HOOFDSTUK XII.

De trein hield stil,--daar stond Eduard boven op de bergen;--"Go,"

riep hij, "Go,"--maar ze kon niet naar 'm toe; Gerard duwde haar in de

coupé terug;--nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, 't klonk boven

het wielengeratel uit; de bergen wankelden;--"Ja" zei ze opeens, stond

slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, "ja; riep je, Else?"

"O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo'n vreeselijke maagkramp."

Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar

was. Ze liep met 'r handen voor zich uit, kon die zelfs niet

onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil.

"Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is 't net

begonnen?"

"Nee, 'k heb 't al 'n heele poos; ik heb maar 'n uurtje geslapen,

toen werd ik al zoo akelig wakker er van,--en 't wordt hoe langer

hoe erger."

"Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen."

"Och, je sliep zoo vast--ik heb soms wel 's zachtjes: Go, gezegd,

maar dat hoorde je niet."

"Nee, ik sliep ellendig diep,--stakker; wat zullen we nu doen! Ik

zal eerst maar 's licht maken."

En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers

en kaars.

"Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al 'n beetje niet lekker geweest,"

praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er iemand zich met

haar bemoeide, "maar ik was bang, dat 'k niet weg zou mogen, als ik

't zei tegen moeder; en dat zou zoo akelig zijn geweest om Han."

Go had de kaars nu op 't nachttafeltje gezet, voelde Else's voorhoofd

en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, en keek peinzend in

haar verhitte gezicht.

"Ik geloof, dat je koorts hebt; 'n beetje. Heb-je wel warme voeten?"

"Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; daar

krijg-je 't zoo benauwd van."

"Zou ik 's wrijven; of zou 't kou zijn? Warme compressen?"

"Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets," en Else zuchtte.

"Wordt 't erger?" vroeg Go nerveus, de klamme handen in de hare

klemmend. "Ik kan natuurlijk water gaan koken, en heete zakdoeken op

je maag leggen."

"Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?"

Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de trapdeur,

die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de juffrouw zou

wakker maken, zocht lang naar lucifers, om 't licht aan te steken

in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond op twee uur,

en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was geweest,

schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, eerst in

den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel.

Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal

achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij

Else kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van

de steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën

klapperden. 't Was ook net, alsof er iets vreemds was in de voorkamer,

dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de spiegels

feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege stilte achter

haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon gaan zoeken.

"Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou," zei Else.

Ze schudde van 't rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de voeten

in warme pantoffels.

"Ja, 'n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat "Pa" ons hoort,

en naar beneden komt om naar de dieven te kijken... Hoe is 't nu,

Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je halen, hoor."

Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en pijnlijk

prikten de wortels van haar nagels.

"Is 't lekker? Doet 't goed?"

"Huu, het brandt," kreunde Else; maar: "Dat moet ook," zei Go voldaan;

ging gauw 'n nieuwe maken, bijna vallend van de haast door de te

wijde pantoffels. Op de tafel stonden nog de glazen en kopjes, die ze

den vorigen avond gebruikt hadden en de groote melkpan, waar 't vel

aan den rand was aangebakken. In het midden lag het briefje voor de

juffrouw met de boodschappen voor den volgenden dag, en ze dacht er

over de pint melk in 'n "kopje" te veranderen, en iets als Eau des

Carmes, of pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden

die compressen al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn.

Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel

tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden,

en Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de

heete de killerig-klamme doek weer verving.

"Zakt het nu een beetje?"

"'n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo'n erge pijn in m'n

beenen."

"Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de canapé

halen,... je hebt kou gevat."

"Maar dan heb-jij niet genoeg." Zij gooide zich woelerig van den

eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het dek.

"O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... Wacht,

ik zal nog gauw 'n compres gaan halen, èn de kussens."

Het was nu half vier, en in Go's hoofd was 'n groote leegte; ze streek

Else's haar achterover, en vroeg, of ze ook nog iets anders voor haar

doen kon.

"Nee, hou nu maar op met de compressen... 't Heeft wel wat geholpen."

"Maar als 't helpt, kan ik er immers nog best 'n poos mee doorgaan."

"Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog 'n beetje bij me

blijven zitten?"

"Ik ben zoo wakker als midden op den dag. Zal ik je 'n verhaaltje

vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als één van de kleintjes in bed

moet blijven."

"Hè ja, vertel wat," zei Else, "maar neem dan eerst 't tafelkleed

over je beenen, dat je niet koud wordt."

Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens stukjes

reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden gehad; en

Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe cape,

en keek, of ze zoo'n klein beetje ziek-zijn wel leuk vond.

