ze er over begon:

net, of haar eten niet goed genoeg was; maar hij wist 't ook niet,

zou echter den volgenden morgen bij zijn ploerterij informeeren, en

het vleesch dan door z'n oppasser laten brengen, met een flesch wijn;

en natuurlijk kwam hij ook zelf.

Hij bleef den heelen avond, en ze praatten over familie-kwesties; en

hij vertelde van z'n vader en moeder, totdat Go er zóó in verdiept was

geraakt, dat ze vergat, dat ze in Leiden was, zich thuís had gedroomd,

met 'r neef, op 'r kamertje.

Het afscheid was hartelijk.

Go zat in 'n blauwe peignoir van Else op den grond, sneed met haar

zakmesje het vet van de stukjes vleesch, die door den oppasser in 'n

papier waren bezorgd; ze geloofde niet, dat het het goeie was, want

het zag er zoo naar en bloederig uit, maar ze had niemand, aan wie ze

het vragen kon, moest maar probeeren, wat er van werd in den melkkoker.

Else was den heelen nacht erg onrustig geweest, maar nu was ze wat

gaan slapen; ze zag er slecht uit. Als Han er op stond, wou ze wel 'n

dokter laten komen, maar ze zei, dat 't onzin was; ze konden immers tot

morgen wachten, om te zien, of ze Vrijdag naar huis zou kunnen gaan.

Go schudde haar haar achterover, dat ze maar haastig wat in elkaar had

gedraaid, en plensde 'n waterstraal op het vleesch in het pannetje;

er steeg een weeig-zoetige lucht uit op, en ze begreep niet, hoe

Else dat zou kunnen verdragen. Daar kwam iemand voorbij het raam en

er werd gebeld; ze dacht, dat ze Han's stem hoorde, zei:

"O, zeg, wat is dat voor raar goedje? Die soep wordt nooit goed."

Maar 't was Eduard, in rok, 'n verwelkte bloem nog in z'n knoopsgat.

"O, jij! Hoe kom-jij hier?" En in aardige verwarring streek ze door

haar krullig haar heen.

"Ik kom van de promotie-fuif van Heerling... en regelrecht naar je toe,

om te laten zien, hoe frisch ik na zoo'n feestnacht nog wel ben."

"Hoe lief van je, Eddy. Ik ben zoo blij, dat je dit zegt. Mag ik wat

thee voor je zetten, of 'n boterham maken?"

"Nee, nee, ik dank je wel... Maar kan ik ook adviseeren met die rare

soep... koken jullie tegenwoordig zelf?"

"Nee, Else is ziek. Gisteren al den heelen dag; 't is begonnen met

maagkramp en koorts... en pijn in de beenen; en ze wil niets eten;

wat denk-jij er van?"

"Ik zou den dokter halen."

"Jamaar, dat wil ze niet. Zou er gevaar bij kunnen zijn?"

"Nee, dat zal wel níet. Maar hij zou 't gauwer beter kunnen maken. Ik

zou er maar 's op aandringen bij haar."

"Soep is toch in elk geval goed, hè?"

"Ja, als dát soep wórdt. Studentje, is huishouden moeilijk?" Hij keek

haar zacht aan, en ze sloeg haar oogen neer in 'n heerlijke verwarring.

"Nu," zei hij, haar hand in de zijne; "ik kom morgen nog wel 's vragen,

hoe 't gaat. Het beste."

Han kwam tegen de koffie, ijsbeerde somber de kamer op en neer.

"Dus ze zal van middag niet opstaan?"

"Ik denk 't niet. Vin-je nu niet, dat we 'n dokter..."

"Ik zal vanmiddag alles eens aan Beerenstijn zeggen, die weet er meer

van dan de meeste dokters."

"Wat denk-je van de soep?"

"Die bruine dingetjes moet je er uit visschen; maar ze ruikt al goed."

"Zou de juffrouw 't ruiken?"

"Láát ze. Wil ik die flesch eens open trekken? Geef haar dan wat wijn

met 'n ei."

"Ja en warm houden, hè? Kom-je nog?"

"Van avond. Kan ik geen boodschappen voor je doen? Vraag 'r eens,

of er heelemaal niets is, dat ze hebben wil."

"Nee, niks. Ze is erg stil en down vandaag."

"Van de koorts. Nu, adieu; 'k ga vanmiddag naar Beerenstijn."

