Nu was het overal lente en iedere dag was 'n feest.
Dat begon al 's morgens vroeg, als ze wakker werden van het vroolijk
geklok van de kippen op 't zonnige plaatsje, en 't rinkelen van
't gordijn, heen en weer bewogen door geurige koeltjes. 't Was nu
'n plezier dadelijk uit bed te springen, en te plassen en te stoeien
met water, tot je heelemaal lekker frisch en lenig was.... En dan 't
binnenkomen in de huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën
stond gedekt, het glimmende trekpotje op 't comfoor met doorschijnende
glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om
hun heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden
ze zonder veel praten innig-vergenoegd 'n beetje rond, om eieren te
koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit
't raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog niet
aan kwamen drijven. Die gleden statig op 't lichtende water, zon over
den blanken staart, en bleven stil voor 't huis, de koppen in trotsche
in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoelig in hun afwachting, als
'n beest van papier-maché.
Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en
wierpen ze in 't water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de
duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen.
Als 't carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; ze
stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in 't
midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met warm-roode
wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en er was
'n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor sprak bezield;
de jeugd was open om z'n woorden op te nemen. In den ouden tuin zag Go
de knoestige pereboomen met 'n sluier van blanke bloesems getooid, en
overal werkten kleine, groene puntjes zich open aan de struikjes. In
't vrije kwartier ontplofte de wetenschap-spanning in 'n jubelend
gejoel vol uitgelatenheid; de meisjes, enkel in hun japon, meestal
zonder hoeden, speelden krijgertje om de groote, oude kerk, waarvan
de kleine, groene glaasjes in de zon schitterden. Als er één goed
gerespondeerd had, werd er op koekjes of caramels getracteerd bij de
"snoepjuffrouw" 'n paar huizen van college; en het zakje ging van hand
tot hand, opdat 't leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten.
Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan
den zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk
glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij trok.
Eén ochtend, dat 't buitengewoon mooi was,--je zag, je rook, je
hóórde de lente,--waren ze in 't vrije kwartier met z'n allen naar
den hortus getrokken: niet alleen de meisjes van het tuinlokaal,
maar ook de candidaten van boven en de twee classicae, die enkele
colleges in de Kloksteeg hadden.
Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder
dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó overvol van
geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij de minste beweging.
Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes
stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen
met hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken;
het water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door 't
rots-partijtje, en gingen even op 'n bank zitten bij de groen-glazige
serre.
De oude tuinman, die toegewijd z'n kleine potjes in de zon droeg,
knikte vriendelijk van: "heerlijk weertje," opende daarna gedienstig
het hek;.... maar toen ze op 't Rapenburg liepen, nog stil-gelukkig
om de mooie wereld, speelde het opeens kwart-over, en met gilletjes
van schrik en kinderlijke pret hólden ze op de groene deur toe, de
kille gang door, bleven dan huiverend staan voor 't gesloten lokaal,
waar de professorsstem al uit opklonk;--en eindelijk, binnendringend,
verlegen en buiten adem, zagen ze de eerste rij stoelen open,
hun cahiers op de verlaten tafeltjes, en ze begonnen te lachen,
en de jongens proestten, en de professor lachte ook, en keek op z'n
horloge, en naar 't stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door
schilferde,.... en, even z'n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog
maar 's, wat hij zooeven gezegd had.--
Dan--'s middags na college--werden groote wandelingen gemaakt. Eerst
was 't geweest om de eerste elzekatjes en 'n enkel, kortstelig
madeliefje te zoeken, uitglijdend op den weeken grond aan de
slootkanten, waar hier en daar nog 'n ijsvliesje zichtbaar was,
overblijfsel van fel-koude nachtvorsten.
Later gingen ze met 'n boek aan den kant van den weg zitten, en Go
had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar terwijl
zij voorlas van sa-bâ ahas, en de ontwikkeling van beteekenis van
het naamwoord nasati, lagen Lou en Coba over het vlakke weiland te
kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in 't zonnelicht,
en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het boek heen in den
wolkeloos strakken hemel, en naar 't zonnige slootje met rietpluimen
aan hun voeten; en ze luisterden met hun drieën naar de stilte van
het herlevend land.
Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de
pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer
uit, om voor 't laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu als
betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het 't drukst-stil op
straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren open, ieder
wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In groepjes kwamen
de studenten uit de kroeg en 't Vegetarisch, liepen de Breestraat af,
't Plantsoen, de Singels langs. Fietsers gleden zachtjes de gladde
paden over, rustig-rechtop, één hand even aan 't stuur; er was 'n
zacht geklink van fluiten en van éven-zingende vogeltjes in de stilte,
'n teere blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge
gezichten.
Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in 'n open bakje,
met 'n bloem in z'n knoopsgat; Coba, die met mevrouw wandelde, Gerard
of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd gefloten, als ze langs z'n
kamer kwamen, en dan liep hij mee op, tusschen hen in, en gewoonlijk
kwam na 'n poosje 'n vierde en vijfde er bij.
Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, 'n eind buiten
Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de slooten
leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de lichtende
stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er was een
groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms stil haar
hand op Bruno's kop gelegd, in 'n behoefte zachte teederheid te geven,
zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan 't dier, dat z'n eenzaamheid
troostte, en bij 'm was in de uren van verslagenheid.
Opééns was de figuur van 'n gebogen man voor hen opgedoken, en vlakbij
hadden ze Hans herkend.
"God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?" riep Eduard.
"Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?" had hij,
even ontstemd, geantwoord. "Dit is het paadje om alleen te loopen,
als je je zonden eens overdenken wilt."
"Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is 't zoo akelig niet,"
antwoordde Eduard, met 'n lachje tegen Go; en ze waren met hun vijven
naar de stad terug gegaan, die als 'n zwarte massa tegen den rossen
hemel stond.
Bij 't licht viel 't Go op, hoe slecht Hans er weer uitzag.
"Zeg, je werkt toch niet te hard?" had ze hartelijk gevraagd. "Je
ziet zoo bleek, jongen."
"Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je 's
rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu al
duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig,
zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles
doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht
en gedaan, om tot 'n waarheid te komen, die ons nú bevredigt---"
"Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar onbewustheid,
èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen verstandig mensch iets
uitvoert, ieder zich alleen láát leven."
En Eduard barstte juichend uit: "Es brechen in schallenden Reigen
die Frühlingsstimmen los."
"Alleen heb ik 't gevoel, dat je niet wezenlijk "leven" kunt, voor je
weet, wat 't leven eigenlijk is," peinsde Hans. "Maar misschien is
't zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn kent,
is er 'n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... Hou-jij óók
zoo dol van de tooverlantaarn, Go?"
En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes,
tot ze bij het oude grachtje waren.
Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de lente
aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over den
blikkerenden weg.
Ze zouden 'n middag op 't "Witte huis" gaan koffiedrinken: alle leden
van "Laborando vincimus" met Lou en Coba en Francis als invitées. Na
college stormden ze weg om de fietsen uit de bergplaats naast 't gebouw
te halen, en de professoren stonden door de blauw-gehorde ramen toe te
kijken, hoe jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk
roepen van den een naar den ander en gelach van 't haasten.
Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar 't dictaat
haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij de
deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen
en jaartallen van de schismatische pausen.
"Wat 'n zalig weer, juffrouw Schermer," begon Hoefman tegen haar
tafeltje leunend.
"Ja... staat daar 65?" vroeg ze zonder opzien.
"'t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel 's?"
"Nee; dank u voor 't cahier... Dag meneer Hoefman."
"Ach, ga nu nog niet weg..." en hij liep haar na in 't kamertje. "Ik
wilde u wat vragen... toe, u moest 't maar doen. Bijna alle meisjes
van college zijn naar 't "Witte Huis". 't Is zulk eenig weer, en
't zal er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!"
"Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken vanmiddag."
