Go stond 'n beetje te treuzelen in de gang bij 't college-lokaal,
knoopte haar regenmantel langzaam dicht, huiverende om z'n
vochtigheid. De meeste jongens waren al weg gestommeld, na eerst
bij de deur 'n cigaret te hebben opgestoken, en die scherpe geur was
prikkelend in de vochtige atmosfeer blijven hangen, hinderde Go aan
haar verkouden-ontstoken keel.
"Breng je me misschien naar den trein?" vroeg Lou, die spoorstudent
was.
"Nee, 't kind is veel te verkouden," besliste Coba, het andere
eerste-jaartje, dat en pension leefde bij 'n groote, gezellige
familie. "Ga met mij mee; mevrouw heeft zeker thee, en dan kan 'k je
'n kleedje laten zien, dat 'k voor haar wil maken."
Go schudde 't hoofd: "Nee; 'k ga maar dadelijk naar huis. Zoo ellendig
zulk weer, als je net zoo verkouden bent. Nee, dank je; 'k heb geen
zin om mee te gaan; 'n andere keer 's."
Maar loopend door de druilige gang, waarvan ze de zware deur slechts
met moeite open kon hijschen, dacht ze, hoe ongezellig ze haar kamer
vinden zou, verlaten, somber, zonder vuur;--de juffrouw zou wel uit
zijn of visite hebben; de menschen in huis met elkaar vroolijk en
gezellig,--niemand zich bekommerend om haar; nee, 't was maar beter,
als ze niet ging, vóór 't eten; dan werd er tenminste op haar gerekend,
zou de kachel branden, en Else er zijn;--zou ze die nu misschien van
college gaan halen? maar natuurlijk had ze 'n afspraak met Henri; dat
was elken dag zoo, en 't sprak ook vanzelf;--de bibliotheek.... ja,
dat zou het beste, 't eenige zijn. Ze kon 'r responsie voor Hooft vast
prepareeren. Mogelijk zou er ook iemand zijn, die ze kende. Gerard
niet, dien had ze dien ochtend nog gesproken, ging den heelen dag naar
Den Haag met Hans, om 'n kamerzitting bij te wonen; Eduard misschien,
of Frieda; of Mary Bruining, waar ze altijd nog 's naar toe zou gaan.
Wat was de gang somber en bedompt met al die natte jassen en parapluies
en overschoenen, en hoe druilig zag de boekenzaal er uit door het
glimmerige glas. Zacht suisden de deuren dicht en weer open; de
menschen liepen voorzichtig en bedaard, praatten met fluisterende
stemmen en matte lachjes. En het jongetje, dat de boeken aansjouwde
had 'n verschrompeld, wit gezichtje, als 'n heel oud mannetje, terwijl
hij al die wijsheid toch alleen maar met z'n handen aanraakte en z'n
hoofd er niet mee hoefde te martelen.
Ze ging naar de groote boekenkast rechts, om de zware, in-zich-zelf
gekeerde woordenboeken van de plank te kantelen, en voor zich op te
stellen op 'n nabij tafeltje. Ze moest eigenlijk 'n beetje lachen om
al die wichtigheid; zóó au sérieux kon ze haar studie niet nemen,
dat ze vond in deze omgeving van geleerdheid en ernst te passen;
ze voelde zich veel meer 'n kind, dat, in vader's studeerkamer
binnengeslopen, blijven mag, zoolang ze niet lastig is. Onwillekeurig
keek ze 's door de zaal, of de anderen 't ook niet grappig vonden,
maar de stil-gebogen hoofden hadden niet bewogen, en een man, die
met 'n paar dikke wetboeken de zaal door ging, keek langs haar heen,
met niet-zienden blik.
