Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en Else,
die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook voor
de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal voor
"Laborando vincimus".
Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en
wilde dan in plaats van 'n gewoon nabroodje 'n fijn soupertje met
bloemen en 'n strijkje geven, waar de meisjes natuurlijk bij zouden
blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd moest worden.
Hij had eerst z'n plannen zooveel mogelijk voor Go en "Vrouwtje"
verborgen willen houden, maar ze vroegen zóó dringend z'n kamer te
mogen versieren en alles mooi te mogen maken, dat hij steeds meer
de leiding uit handen gaf, en 't zelfs zóó ver kwam, dat 's middags
vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, omdat hij
't pas zien mocht, als alles klaar was.
Z'n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar huis, deed
energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, wanhopig, 't
opgevend "als drie vrouwen tegen 'm wilden samenspannen", was gegaan,
en niet teruggekomen vóór 't uur van de vergadering, toen de hospita
'm dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles "keurig en keurig"
was,--als meneer nu nog maar den wijn uitgeven wilde; en Go en Else,
even later, stralend, in lichte partij-jurken met bloemen, die Han
ze gestuurd had, waren 'm ook komen verzekeren, dat hij tevreden zou
zijn, en dat z'n juffrouw een parel was.
De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming in
de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve Beerenstijn,
die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee werden taartjes
en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er 'n groot bouquet
voor Else gekomen van het dispuut.
Zoodra Henri's hamer voor de laatste maal was neergevallen,--Else
had 'm het symbool van z'n waardigheid meermalen afgenomen, had er
mee zitten spelen, 'm laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat
Beerenstijn had gepreveld: dat voor 'n praeses van een dispuut,
evengoed als voor 'n priester, 't coelibaat verplichtend moest
worden gesteld,--was Go de kamer uitgeloopen, om 'n laatsten blik
over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han's buurman stond
aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en violoncel
'n teeken te geven, dat ze beginnen konden.
Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De
"Hochzeitsmarsch" jubelde hun al op de gang tegemoet, en bij de deur
bleven ze stilstaan van verrassing: alle lichten van de kroon waren
aan, en op den schoorsteen stonden luchters met brandende kaarsen,
die hun vlammetongen in den spiegel weerkaatsten. Daar hing veel
fijn groen, met 'n enkele chrysant er tusschen sierlijk van af,
uitloopend in een ijlen, slanken slinger, die om de klok was gelegd,
en de wijzerplaat goelijk bedekte.
Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes,
sierden het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de
gladgroene hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was
sober gehouden, met slechts los hier en daar 'n viool of wat kleine
asters;--bij de borden van Han en Else alleen 'n kring van groote
rozen, rood en wit.
Han had in verrukking Else's arm genomen, leidde haar, trotsch en
zalig, de lichte kamer in.
Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm
worden, onder 't angstige wenschen: dat 't toch altijd zoo blijven
mocht,--en toen Eduard zich naar haar overboog: "Mag ik jou aan tafel
brengen," trilde haar hand op z'n arm zóó, dat hij haar bezorgd in
'r ontstelde gezicht keek en teeder zei: "O, wat zie-je bleek! Wil-je
ook liever nog wat naar de andere kamer?"
Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en Henri
daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn--dat was de eenige, die de
vrouwenhater nog wel kon lijden--zij naast Eduard, Rolands aan den
anderen kant. Dat was 'n stil ventje, zou haar niet storen;--Eduard
had háár gevraagd,--beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee,
veel zeggen deed 't niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en
Frieda was niets voor hem, zoo strak en sterk,--die zou 'm zeker,
net als Gerard, "geen kerel" vinden;--Frieda was echt 'n meisje om
te studeeren, zoo helder en rustig, zoo eenvoudig-verstandig altijd.--
"Had-je liever ergens anders willen zitten?" vroeg Eduard zacht.
"Nee, waarom?"
"Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.--Is er dan wat anders?"
"Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig zouden
vinden."
Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z'n oogen steeds dieper
glans kregen.
"Zoo, en waarom niet?"
"Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je vóelt zoo,
hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van z'n stem hoort,
z'n bewegingen ziet, z'n kamer, z'n boeken...."
"En wat denk-je dan van mij?"
"Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet appreciëert."
Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. 't Was vreemd, dat ze
met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam
't intieme, 't belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk gesprek
dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar vertrouwen
zou willen geven.
Ieder zinnetje, zelfs 't gewoonste, van hem, klonk als een liefkoozing:
dat verwarde haar;--'t was net, of z'n oogen, onder de banale woorden
door, haar steeds zeer ontroerende dingen zeiden; maar ze wist niet
zeker, of ze zich dat misschien maar verbeeldde. Zooals hij nu met
z'n hoofd over z'n bord zat, gretig etend van de kip met compôte,
leek 't 'n gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes.
"Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maakt me verlegen." Z'n stem zong
doordringend en ze voelde opeens 'n gezond ongeduld opkomen, tegen
de verslappende bekoring, waarmee hij haar omspon.
"Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten," zei ze met 'n lachje:
"dat hoort niet bij je figuur."
"Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij m'n figuur
past, in jouw oogen;--consequent zijn in alles, wat je doet, is vrijwel
synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft 'n idee in z'n hoofd, 'n
tooneelfiguur voor oogen, die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig
'n harmonisch mensch lijkt, speelt alleen z'n rol bizonder goed.--We
zijn allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes,
goed en slecht en sterk en zwak--wij modern-onrustigen. Ieder mensch is
'n eenheid van tegendeelen."
