Nu tikte Henri: "Dank u, meneer De Veer; 't is genoeg geweest."

De tafel lag flauw. "Kerel, kerel," hikte Hans, "je bent

onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, als hij ergens

ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan."

"Maar ik meen het," verweerde De Veer zich, toch niet gepiqueerd,

"op 't oogenblik mag 't vreemd lijken, maar over 'n jaar of tien...."

"Gekken," mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri en Else samen

van een bordje aten, "als er hier nog een geëngageerd paar komt, ga

'k er uit."

En z'n oogen bliksemden naar Eduard, die 'n waterlelie uit z'n

sinaasappelschil voor Go maakte.

"Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, jongens, niet

in 'm kunnen waardeeren," zei hij tegen Frieda, "moet 't hier nou

per se 'n backfischen-bewaarplaats worden; die vinden 'm natuurlijk

allerliefst."

Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren

diep donkerblauw in haar warm gezicht: "Laat je eens bij ons op de

club introduceeren, Wim," zei ze vertrouwelijk, "dan zul-je 's zien,

dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets komen zal; we zijn daar

zoo ernstig, zoo wijs...."

"O, meneer, daar benne ze van de pelisie," kwam de juffrouw ontzet,

"der mag geen muziek meer gemaakt worden, 'et is half drie.... ze

wille binne."

"Nou láát maar," zei Han laconiek, "dan krijgen ze óók een

glaasje,"--en dan tegen 't strijkje: "Goeie broeders, pakken jullie

de bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties."

"Maar dan ga ik toch naar huis," zei Frieda opstaande.

"En 't dansen dan?" vroeg Gerard, "we hebben nu de muziek juist

noodig."

De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. "Hè, hoe zonde,

het dansen," klaagde Gootje, en Eduard sloeg even den arm om 'r heen,

draaide rond, 'n wals tusschen de tanden neuriënd.

"Mantels, hoeden," schreeuwde Hans als 'n omroeper.

"Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!" vroeg Han, de rozen voor

Else inpakkend.

"In naam der wet er uit!" gilde de kleine Rolands; wat Eduard stil

deed staan en zeggen: "God, ventje ben-jij er ook nog, en den heelen

avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was natuurlijk net

bijna zoo ver, dat-ie 'n dichterlijke speech in elkaar had, en nu

hebben we 'm den heelen avond niet gehoord."

"Pak je goed in," zei Gerard bezorgd tegen Go, "je bent zoo warm."

"Ready?" schreeuwde Beerenstijn, die met den agent naar beneden

was geloopen.

"Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet," telde Gerard

de leden. "Hoe gaan we nu verder?"

"We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda's huis; allons, enfants."

't Was doodstil op straat, en 'n koude nacht. Ze werden vanzelf er

allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden ochtend

zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, die

classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in

de Nederlandsche letteren.

"Toch wel lollige lui, die ouê snuiters," vond Hans, maar Hoefman zei:

"Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve Hooft

en Vondel lijkt 't me toch niet veel. De Reinaert.... nou ja, heel

aardig; maar toch niet zóó, dat 't een literatuur redt. En later

Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt allemaal zoo ver af; zooveel

verder dan Franschen of Duitschers van denzelfden tijd... 't is zoo

burgerlijk-degelijk, zoo gezond en soliede, dat je zelf ook stevig

op je beenen moet staan, wil je 't kunnen appreciëeren... en wie is

zoo, tegenwoordig..."

"Vooral omdat 't mode is, dat mislukte, dweperige genieën en

sentimenteele meisjes die studie kiezen," bromde Beerenstijn, in de

hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen.

Maar Eduard zei juist: "Hoe grappig toch, dat jullie zelf den sleutel

hebt; zoo niets voor 'n meisje."

En dat vond ze, voor 't eerst, niet prettig, zich verwonderend, dat

jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes meer met hen mee

gingen leven; hen beter gingen begrijpen.

"Slaap lekker, wel te rusten; nàcht, nàcht!" riepen de heldere stemmen

over 't stille grachtje.

En de meisjes klapten de deur dicht.

Maar bleven in de schemerige gang, waar alleen 'n klein olielampje op

't meterkastje brandde, nog even stil luisteren naar de voetstappen,

hol-opklinkend bij 't gaan over de oude brug.

Een Meisje-Studentje · 第 16 / 39 题