Ze ging nu stil zitten, en dacht, dat 't toch wel 'n rustige zaal
hier was: donker eiken met dof goud, de voetstappen gedempt door het
dikke cocos. Maar ook triestig, kloosterachtig, om de dikke, ijzeren
hekken voor de ramen, waarachter het nat-verwaaide tuintje lag met
de kale heesters. Hoe desolaat was het stille Leiden op zóó'n dag;
haast niemand op den weg, niets te zien dan droeve boomen en het doffe
grachtewater, en de oude, suffe huizen, waarvan de oogen blind leken.
Ze dacht nu ook weer aan den ouden tuin achter college, die toen ze pas
aankwam schitterend van tinten en herfstverkleuringen was geweest, en
haar dezen middag door 't beregende venster zoo'n allerdroevigst beeld
van verwaarloozing had geschenen. Dikke hoopen rottende blaren overal
op den doorweekten grond, schraal-uitgeschoten, omvergewaaide heesters
over de grasperken, afgeknakte wingerdranken over het priëeltje; en
dan steeds maar door regen, stilletjes neersijpelend en druppend van
alle boomen en huizen.... Nooit mocht er iemand komen in den tuin. En
die eenzaamheid van jaren maakte 'm nog zieliger....
Ze moest maar liever met 'r rug naar 't raam gaan zitten; dat uitkijken
in zoo'n regenstad maakte maar melancoliek. Zoo kon ze ook rustiger
zien, wie er waren, en dan gaan werken, want daarvoor was ze toch
gekomen.
In den hoek aan den overkant zaten 'n paar meisjes, die samen uit een
boek lazen en excerpeerden: ze waren er in, met opgewonden toewijding,
niet met het rustige, overgegevene, waarmee ze jongens hier werken zag.
Wat kende ze toch betrekkelijk nog weinig studenten: die van "Laborando
vincimus," en van college: en nog 'n paar, die ze zoo's toevallig bij
andere meisjes had ontmoet,--maar van die hier nu zaten, niemand. En
twaalfhonderd waren er in deze stad. Hoe weinigen daarvan zou ze
ooit kennen: hoeveel aardigen, die wat voor haar zouden kunnen zijn,
nooit bereiken. Dat Indische jongetje nu b.v. tegen den glasmuur;
wat 'n sympathiek, intelligent gezicht; en wat goedig, zooals hij
het boeken-sjouwertje op den schouder tikte en toelachte. En die
bleeke man bij de groote tafel, met die extatische oogen, en z'n
lange, doorschijnende handen. Dat zou wel van de studie komen, de
"romantische". Maar als ze niet werkte, zou zij dat nooit vinden;
en ze steunde haar koortsig hoofd in de hand; wat bonsde het hevig,
en ze was zoo dof.
"Vast alleens--de l is hier verdubbeld evenals in alleen voor
al-een--gink het den graave van Hoorne, die, neemende zijnen weg door
een' anderen hoek der huizing, van Hieronimo de Salinas, burghvooght
van Portheroole...."
Het tochtte in haar hals, en de rillingen gleden griezelig van haar
achterhoofd door haar rug;--ze moest eigenlijk ergens anders gaan
zitten, maar die boeken waren zoo zwaar; ze voelde 't 's avonds
altijd aan haar polsen, als ze 's middags op de bibliotheek gewerkt
had--"meer dan in haar hoofd," had Hans geplaagd....
"Burghvooght van Portheroole"--waar zou dat liggen? Zou het 'n stad
zijn? De professor vroeg soms de onverwachtste dingen en 't was
zoo naar, als je zeggen moest, dat je 't niet opgezocht hadt. Zacht
haar stoel achteruit-schuivend stond ze op, gleed de mat over, langs
de gloeiende kachel; daar links stonden de boeken voor geographie,
geloofde ze. Ach, 't was zoo moeilijk 'n beetje den weg te leeren
kennen, 'n beetje te begrijpen, hoe je studeeren moet. Dat daar
in de hoogte moest ze hebben: "Lexicon der Geographie";--maar ze
kon er niet bij;--zou ze vragen aan dien langen,--zou ze op 'n
stoel klimmen?.... Ze lachte; ze voelde zelf, dat 't grappig was,
zooals ze daar stond, in de hoogte, met 'r armen vol; ze bloosde,
en blozend zag ze naar de anderen;--niemand keek; ze zaten daar stil
over hun boeken gebogen, verdiept in hun belangwekkende wetenschap,
en wat 'n kinderachtig meisje voor toeren maakte achter hun rug,
daar stoorde zich niemand aan.
