De trein hield stil,--daar stond Eduard boven op de bergen;--"Go,"
riep hij, "Go,"--maar ze kon niet naar 'm toe; Gerard duwde haar in de
coupé terug;--nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, 't klonk boven
het wielengeratel uit; de bergen wankelden;--"Ja" zei ze opeens, stond
slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, "ja; riep je, Else?"
"O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo'n vreeselijke maagkramp."
Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar
was. Ze liep met 'r handen voor zich uit, kon die zelfs niet
onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil.
"Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is 't net
begonnen?"
"Nee, 'k heb 't al 'n heele poos; ik heb maar 'n uurtje geslapen,
toen werd ik al zoo akelig wakker er van,--en 't wordt hoe langer
hoe erger."
"Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen."
"Och, je sliep zoo vast--ik heb soms wel 's zachtjes: Go, gezegd,
maar dat hoorde je niet."
"Nee, ik sliep ellendig diep,--stakker; wat zullen we nu doen! Ik
zal eerst maar 's licht maken."
En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers
en kaars.
"Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al 'n beetje niet lekker geweest,"
praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er iemand zich met
haar bemoeide, "maar ik was bang, dat 'k niet weg zou mogen, als ik
't zei tegen moeder; en dat zou zoo akelig zijn geweest om Han."
Go had de kaars nu op 't nachttafeltje gezet, voelde Else's voorhoofd
en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, en keek peinzend in
haar verhitte gezicht.
"Ik geloof, dat je koorts hebt; 'n beetje. Heb-je wel warme voeten?"
"Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; daar
krijg-je 't zoo benauwd van."
"Zou ik 's wrijven; of zou 't kou zijn? Warme compressen?"
"Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets," en Else zuchtte.
"Wordt 't erger?" vroeg Go nerveus, de klamme handen in de hare
klemmend. "Ik kan natuurlijk water gaan koken, en heete zakdoeken op
je maag leggen."
"Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?"
Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de trapdeur,
die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de juffrouw zou
wakker maken, zocht lang naar lucifers, om 't licht aan te steken
in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond op twee uur,
en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was geweest,
schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, eerst in
den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel.
Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal
achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij
Else kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van
de steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën
klapperden. 't Was ook net, alsof er iets vreemds was in de voorkamer,
dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de spiegels
feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege stilte achter
haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon gaan zoeken.
"Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou," zei Else.
Ze schudde van 't rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de voeten
in warme pantoffels.
"Ja, 'n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat "Pa" ons hoort,
en naar beneden komt om naar de dieven te kijken... Hoe is 't nu,
Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je halen, hoor."
Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en pijnlijk
prikten de wortels van haar nagels.
"Is 't lekker? Doet 't goed?"
"Huu, het brandt," kreunde Else; maar: "Dat moet ook," zei Go voldaan;
ging gauw 'n nieuwe maken, bijna vallend van de haast door de te
wijde pantoffels. Op de tafel stonden nog de glazen en kopjes, die ze
den vorigen avond gebruikt hadden en de groote melkpan, waar 't vel
aan den rand was aangebakken. In het midden lag het briefje voor de
juffrouw met de boodschappen voor den volgenden dag, en ze dacht er
over de pint melk in 'n "kopje" te veranderen, en iets als Eau des
Carmes, of pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden
die compressen al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn.
Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel
tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden,
en Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de
heete de killerig-klamme doek weer verving.
"Zakt het nu een beetje?"
"'n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo'n erge pijn in m'n
beenen."
"Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de canapé
halen,... je hebt kou gevat."
"Maar dan heb-jij niet genoeg." Zij gooide zich woelerig van den
eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het dek.
"O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... Wacht,
ik zal nog gauw 'n compres gaan halen, èn de kussens."
Het was nu half vier, en in Go's hoofd was 'n groote leegte; ze streek
Else's haar achterover, en vroeg, of ze ook nog iets anders voor haar
doen kon.
"Nee, hou nu maar op met de compressen... 't Heeft wel wat geholpen."
"Maar als 't helpt, kan ik er immers nog best 'n poos mee doorgaan."
"Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog 'n beetje bij me
blijven zitten?"
"Ik ben zoo wakker als midden op den dag. Zal ik je 'n verhaaltje
vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als één van de kleintjes in bed
moet blijven."
"Hè ja, vertel wat," zei Else, "maar neem dan eerst 't tafelkleed
over je beenen, dat je niet koud wordt."
Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens stukjes
reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden gehad; en
Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe cape,
en keek, of ze zoo'n klein beetje ziek-zijn wel leuk vond.