Den volgenden ochtend zaten ze met z'n vijven te overleggen: het bleef

koorts, pijn en geen eetlust, overdag down en 's nachts onrustig. Go

had gehuild, was moe van 't tobben, Han floot nerveus, terwijl Lou

en Coba goedig Go's cahiers uitzochten om bij te schrijven.

Beerenstijn haalde de schouders op: "Ik weet 't niet, 't lijkt me

niet onrustbarend; maar toch 'n dokter...."

"Maar wat dénk-je, dat 't is?"

"Misschien is 't eenvoudig gevatte kou; maar 't kan ook iets anders

zijn; om er over te oordeelen, zou 'k de patiënt moeten zien."

"Dat kun-je begrijpen," viel Han uit. "Als ík er niet eens bij mag."

"Wij hebben een heel goeie dokter," zei Coba zacht, "dokter Buys van

de Hoogewoerd."

"Zou ik maar aan tante schrijven?" vroeg Go, òp.

"Wel nee, dat hélpt niet." Han trommelde ongeduldig op de

ramen... "Ken-je hier nu geen oudere dame, Go, de moeder van 't een

of ander meisje, of 't kan me niet schelen wie, die je 's raad zou

kunnen geven."

"Ik kon naar Mies de Bruin gaan; die woont hier."

"Ga gerust; dan blijven wij voor als Elsi wat noodig heeft," bood

Lou hartelijk aan; Han en Beerenstijn stapten mede op, zouden samen

fruit gaan koopen, want daar had ze om gevraagd.--

Go vond de straten zoo vijandig licht, en de grond was hard, waar

ze stapte. De menschen liepen allemaal zoo vlug en zoo zeker van

hun doel. Ze voelde zich arm en uitgestooten er tusschen; er kwamen

jongens van college langs, die haar luchtig-vriendelijk groetten; ook

meisjes met frissche gezichtjes, die in de zon liepen te lachen,--en

niemand stoorde er zich aan, dat ze zoo angstig en afgetobd was,

't kon de heele wereld niets schelen... Dat groote huis van De Bruin

leek ook nijdig-koud, en ze bedacht, terwijl ze de trap opging, hoe

slordig en moe ze er uit zien moest en hoe vreemd 't zou zijn in die

nette omgeving.

"Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer 's komt... Ik

heb al lang naar je uitgezien;--maar wat is er? Scheelt er wat aan? Je

ziet zoo bleek."--

Go's oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, met

het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan naar

het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk,

verstandig-onderhoudend, en met toch iets droomerigs in de donkere

oogen van veel denken in 't verleden.

En ze voelde zich onharmonisch, 'n wanklank in die rust, en starend

in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze beverig:

"Elsi is ziek, al van Maandagnacht af."

"Maar 't is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet lang," en Go

verbaasde zich: 't was waar, en 't leek zoo'n eeuwigheid...

"Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de dokter?"

"We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn en ze

eet niet,--en koorts 's nachts."

"Ze zal kou gevat hebben; er zijn op 't oogenblik zooveel menschen

ziek; de heele stad door; m'n broer is ook pas beter.... Hoe is

't mogelijk met dit weer, hè? 't Komt zeker van de dikke nevels

's avonds, maar overdag is 't zalig, vin-je niet?" Ze praatte door

met haar aardige stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest,

Maandag;--ze vertelde van 'n reisje in de kerstvacantie en 'n

voorstel tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield

ze hartelijk even haar hand vast: "Je moet je niet ongerust maken

over je nichtje; in 'n paar dagen is ze weer beter;.... haal anders

even den dokter, als je dat kalmer maakt."

Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die meisjes, die zelf

in 'n veilig huis woonden met vader en moeder altijd beschermend om

zich heen, konden zich eenvoudig geen voorstelling vormen, hoe je kon

zitten tobben op 'n paar gehuurde kamers, waar je gebrek aan alles, ook

aan 't eenvoudigste, hadt; waar je geen lekkere kostjes voor je zieke

kon krijgen, waar je geen warme pap of 'n kruik voor ze maken kon; waar

het huishouden met drukte en hinderlijk gebel vlak bij je doorging,

al was ze nu juist eindelijk 'n oogenblikje in slaap gevallen.