"Wat gezellig," zei ze dankbaar, "weet je nog zoo iets aardigs?" en

Go dacht over "Karel ende Elegast," maar de klokken sloegen rinkelend

door het huis vier uur, en daarom zei ze, dat ze liever moest gaan

slapen. Else had niet veel zin, klaagde brommerig, "dat het écht

nog niet heelemaal over was," maar Go stopte haar beslist in, legde

lakens en dekens glad, gaf haar toen 'n zoen op 't warme voorhoofd en

commandeerde: "Nu slapen," terwijl ze zelf nog 't licht in de voorkamer

uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan branden in die leege

kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij zachtjes ook in bed,

luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze wilde wakker

blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; eventjes

sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch niets

was. Maar toen 't vijf uur had geslagen, voelde ze zich zwaarder

en zwaarder worden; ze zei nog: "Else," maar er was geen verzetten

meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, gedempt,

al kraaide.

"Maar wil-je nú dan niet opstaan?" vroeg Go, toen ze, om kwart over

elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze had gedacht, dat

ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze dien nacht slecht

geslapen had, en 't stelde haar hevig teleur, toen Else huilerig zei:

"O, nee; ik voel me zoo vervelend, en m'n hoofd is zoo raar; toen

'k daar net even uit bed was, dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik

heb ook heelemaal geen trek."

"Heb-je 'n boterham gegeten en je eitje?"

"Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles zoo weer

mee genomen."

Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig

aan. Ze had gisteren gedacht, dat 't maar 'n aanvalletje van kou-vatten

was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar nu scheen

Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als 'n zware druk voelde ze de

verantwoordelijkheid van 'n zieke aan háár zorgen alleen toevertrouwd.

"Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt," zei ze overleggend,

"of ten minste minder; maar dat komt, omdat 't ochtend is. De

kramp in je maag is óók weg, hè? Laat je tong eens zien? Ik geloof,

dat die beslagen is"--ze bekeek nu ernstig haar eigen tong in den

spiegel;--"Ja, de mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk

'n leelijk ding."

"En m'n beenen doen zoo'n pijn, en m'n hoofd klopt zoo akelig.----En

ik heb zoo'n dorst."

"Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik vind,

dat we even om 'n dokter moeten sturen."

"Och nee, wel nee; wat weet zoo'n vreemde man er nu van?" zei Else

ongedurig, "schrijf liever even aan Han, anders wordt hij ongerust,

dat ik niet op college ben."

"Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei opeten."

"Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek."

"'n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag hebben."

"M'n maag is vol, maar geef maar 'n beschuit, en schrijf dan aan Han."

Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De

juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong

uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd;

ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze

had er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen,

als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór 'n dokter zou zijn;

maar hij was wellicht uit, en zou dan pas 's middags komen;.... ze

kon 'm niet gaan zoeken, want dan bleef Else alleen;.... 'n angstig

gevoel van in haar verlatenheid gebonden zijn bracht tranen in

haar oogen, en met moeite bedwong ze 'n uitbarsting van verdriet;

't was toch wezenlijk nog zoo verschrikkelijk niet, en ze moest de

zieke zelf toch niet noodeloos ongerust maken; het was pas één dag,

nog niet eens, en de verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze

had wat weinig geslapen vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon

immers dadelijk naar Den Haag telegrafeeren, als 't noodig was, maar

voorloopig was er geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen,

dat ze niet lekker was geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging....

"Zal ik wat bij je komen zitten werken?" vroeg ze na de koffie,

waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, onrustig

rondloopend in de verlaten kamer, 'n stuk koek, 'n appel, 'n stuk

brood, zonder zich tijd te gunnen 'n wezenlijk maal er van te maken.

"Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik begrijp

niet, waar hij blijft..."

"Hij zal uit koffiedrinken zijn," kalmeerde Go, "ik zal nog 's

vragen aan de juffrouw... Ja, 't is in orde. De baas heeft 't zelf

meegenomen. Hij zal vanmiddag wel komen; wind je dáár nou niet

over op."

En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling

van Ulfilas.

"Zouën ze 't op college gemerkt hebben, dat 'k er niet was?" vroeg

Else, langs het behangsel ritsend met haar witte vingers.

"Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht te slapen;

dan ben je gauw weer beter."

"En als Han komt?"

"Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En 'k zal alle boodschappen

over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal de gordijnen

neerlaten."

"Ik ken het behangsel al precies uit m'n hoofd," zuchtte Else,

"en daar is 'n gaatje, en daar één, en hier 'n scheur."

Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl

angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker

in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat 't

moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen zoo

akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier achter

in 't huis; ze hoorde niets van de straat... en zelfs in de voorkamer

had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat 't zoo'n

afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er niet moest zijn.

Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in

spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met 'n

ruk om:

"Is 't Han?"

"Ik zal 's kijken.." Nee, 't waren de blouse-vriendinnen: Riek

en Francis; wou ze misschien, dat ze binnenkwamen; zou 't niet te

druk zijn?

Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel,

dat ging wel.

De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door Else's liggen

in 't groote bed en Go's dringend verzoeken, of ze zich kalm wilden

houden; maar toen Else zelf lachte, en grappig vertelde van hun getob

dien nacht, werden ze óók vroolijker, maakten grapjes over college,

waar Else gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad

hadden, en boden aan, 't dictaat bij te schrijven.

Else vroeg nog 'n kussen, om 'n beetje rechtop te kunnen zitten,

en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je toch

's zien, wat 'n hoop verbeelding er bij komt;--deed zelf steeds meer

mee, drijvend op den stroom van haar blije gedachten.

"Trek de gordijnen toch op," vroeg Else, "het lijkt wel, of ik al

dood ben."

"Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond aan onze

blouses komen naaien, hier bij je?"

"Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han natuurlijk."

"Sta-je vóór 't eten op, en eet je dan weer gewoon mee? Ik heb geen

soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag wel geen os geven."

"Ja; strakjes." Ze zat recht op, ver boven de dekens uit, met de armen

om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, omdat ze nu geen angst

meer had, deed haar klagende stem na van 's nachts, en hoe ze als

'n bedorven kindje verhaaltjes had willen hooren. Nu vertelde Francis

'n spookverhaal, dat 'n oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek

was, en ze lachten allemaal dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade

maakte voor de visite, in de glazen van de waschtafel, en koekjes

presenteerde uit 't zakje.

"'t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet jullie maar

niet op letten;" en ze dronken op het spoedig herstel van de zieke,

en stootten met elkaar aan, Else met haar glas water-en-melk.

Om vier uur gingen ze weg, na 'n luidruchtig afscheid, waarbij de

dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar:

"Tot morgen, op college," riep. Go zei, dat ze nu nog 'n uurtje moest

gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, om op te staan,

en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien 's avonds pas komen.

Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken,

vol feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die

om half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde

ze, dat de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam,

morgenmiddag tenminste zeker.

Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze

stak gauw de kaars aan, wilde 't plagende toontje van dien middag nog

houden: "Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen opgewekt?"

"O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. Ik gloei

heelemaal, en m'n beenen, m'n beenen...."

"Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar 's wat te doen geven,

kom er uit, luie meid."

"Nee, ik kan niet; ik ben ellendig."

Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... ze

had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen

geweest;... nu was 't weer mis en Han kwam maar niet...

"Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den nacht; dan weten we ten

minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, maar 't maakt geruster."

"Och nee, zoo'n vreemde man, die je nog nooit behandeld heeft... Ik

begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu al?"

"Hij komt zeker vanavond; 't is bij half zes;.... wat wil-je nu

eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere van jou."

"O, als je blieft niet. Praat niet van eten." En Go liep weer

hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw 'n paar

happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan

eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts 's avonds hooger

werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze zou

straks Marietje even om 'n flesch pruimen of abrikozen sturen; dat

was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens 'n dag niet

eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, er was geen

reden om haar moeder ongerust te maken. Als 't morgen niet beter

was, kon ze naar den dokter gaan; bovendien: Han kwam vanavond, en

'n nacht slapen kon zoo enorm veel goed doen.

Ze ging nu 'n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, achter

het bed, zoodat 't Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde de kinderen

joelen boven, en de moeder, die: "ssst," riep; ze moest even glimlachen

om Pa, die bij de deur voorzichtig op z'n teenen wipte, maar dadelijk

er na z'n voeten weer zwaar neerplonsde op den steenen vloer.

Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier

zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze peinsde,

of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken zou:

vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy

niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van 'm had, bij zich droeg,

steeds in haar blouse; die haar eigenlijk 'n beetje teleurgesteld had,

omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk van z'n gesproken

woorden zoo heerlijk maakte;--maar er stond toch in, dat hij hoopte

haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard van Neerwinden; was hij dat

wezenlijk? Had hij 't ditmaal gemeend?

Een Meisje-Studentje · 第 22 / 39 题