"Wat gezellig," zei ze dankbaar, "weet je nog zoo iets aardigs?" en
Go dacht over "Karel ende Elegast," maar de klokken sloegen rinkelend
door het huis vier uur, en daarom zei ze, dat ze liever moest gaan
slapen. Else had niet veel zin, klaagde brommerig, "dat het écht
nog niet heelemaal over was," maar Go stopte haar beslist in, legde
lakens en dekens glad, gaf haar toen 'n zoen op 't warme voorhoofd en
commandeerde: "Nu slapen," terwijl ze zelf nog 't licht in de voorkamer
uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan branden in die leege
kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij zachtjes ook in bed,
luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze wilde wakker
blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; eventjes
sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch niets
was. Maar toen 't vijf uur had geslagen, voelde ze zich zwaarder
en zwaarder worden; ze zei nog: "Else," maar er was geen verzetten
meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, gedempt,
al kraaide.
"Maar wil-je nú dan niet opstaan?" vroeg Go, toen ze, om kwart over
elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze had gedacht, dat
ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze dien nacht slecht
geslapen had, en 't stelde haar hevig teleur, toen Else huilerig zei:
"O, nee; ik voel me zoo vervelend, en m'n hoofd is zoo raar; toen
'k daar net even uit bed was, dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik
heb ook heelemaal geen trek."
"Heb-je 'n boterham gegeten en je eitje?"
"Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles zoo weer
mee genomen."
Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig
aan. Ze had gisteren gedacht, dat 't maar 'n aanvalletje van kou-vatten
was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar nu scheen
Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als 'n zware druk voelde ze de
verantwoordelijkheid van 'n zieke aan háár zorgen alleen toevertrouwd.
"Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt," zei ze overleggend,
"of ten minste minder; maar dat komt, omdat 't ochtend is. De
kramp in je maag is óók weg, hè? Laat je tong eens zien? Ik geloof,
dat die beslagen is"--ze bekeek nu ernstig haar eigen tong in den
spiegel;--"Ja, de mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk
'n leelijk ding."
"En m'n beenen doen zoo'n pijn, en m'n hoofd klopt zoo akelig.----En
ik heb zoo'n dorst."
"Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik vind,
dat we even om 'n dokter moeten sturen."
"Och nee, wel nee; wat weet zoo'n vreemde man er nu van?" zei Else
ongedurig, "schrijf liever even aan Han, anders wordt hij ongerust,
dat ik niet op college ben."
"Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei opeten."
"Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek."
"'n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag hebben."
"M'n maag is vol, maar geef maar 'n beschuit, en schrijf dan aan Han."
Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De
juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong
uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd;
ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze
had er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen,
als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór 'n dokter zou zijn;
maar hij was wellicht uit, en zou dan pas 's middags komen;.... ze
kon 'm niet gaan zoeken, want dan bleef Else alleen;.... 'n angstig
gevoel van in haar verlatenheid gebonden zijn bracht tranen in
haar oogen, en met moeite bedwong ze 'n uitbarsting van verdriet;
't was toch wezenlijk nog zoo verschrikkelijk niet, en ze moest de
zieke zelf toch niet noodeloos ongerust maken; het was pas één dag,
nog niet eens, en de verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze
had wat weinig geslapen vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon
immers dadelijk naar Den Haag telegrafeeren, als 't noodig was, maar
voorloopig was er geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen,
dat ze niet lekker was geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging....
"Zal ik wat bij je komen zitten werken?" vroeg ze na de koffie,
waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, onrustig
rondloopend in de verlaten kamer, 'n stuk koek, 'n appel, 'n stuk
brood, zonder zich tijd te gunnen 'n wezenlijk maal er van te maken.
"Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik begrijp
niet, waar hij blijft..."
"Hij zal uit koffiedrinken zijn," kalmeerde Go, "ik zal nog 's
vragen aan de juffrouw... Ja, 't is in orde. De baas heeft 't zelf
meegenomen. Hij zal vanmiddag wel komen; wind je dáár nou niet
over op."
En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling
van Ulfilas.
"Zouën ze 't op college gemerkt hebben, dat 'k er niet was?" vroeg
Else, langs het behangsel ritsend met haar witte vingers.
"Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht te slapen;
dan ben je gauw weer beter."
"En als Han komt?"
"Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En 'k zal alle boodschappen
over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal de gordijnen
neerlaten."