Haar kon niet iemand helpen, die 't niet zelf 'n beetje

mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun

hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó'n familie;--de juffrouw

zou ook boos zijn, moest de soep hebben gevonden, waarvan Else niets

had gegeten;... ze was nu wel heelemaal zonder steun. Ze dacht eraan

naar 'n professor te gaan; Van Hoof was altijd zoo aardig, zoo'n

menschelijke man, en hij had er zich zoo voor geïnteresseerd, toen

ze vertelde van hun kleine ménage;... z'n vrouw zou misschien--maar

alle menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze

voelde zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt;

ze verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde

zich voor, dat 't iets héél ergs was;... 'n bordje blikkerde in haar

oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze er zich rekenschap van

had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de dokter vooral, vooral

dádelijk na z'n spreekuur komen wilde;--en nu was ze weer op weg naar

huis, 'n beetje moe, 'n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han

of Else;... en verbeeld je nu 's, dat ze al 'n heeleboel beter was...

De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze

zwegen allemaal, toen ze binnenkwam.

"Heeft ze nog iets noodig gehad?"

"Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies 'er moeder

nog?"

"Nee, ik heb den dokter gehaald."

"Wie?" vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar den naam

gekeken.

"Of u gelijk heb," knikte de juffrouw voldaan, "mijn beviel de juffrouw

niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik wil niks; dan mankeert er

wat van binnen.... En 'n dokter weet toch meer as 'n ander, daar

is-tie dokter voor."

Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes,

terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de

juffrouw-in-actie, die 'n sprei op 't bed wilde leggen, en de kamer

wat netjes maken en de patiënt moest 'n schoone nachtpon aan: "ja,

guns, voor de dokter,"--en Else weerstreefde niet, liet met zich doen

als 'n kind, knikte, dat 't goed was, ja, 't moest wel; ze werd eer

erger dan beter.

Go had Han en Gerard weggestuurd; 't stond zoo mal, als de dokter

kwam, en er zat zoo'n heele gemeente. Ze bleven op de gracht heen

en weer loopen, telkens inkijkend door 't raam, of hij er nog niet

was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en Beerenstijn op,

die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat er 'n lange

rij voortdurend heen en weer trok onder groote belangstelling van de

buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid allemaal, behalve Han,

zoo nu en dan de ernst van 't oogenblik vergaten.

Go kwam soms voor 't raam, met roode wangen, de schouders ophalend; dan

liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich voorstellen moest,--ze

wist zijn naam ook niet,--of dat ze maar ineens beginnen zou met 't

verhaal, hoe alles zich had toegedragen;--ze moest vooral opletten,

dat Else 'm alles zei van de beenen en de kramp en het benauwde gevoel

in haar maag soms.--

Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met 'n schoone schort voor,

kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, "als 't den dokter was...."

"'m Hier binnen laten," zei Go beverig, en ze schudde afwerend 't

hoofd tegen Gerard, die even tegen 't raam tikte: "daar istie."

't Was 'n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die rustig naar 't

nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt vroeg, de patiënt

eens te zien. Achter in de gang stond de juffrouw met de jongste op

den arm, de anderen om haar heen, de gebeurlijkheden af te wachten,

knikte Go bemoedigend toe, toen de dokter de slaapkamer inging.

"Geen eetlust--nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? 'n

Beetje."--"Hoe weet die man dat zoo precies," dacht Go in

bewondering,--"wat koortsig; ja; je hebt influenza, beste kind; maar

flink onder de wol blijven. Reizen, morgen? Nee, geen kwestie van;

deze week je bed niet uit;--Zondag misschien wat in de voorkamer;

oppassen voor kou vatten, verder geen gevaar bij. Nee, juffertje, jij

hoeft je niet zoo op te winden, hoor,"--en hij gaf Go gemoedelijk 'n

tikje op de ijskoude hand;--"dat is de volgende week weer in orde. Ik

zal 'n drankje geven, 'k kom Zaterdag nog 's terug"....

Go bedankte 'm in de gang, huilend bijna: "Ik ben zóó ongerust

geweest,"--en zoodra hij de deur uit was, brak de heele wachtende

schare van buiten en de juffrouw met vele kinderen de voorkamer in.

"Wel, wat zeit-ie? Wat is 't?"

"Ze heeft influenza," verklaarde Go triomfantelijk; "'t is 'n

allerliefste man, en het kan niets geen kwaad, als ze erin blijft. Hier

is 't receptje."

Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op.

"Is dat om te éten?" vroeg de juffrouw, "zei die ook nog, dat ze iets

bizonders moest hebben? Ik ken alles klaarmaken."

"Lichte kost--kalfsvleesch en iets frisch..." fantazeerde Go, "maar

ze mag natuurlijk niet naar huis, Han."

"Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder vertellen;

dan schrikt ze niet zoo."

"En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?" informeerde

de juffrouw bij Beerenstijn.