Ze voelde 'n boosheid in zich opkoken, terwijl ze nerveus de bladzijden
omsloeg: jongens, studenten, waren dat jonge menschen? waren dat
frissche, gezonde menschen, die in hun boek bleven kijken, als 'n
aardig meisje iets grappigs deed; die niet merkten, of ze binnenkwam
of wegging; voor wie ze niets dan 'n ook-studeerende was? Ze wist:
ze was nooit coquet geweest; van klein kind af had ze een afkeer gehad
van aanstellerij, en ze had altijd met de jongens van school open en
eenvoudig omgegaan. Maar ze had 'n sterk ontwikkeld vrouwelijk gevoel,
dat maakte, dat ze altijd als haar prettig recht had aangenomen,
als de leeraren en leerlingen in hun levendige belangstelling en
hartelijkheid dat ondefiniëerbare, aangenaam-eerbiedige en toch
teedere hadden gelegd, dat haar deed voelen, dat ze 'n meisje was.
Dit bewustzijn was in àl haar doen, en ze wist, dat 't natuurlijk
en dus ook goed was; ze had instinctmatig gevoeld, dat Frieda het
niet kende, daarom misschien wel zoo buitengewoon geschikt voor
studie was;--maar dan moest zij er maar minder geschikt voor zijn,
't verloochenen deed ze toch niet, en uitdrogen, als die jongens
hier, daarin had ze ook geen zin. Portheroole kon ze niet vinden,
en voor haar part kon de geheele universiteit worden afgebroken,
als je zóó van de studie worden moest, de "romantische" studie. Als
't college-uur uit was, en de professor de deur achter zich had dicht
gedaan, dan had ze verwacht, dat de vrijgelaten jeugd als losgebroken
geiten door elkaar zou springen, en lachen en praten en op de tafels
klimmen.... maar dan bleven al die jonge-menschen-onder-elkaar,
zonder toezicht, stil zitten doorschrijven, tot ze ook de laatste
woorden van wijsheid zorgvuldig hadden opgepend, en dan schoven ze
langzaam de gang in, de jongens rookend en dof pratend in groepjes,
de meisjes zeurig-hangend in het kamertje, waar hun kleeren lagen en
'n lucht was van bleekpoeder en gestoofd eten.
Natuurlijk, ze waren geen kinderen meer; en de studie had hun
wezenlijke belangstelling. Maar in den vrijen tijd moesten ze toch
jongens en meisjes blijven, die jong waren, geen dictaten-penners,
zonder leeftijd.
Die ellendige gematigdheid in alles! Nu had 't vier uur geslagen;
dan werd de bibliotheek gesloten. Er was de laatste vijf minuten
niet telkens op de klok gekeken, of 't nog geen tijd zou zijn;
maar nu was er ook geen teleurstelling, dat 't al zoo laat was;
niemand wilde nog gejaagd wat afmaken; geen dacht er over zich tegen
't reglement te verzetten.
Het bleeke kind-mannetje zette de deuren open, en in de boekenzaal werd
'n beetje luider gesproken.
"Dat's wéér 'n dag," dacht Go op de gezichten te lezen, die telkens
beleefd de langzaam-wegstappende werkers groetten. Ze zag ze nog
voor zich uitloopen op 't Rapenburg, met tragen, vasten gang, en was
blij, toen ze De Veer tegenkwam, te paard, met z'n pet achterover op
z'n hoofd.
"Ik ben naar "de Vink" geweest; wel wat nat! mag 'k 'n eindje met je
mee rijden?"