"Toch niet allemaal," zei Go zachtjes, die niet thuis was in de
Hegliaansche terminologie, "kijk Elsi en Henri nu 's, en Hans--en
Frieda--"
"Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!--Ik ken alleen de
tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik 't geluk af bij andere
menschen."
"Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste jaren.--"
"Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als ik
'n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en nòg...."
"Als je je nuttig maakt--"
"Nuttig voor anderen--als rechter--redder van de menschheid, steun
van weduwen en weezen--prachtig, hè? Maar, sancta simplicitas, laten
we toch 's ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor
't heil van onze medemenschen zoo'n baantje entameeren, en er ons
mee bezig houden tot 't einde.--Honderd anderen zouên 't immers even
goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige gezichten
aan.--Welk mensch is in deze tijden van overbevolking onmisbaar? Als
hij méér kan dan 'n ander, laten dan drie of vier z'n plaats innemen;
krachten genoeg; daar hoef-je niet zuinig op te zijn."
"Maar wáárom dan?" vroeg Go, "en wat moet je dan...."
Hij haalde z'n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij
scheen z'n buurmeisje en de tafel vergeten; z'n stem was hard, als
metaalklank, en 'n waas hing over z'n oogendiepten.
"Het eenige, wat 'n mensch doen kan, is, maken, dat de tijd zoo
onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,--daarom fuiven we, daarom werken en
lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z'n aanleg. Ieder kiest, wat
'm 't beste bezighoudt. Je vindt 't 'n leelijke levensopvatting,--je
gelooft 't niet,--wacht maar; als je ouder bent."
Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in
met de matchiche, en De Veer, z'n stoel achteruit gooiend, sprong
vreugdevol op, wierp 't lijf achterover, en danste, den vroolijken
kop door 't gulden licht overstroomd. Hij had zich asters achter de
ooren gestoken, hield 'n roode daliah tusschen z'n lippen, en terwijl
hij steeds joliger danste, klapte hij met de vingers, als om zichzelf
aan te hitsen.
"Zóó richt hij z'n leven in," zei Eduard met 'n mat lachje, maar Go
zag hier de heerlijke, echte uitgelatenheid, zooals ze altijd bij
jongens had vermoed, klapte in de handen en riep: "mooi, mooi! O,
laten we straks toch gaan dansen."
"Praeses, mag ik nu misschien 's het woord," riep Gerard, den
betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist bezig
was z'n meisje 'n roos in 't haar te steken, met 'n notedop gooiend.
"Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de
leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om 'n paar
nieuwe flesschen."
Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, 'n beetje over de
tafel geleund, Han en Else nog 's hartelijk gelukwenschte, daarna
zich richtte tot de meisjes in 't algemeen, die voor 't eerst 'n
feestje met hen hadden willen meemaken.
"Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je ons als
vrienden beschouwt, en met ons 't verlovingsfeest, waar we allemaal
blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige theorieën bij
verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu vroolijk en gezellig
in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters van het nieuwe
leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes 'n wezenlijk
vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal zijn. Hoeveel goed
dat ons, jongens, zal doen,--we weten 't hier wel allemaal van onszelf,
dat de meisjes veel aan ons te verbeteren zullen hebben--"
"Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te verbeteren valt,"
viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde 'm met de spuitwatersiphon,
en Gerard maakte er nu maar gauw 'n eind aan, met te drinken op de
goeie verhouding en den bloei van de leden van "Laborando vincimus".
"Mag ik 't woord, praeses," drong Beerenstijn, "om te herinneren
aan 'n uitspraak van Erasmus in "stultitiae laus", dat de grootste
aantrekkelijkheid van de vrouw--"
"Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemming niet te storen...." beval
Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: "Ik weet, wat je
meent. Oppervlakkig is er iets vóór te zeggen. Maar je ziet in
meisjes-studenten te veel 't liefhebberen in de wetenschap; je hebt
er zeker nog nooit ontmoet, bij wie 't wezenlijk ernst is, als bij
'n man."
"Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal niet
't land aan je; maar je bent nu 'n kameraad geworden, geen meisje meer
voor me,--maar zooals die 't doen,"--hij keek naar Else en Go--"dat
's vleesch noch visch."
"'t Zijn toch aardige kinderen."
"Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun
onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen
vrouw, die net zooveel weet als ik, of 't zich tenminste verbeeldt. En
ze worden leelijk."
"Dat hoeft niet," riep Eduard; en Go vond vreemd, dat hij ook op
zoo'n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg 't gevoel, of voor
jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel ver-afs moesten blijven,
half vereerd, half getiranniseerd, als 'n weeldedingetje.
Gerard zag 't in haar oogen. "Hoe denk-je nú over de leden van ons
dispuut? Nóg geavanceerd, of wel 'n beetje bekrompen en banaal?"
Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook 's wat mocht zeggen,
en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, opgewonden
jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes flonkerden.
"Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb er
niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou zeggen--"
"O, jerum!" zuchtte Hans, "als dat dan maar goed afloopt."
"Maar 'k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap en
verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, 'n visioen gehad;
dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de meisjes
op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier...."
Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat 'n beetje gespannen,
met z'n mes in de hand, om af te tikken, wanneer 't te erg werd.
"Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de huizen."
Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg.
"Ik weet 't wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik weet niet,
of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als student."
"Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan
heb-je veel kans," interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam
onverstoorbaar:
"Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes
moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen 'n nacht
op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,"--en hij keek
verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol waren;
Frieda was geheel-onthoudster--"hun kleeding moet veranderd worden,
dat ze gemakkelijker alles mee kunnen doen...."