"Dat kunt u toch; 't is maar om 'n uurtje te doen... we fietsen er in
'n oogenblik heen."
"Ik heb geen fiets."
"Dan loopen we; zooveel te gezelliger. 't Is zoo'n mooie weg... en
u zult beter kunnen werken na zoo'n wandeling."
"Maar ik ken er niemand," zei ze met zwak verzet. Wat wou die jongen
toch van haar! Maar hij wàs aardig.
"U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee andere
dames van college, en mij, 'n beetje."
"Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; maar
dan heeft 't tenminste 't voordeel, dat u me niet meer lastig valt."
En ze begon 'n gesprek over de moeilijkheid 'n leesbare uitgave
van Ruysbroec te vinden, maar bij 't station had hij haar al over
bloemen aan 't praten, haar oogen begonnen levendiger te worden,
ze kreeg 'n beetje kleur, en toen in de laan bij 't "Witte Huis" de
fietsende en krijgertje spelende menigte hun joelend te gemoet kwam,
stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten pret.
Er was buiten 'n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen voor
aansleepten; Frieda, die er in 'n grijs japonnetje met haar fijn,
sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd,
verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman
zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen
tijd leeg, en er werd over "gesmoesd" onder de jongens, tot Hans,
zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon te
praten over 'n artikel in de Gids over het stamland der Indo-Germanen.
"Komt Rolands niet?" vroeg Go, terwijl ze boterhammen "hakte" van
den langen broodstok.
"Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en melk?--"
en Gerard rammelde met de groote koppen en de koffiekan.
Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, "maar
je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan bederft het."
En nu kwam Go los met 'n grappig verhaal over 'n scène met de juffrouw,
die geen ons boter en geen half ons vleesch tegelijk wilde halen. "We
zijn nétte menschen, en voor ons zelf zouë we 't ook niet doen. Ze
kijke je er in de winkel op an, en noeme je "halve-onze-juffrouw." 'n
Half ons ham of rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst,
of cornét-bief..."
"We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met 'r cornét-bief,"
lachte Else.
"En hoe liep 't af? Némen jullie nu, om 't fatsoen van de juffrouw,
'n héél ons?"
"Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu zelf...." en Go gaf
reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die stil was geworden, en met
wijd-open oogen keek in de boomen en de blauw-lichte lucht.
"Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, vermakelijkste,
interessantste menschen, die je je denken kunt," begon De Veer
gezellig. "Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat we 's nachts
herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, geeft ze me
olie in m'n lamp, die niet branden wil, "vergeet" me m'n brieven te
geven, en stuurt alle berenleiders naar m'n kamer;.... maar heb ik
daarentegen haar goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine
verrassinkjes: ik krijg 's avonds opeens 'n ommelet binnengebracht,
of ze wascht m'n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs
'n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de deur."
"Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?" vroeg Frieda, die
brood voerde aan Bruno.
"Nou, zoo in 't begin van de maand, hè Eddy?" en Eduard vertelde
lachend aan Go, dat hij en Wim en Rolands 'n driemanschap hadden
gesloten tegen die lastige rustverstoorders: in 't begin van de maand
huisde ieder op de kamer van den ander, zoodat "meneer" nooit thuis
was, en ze toch niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op
de kroeg te hangen.
"Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na uur met
je boek, met de krant, maar zoo'n beetje ligt te soezen in 't grijze
licht, en telkens schrik-je wakker van 'n stem, die naar "meneer
Neerwinden" vraagt, en je hoort je juffrouw, nijdiger, naarmate de
dag verder vordert, snauwen: dat meneer op bed leit, dat meneer niet
bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze nou al zoo lang er
om loopen, dat 't nou 's uit zijn mot,... zoodat je aan 't eind ligt
te rillen bij de gedachte, dat ze wel 's zouën kunnen binnenkomen."
"Nou; wat dan nog?" lachte De Veer, "als je 't nu toch eerlijk
niet hebt?"