"Ze zal er wel beter van worden... ik breng 't dadelijk zelf weg,"

antwoordde hij, met 'n sfynxig lachje.

"Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel 'n beetje

op," vertelde Go, "maar laten we 'r toch niet zoo lang alleen laten

liggen."

"Ik ga mee naar de apotheek; adieu!" zei Eduard, en Go keek 'm voor

't eerst weer's gelukkig aan, nu de angst haar vrij liet, dankbaar,

dat hij zoo lief was.

"Ik kom nog vertellen, hoe 'k ze in Den Haag heb gevonden." Han reikte

Go 't briefje, dat hij snel in 'n hoekje nog even had geopend.

"Kan ik nu alleen niets doen?" vroeg Gerard, "weet je nu wezenlijk

niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen bereid."

Go dankte: "Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me alles

uit de hand."

"Neem nu vannacht 's goed rust," raadde hij bij 't afscheid nemen,

"je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben je toch niet bang meer... Gaan

jullie misschien mee, meisjes?"

"Mogen we even bij Elsi?" vroeg Francis, "ik zal nu niet zoo uitgelaten

zijn, als de vorige keer."

In de slaapkamer vergaderden ze nóg 's "en petit comité": de juffrouw

met de twee oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag 'n beetje

te lachen, gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag

er uit mocht.

"Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar 't is toch 'n akelige boel."

De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms

duren kon....

Go vertelde nu nog 's precies, wat de dokter gezegd en gedaan had;

ze voelde zich zóó opgelucht, dat 't haar was, of Else eigenlijk al

beter was; en ze stonden allemaal tevreden en rustig bij 't licht

van de kaars om het bed, en praatten over ziekten van henzelf en

familie, en dat je toch ongerust was, als je niet wist, wat 't was;

altijd weer eindigend in de tevreden beschouwing: dat ze het nu wél

wisten en daarom allemaal zoo kalm en voldaan waren.

Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in 'n keurige japon met

'n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen pathetischen uitroep van

zorg en ongerustheid, Go's plaats aan het bed van haar dochtertje in.

"Dat leek me toch gezelliger," zei ze met 'n vriendelijk knikje,

"en bovendien was zoo'n oppas voor jou alleen veel te zwaar.... Else

is niet zoo'n heel makkelijk patiëntje, hè kindje;--en je ziet er

wezenlijk miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar 's samen

'n flink eind loopen...."

Mevrouw Gerzon sliep nu in Go's bed, die zoolang 'n kamertje boven

betrok. Het heele huishoudentje veranderde oogenblikkelijk onder

leiding van 'n "moeder", en Go was er verrukt over, dat de kamers

opeens zoo'n ander aanzien hadden gekregen, nu tante met 'n handwerkje

naast de kachel zat, nu zij 't vleesch sneed, of 's avonds achter

't theeblad troonde. 't Werd volmaakt, toen Zondag Else wankelend

en langzaam, 'r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de kraag van

de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met bloemen

en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z'n "kleine vrouwtje"

zoo dankbaar in de armen sloot, en zóó vol verrukking haar telkens in

't vermagerde, fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij

toch wel veel méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had gedacht.

Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en dessert,

en tante stuurde 'n heele bezending naar boven voor de juffrouw.... en

de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig ontvangen werd,

en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol jongens-

en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig ze

allemaal ook 's te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba en

Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken,

hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant

is van opera's en concerten en tooneel. Eduard vond ze "charmant",

z'n gentlemanmanieren voortrekkend boven Gerard's rondheid; en Go

droomde hem al 'n lid van de familie, als ze 's avonds in 'n kring

zaten onder het licht, Han en Else bij elkaar; zij met hun drieën om

de tafel, en zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte.

"Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?"

"Ja jongen, m'n plicht is hier volbracht--Else heeft me niet meer

noodig." En ze keek lachend naar 't dochtertje, dat stoeide over

de canapé.

"U moest maar altijd blijven," vleide Go, "het is zoo prettig."

"Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders weg

van je ouders?"

Er was 'n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de laatste

dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was.

"Maar tante, u weet toch..."

"Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich houden," peinsde

Eduard. "Ze studeeren--of ze trouwen; dat komt op hetzelfde neer."

"En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan trouwen,"

tante lachte alweer. Maar Else had Henri 'n papieren muts gemaakt:

"Hoe vin-je 'm!" juichte ze jolig.

"Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je waardigheid

als student."

Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: "Misschien doet ze

't eerste ook niet."

Een Meisje-Studentje · 第 23 / 39 题