Go lachte: "Je zit daar zoo hoog, dat 'k m'n verkouden stem niet
zoover uitzetten kan."
"Ik kan er toch niet afkomen; dat is zoo'n manoeuvre! Je moet warme
punch drinken, als je keelpijn hebt."
"Jongen, we houën er geen wijnkelder op na!"
"Zeg, is 't waarachtig waar, dat jullie op júllie kroeg alleen
limonade drinken?"
"En thee!"
"Limonade en thee! Good gracious! Het is ongeloofelijk! Moest je
in ons corps komen! Maar dat is ook buitengewoon. Het Leidsche
corps is 't beste, dat er is; dat is bekend. En ik weet, dat jij
't er leuk zou vinden. We hebben laatst op 'n nacht 'n fakkeltocht
over de daken gehouden. Toen heb ik aan je gedacht. Het zou wel wat
lastig voor je geweest zijn, maar 'k weet zeker, dat je graag zou
zijn meegegaan. Nog een grappige geschiedenis met 'n agent, die 't
huis binnenkwam, en per se m'n naam wou weten, die 'k nou 's niet
zeggen wilde. Heel gemoedelijk alles. De kerel kreeg 'n sigaar en
'n pot bier. Maar later zijn we gaan vechten. Die snee, zie-je."
"Maar Wim; je doet toch erg dwaze dingen, geloof ik," berispte Go, die
't toch eigenlijk alleen maar grappig vond, terwijl ze moest denken,
wat moeder daar wel van zeggen zou, vechten met 'n agent, in den nacht
op straat. "Maar die fakkeltocht zou ik dol-graag hebben meegemaakt."
"Ja, hoe jullie dat uithouden, zonder feesten, begrijp ik niet. Het
is zoo iets heerlijks, 's nachts in 'n bakje of op de kroeg. Of
'n fijn dinertje na 'n examen."
"Je hebt dus nog al plezier in je leven?"
Hij lachte, en tikte z'n paard even op den hals: "Ken-je "Rotte
Blaren", die bundel studenten-versjes? Daaronder is er een, waarin
wijze menschen ernstig vragen, waarom we toch zoo fuiven en jolijt
maken, en drinken? En dan is 't onveranderlijke antwoord: "omdat 't
lollig is". En dat zeg ik altijd bij alles, en zooláng ik 't lollig
vind, blijf ik zoo doen. Ik heb 't land aan kerels, die fuiven zonder
er plezier in te hebben. Ik geniet van elk feest; "omdat 't lollig
is." En z'n stem sloeg om in 'n joligen schater.
Ze waren nu bij de Breestraat gekomen, en Go wilde den hoek omgaan.
"Laten we liever de Apothekersdijk nemen," sloeg hij voor; maar Go
dreigde 'm, begrijpend-lachend, met haar vinger: "O, groote meneer de
reformator; die droomt van daktochten maken, en nachtelijke rijtoeren,
met meisjes er bij,--maar 't niet waagt op klaar-lichten dag met zoo'n
wezentje langs de kroeg te komen;--gaat u maar alleen de Breestraat
in, en denk onderweg 's over theorie en practijk na."
"'t Is niet om mij," verdedigde hij zich, "geloof me, Gootje. Mij
zou zoo iets geen kwaad doen; maar ze zouên kletsen over jou, en dat
's niet noodig."
"En is dat nu dat hoogstaande corps?"
"Och, ze hangen wat erg aan traditie.... Je stuurt me weg; toch niet
boos, hè? Eet emser-pastilles vanavond."
Hij groette met z'n rijzweep, keek knikkend nog 's lachende om.
En ze verwonderde zich, hoe die "vrij-gevochten schooier" er tegenop
kon zien met haar langs de kroeg te gaan. Wat kon iemand er nu
in godsnaam over te zeggen hebben, dat ze naast 'm liep. 'n Rare
maatschappij hier! 't Was háár nog niet duidelijk.