Maar Francis leidde de aandacht af, door op 'n beeldig, klein vogeltje
te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes brood
heen, en slopen zachtjes nader om 't van dichterbij te bekijken. De
tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en wierp er
ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm in arm
den kant naar Endegeest op, vanwaar 'n geheimzinnig, triestig gezang
opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen te overleggen,
wat nu.
"Ik ga dadelijk terug," zei Lize. "Je hadt gezegd, dat 't maar 'n
uurtje duren zou en 't is kwart voor twee."
Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: "Als je per se wilt,
ga ik mee," en hij keek met voldoening in haar levendig gezicht;
ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit den
stijven wrong.
"Dag lui," wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen ze 'm
verwonderd nakeken.
"Wat wíl die kerel toch met dat meisje?" vroeg Eduard, terwijl ze den
weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote bloei was al voorbij;
hier en daar wiegden nog enkele roode en witte ballonnetjes, maar er
tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens in 'n sloot 'n heele
hoop verwelkende bloemen, die zoo maar als waardeloos waren weggegooid.
"Hoe zonde," zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard trok haar
weg: "Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om zoo'n verrotte
bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke en convolvulus:
pluk dáár liever van."
Hans en Wim waren aan 't ver-springen over de sloot, zonder stok; en
Eduard ging aan den kant zitten om 'n fluitje van het riet te maken,
dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest er toen ook
een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, behalve voor
Frieda, die 't "afschuwelijk" vond, toen ze toeterend en krijschend
naar 't hôtel terugkuierden.
Daar stonden de fietsen in 'n lange rij; er werd betaald; de meisjes
ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die "er nooit óp
komen kon," vertrokken ze in groepjes, snel wegwielerend door de
hooge laan.
Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange
wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei
in hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg
en de aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle
kronkelende paadjes; telkens zagen ze fietsen glimmeren in de verte,
en dan was 't weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend,
dat de vogels schrikten.
Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar 't liefste
zag: jong, open, gelukkig, genietend van 't oogenblik, vertrouwend
in het leven, in de menschen, vóór alles in hem. Hij keek haar zacht
en innig aan, en voelde, dat zoo'n meisje bij de lente hoorde.
Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs 'n zijpad, zagen ze Rolands'
klein figuurtje naast 'n rijzig "jufje" gaan, Rolands' bruin kopje
vragend naar haar opgeheven, terwijl z'n beenen onzeker gingen,
en z'n heele houding pijnlijke verwachting uitdrukte.
Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar
af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij 't begrepen had en
zweeg, in z'n hart foeterend op "die stomme, kleine nikker."
Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo
hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te
voelen, wat 't voor zóó'n kind zijn moest, als ze iets dergelijks zag,
boog hij zich over haar heen, zacht vragend: "Wat is er, Gootje?"
Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den wind.
"Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd uit. Je
was zoo even heelemaal anders."
"Maar 't is ook zoo verschrikkelijk," barstte ze smartelijk uit,
"het was alles zoo mooi, de weilanden en de boomen, en de hééle
wereld, en ik had zoo 't gevoel, dat iedereen goed moest zijn, bij
zulk weer. En nu hij daar opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op
zoo'n heerlijken lentedag iets zoo leelijks."
"Maar 't is juist in de lente en met 't mooie weer, dat zulke dingen
gebeuren," antwoordde Eduard zachtjes, en hij zag, hoe ze over de
lichtende landen keek met 'n nieuwe gedachte in haar oogen, dat ze
vaag iets nieuws voelde in de groeiende wereld om haar heen, waar ze
vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze ook niet mooi vond.
"Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, waar
ik wel 's van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En vóór je 't
ziet, heb je 't niet begrepen.--Ik voel me hoe langer hoe onrustiger,
nu ik weet, dat zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan."
Ze streek nerveus haar haar weg; 't stuur wankelde, en hij legde z'n
smalle hand naast de hare.
"Ja," zei hij zacht; "zoo zijn wij studenten;--zoo zijn we bijna
allemaal."
Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. Ze
voelde z'n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze recht
voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in
haar meisjesdroomen; en 't geluk was anders. Het groeide in haar met
toenemende pijn.