"Ik ken het behangsel al precies uit m'n hoofd," zuchtte Else,
"en daar is 'n gaatje, en daar één, en hier 'n scheur."
Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl
angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker
in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat 't
moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen zoo
akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier achter
in 't huis; ze hoorde niets van de straat... en zelfs in de voorkamer
had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat 't zoo'n
afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er niet moest zijn.
Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in
spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met 'n
ruk om:
"Is 't Han?"
"Ik zal 's kijken.." Nee, 't waren de blouse-vriendinnen: Riek
en Francis; wou ze misschien, dat ze binnenkwamen; zou 't niet te
druk zijn?
Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel,
dat ging wel.
De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door Else's liggen
in 't groote bed en Go's dringend verzoeken, of ze zich kalm wilden
houden; maar toen Else zelf lachte, en grappig vertelde van hun getob
dien nacht, werden ze óók vroolijker, maakten grapjes over college,
waar Else gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad
hadden, en boden aan, 't dictaat bij te schrijven.
Else vroeg nog 'n kussen, om 'n beetje rechtop te kunnen zitten,
en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je toch
's zien, wat 'n hoop verbeelding er bij komt;--deed zelf steeds meer
mee, drijvend op den stroom van haar blije gedachten.
"Trek de gordijnen toch op," vroeg Else, "het lijkt wel, of ik al
dood ben."
"Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond aan onze
blouses komen naaien, hier bij je?"
"Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han natuurlijk."
"Sta-je vóór 't eten op, en eet je dan weer gewoon mee? Ik heb geen
soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag wel geen os geven."
"Ja; strakjes." Ze zat recht op, ver boven de dekens uit, met de armen
om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, omdat ze nu geen angst
meer had, deed haar klagende stem na van 's nachts, en hoe ze als
'n bedorven kindje verhaaltjes had willen hooren. Nu vertelde Francis
'n spookverhaal, dat 'n oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek
was, en ze lachten allemaal dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade
maakte voor de visite, in de glazen van de waschtafel, en koekjes
presenteerde uit 't zakje.
"'t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet jullie maar
niet op letten;" en ze dronken op het spoedig herstel van de zieke,
en stootten met elkaar aan, Else met haar glas water-en-melk.
Om vier uur gingen ze weg, na 'n luidruchtig afscheid, waarbij de
dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar:
"Tot morgen, op college," riep. Go zei, dat ze nu nog 'n uurtje moest
gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, om op te staan,
en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien 's avonds pas komen.
Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken,
vol feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die
om half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde
ze, dat de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam,
morgenmiddag tenminste zeker.
Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze
stak gauw de kaars aan, wilde 't plagende toontje van dien middag nog
houden: "Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen opgewekt?"
"O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. Ik gloei
heelemaal, en m'n beenen, m'n beenen...."
"Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar 's wat te doen geven,
kom er uit, luie meid."
"Nee, ik kan niet; ik ben ellendig."
Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... ze
had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen
geweest;... nu was 't weer mis en Han kwam maar niet...
"Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den nacht; dan weten we ten
minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, maar 't maakt geruster."
"Och nee, zoo'n vreemde man, die je nog nooit behandeld heeft... Ik
begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu al?"
"Hij komt zeker vanavond; 't is bij half zes;.... wat wil-je nu
eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere van jou."
"O, als je blieft niet. Praat niet van eten." En Go liep weer
hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw 'n paar
happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan
eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts 's avonds hooger
werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze zou
straks Marietje even om 'n flesch pruimen of abrikozen sturen; dat
was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens 'n dag niet
eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, er was geen
reden om haar moeder ongerust te maken. Als 't morgen niet beter
was, kon ze naar den dokter gaan; bovendien: Han kwam vanavond, en
'n nacht slapen kon zoo enorm veel goed doen.
Ze ging nu 'n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, achter
het bed, zoodat 't Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde de kinderen
joelen boven, en de moeder, die: "ssst," riep; ze moest even glimlachen
om Pa, die bij de deur voorzichtig op z'n teenen wipte, maar dadelijk
er na z'n voeten weer zwaar neerplonsde op den steenen vloer.
Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier
zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze peinsde,
of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken zou:
vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy
niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van 'm had, bij zich droeg,
steeds in haar blouse; die haar eigenlijk 'n beetje teleurgesteld had,
omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk van z'n gesproken
woorden zoo heerlijk maakte;--maar er stond toch in, dat hij hoopte
haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard van Neerwinden; was hij dat
wezenlijk? Had hij 't ditmaal gemeend?