En ze legde haar hand tegen 'r heet hoofd, dat branderig bonsde bij
de slapen.
Na het eten had Else haar ingestopt op de canapé, de kachel flink
opgestookt, en was toen naar 'r kamer gegaan, omdat er een paar
meisjes van college bij haar zouden komen; de twee anderen waren
ook geëngageerd, maar nog in stilte, en nu wilden ze, als eerste
huisvrouwelijke praestatie, voor zich zelf 'n blouse gaan maken. Het
goed was gekocht, en er zwierven ook al rare, vlinderige papieren door
Else's kamer, maar dien avond zou de reusachtige lap in drieën worden
gedeeld en verder verwerkt; en daarom had Go geen gebruik gemaakt van
de vriendelijke aanbieding, of ze haar ook gezelschap zouden komen
houden, want de tafel moest in 'n hoek, dat ze ruimte zouden hebben
op den grond om te knippen, en ze voorzag 'n gelach zonder einde,
waartegen haar pijnlijk hoofd nu niet bestand zou zijn.
Ze was eigenlijk bang, dat ze ziek worden zou; aan tafel had ze niet
kunnen eten, en 'r hoest was zoo pijnlijk en hol. Els had gezegd,
dat ze beter deed naar bed te gaan, maar ze wist, dat ze zich zoo
rampzalig zou voelen, als ze alleen in de donkere kamer lag, ook al
kwam 't nichtje telkens goedig naar haar kijken. Het was toch zoo
iets anders, dan ziek zijn thuis. Nu voelde ze weer 's, hoe slecht
ze moeder en allemaal kon missen.
Zooals ze daar lag, kon ze net de portretten op de schrijftafel zien:
goeie moesje, wat zou ze nu doen? zeker 'r dutje,--o nee, 't was
Vrijdag, en dan werd de huiskamer altijd gedaan, en hielp moeder zelf
nog 's avonds met kleedjes neerleggen en étagère-beeldjes schikken. Het
rook nu heelemaal naar was in de kamer,.... maar om dat te merken, zou
ze nu toch te verkouden zijn. Ze zou in 'n makkelijken stoel bij de
kachel zitten, met 'n glas citroen naast zich, en de kinderen zouden
'n beetje stil moeten zijn. "Go heeft hoofdpijn." En moeder zou 'r
hand op haar voorhoofd leggen, en zeggen: "Heb je wel warme voeten,
meid; wil je me stoof eens hebben?" En dan weer: "Mietje, ga jij
vast sluiten op de oudste juffrouw 'r kamer, en steek 't licht op,
want ze gaat vanavond wat vroeg naar bed."
Uit Else's kamer klonk het vroolijke gelach door de suitedeuren heen,
en er kwamen tranen in Go's oogen van zelf-medelijden; o ja, vrienden
en vriendinnen had ze hier genoeg; maar wie bekommerde zich om haar,
als 'r wat scheelde. "Eet emser-pastilles," had De Veer gezegd, en
Else: "Je moest maar naar bed gaan." Maar daarmee was 't ook uit,
en nu lag ze alleen, en de kachel was bijna leeggebrand, maar ze kòn
er niet toe komen om op te staan, en 'm zelf bij te vullen.
Maar je bent toch gewoon 'n beetje verkouden, kalmeerde ze zichzelf,
daarvoor hoeft de heele wereld toch geen meelijdend, droevig gezicht
te zetten.
En ze hoestte blaffend met 't hoofd in de handen, benauwd ophijgend,
toen 't weer was bedaard, terwijl uit de andere kamer voortdurend
gegiechel en gejoel doorklinken bleef.
Nu werd er gebeld. Ze dacht, dat 't Henri of nog 'n blouse-meisje
zijn zou, maar 'n flinke klop klepperde op haar deur, en Gerard's
vriendelijk gezicht kwam in de opening.
"Jij?" riep ze verbaasd, en probeerde zich uit de shawls en
avondmantels los te werken.
"Nee, stil, blijf maar liggen; ik kwam maar 's even vragen, hoe
't is met de patiënt; ik had eigenlijk gedacht, dat je naar bed zou
zijn gegaan;.... je zag er vanochtend niets goed uit, en Hoefman,
die ik er naar vroeg, zei, dat je erg gehoest hadt op college."
"Verkouden; 't is niets," zei ze, dankbaar naar 'm opziende. "Els
heeft me warm ingepakt; morgen zal 't wel weer over zijn."
"Ik had je juffrouw 'n opdracht willen geven," zei hij, z'n verregende
city-bag op tafel zettend, "maar toen ik hoorde, dat jullie thuis
waren, wilde ik 't liever tegen Elsi zeggen, maar waar is die?"
"O, die heeft meisjes bij zich, om 'n blouse te maken; ik zal ze
even roepen; nee, ik kan wel; dank je." En Go wond zich vlug uit de
omhulsels los, schoof de suitedeuren open.
"Nee, nee, dicht," gilde 't haar angstig tegemoet, en ze zag in
den hoek der kamer, de drie meisjes in hun onderlijfjes angstig
opeengedrukt staan, en de grond met kleedingstukken en lappen
goed bestrooid. Snel sloot ze de deur achter zich, en "wat doen
jullie?" vroeg ze verbaasd. "Gerard Leeden wou je wat vragen, Else."
"Ach, 't was zoo lastig met passen telkens, dat aan- en uitkleeden,"
verontschuldigde Else, "en we hadden 't toch al zoo warm van den
inspannenden arbeid. De gangdeur is afgesloten... en we dachten niet,
dat jij..."
"Maar trek nu even je blouse aan, en kom binnen... komen jullie
dan ook."
Gerard had intusschen zijn city-bag opengemaakt, hield Go nu een
beetje verlegen 'n flesch wijn en 'n met kruidnagelen bestoken
citroentje voor.
"Bij ons geldt dit als 'n onfeilbaar middel tegen verkoudheid:
warme wijn met kruidnagelen," zei hij onzeker. "Als je dit drinkt,
vóór je naar bed gaat, word-je door en door warm, en je voelt je den
volgenden dag altijd veel beter. Ik dacht, dat jullie hier geen wijn
hebben zoudt, en daarom...."
Alweer tranen. Go werd er ongeduldig van, en omdat hij z'n beide
handen vol had, pakte ze'm bij z'n arm, spontaan, hartelijk: "Wat is
dat vreeselijk lief van je, Gerard," zei ze zacht. "Ik kan je niet
zeggen, hoe buitengewoon lief ik dát van je vind."
"In 'n trekpot moet je 'm warm maken," zei hij, en wilde al weer
naar de deur gaan, maar nu hield ze 'm terug, zette hem resoluut
op 'n stoel, en riep: "Nee, nu moet je natuurlijk hier blijven,
en meedrinken. Dacht je, dat ik de heele flesch alleen op kon! De
Veer zegt immers ook, dat meisjes niet drinken kunnen. Wil-je warme,
of gewoon koud? O, we hebben zooveel wijnglazen van de vorige heeren,
en ze zijn nog nooit gebruikt!"
Ze liep nu opgewonden de kamer op en neer. "Komen jullie
toch!" schreeuwde ze door de suitedeuren. "Ik geef 'n wijn-fuif. Willen
jullie warme wijn met kruidnagelen, of koude? Maak toch voort. Nu
hebben we onze groote wijnkast niet voor niets. Nu komt er 'n leege
flesch in."
Verbaasd kwamen de anderen binnen, het was 'n gelach en gepraat
en dooreengeloop, dat 't Gerard toescheen, of de heele kamer vol
meisjes was.
"Ga toch zitten," zei hij tegen Go, "en laat Elsi er voor zorgen. Je
ziet er wezenlijk niet goed uit, en je bent zoo opgewonden."
"Verbeelding! Ik voel me best. Nee maar, dat zal ik aan moeder
vertellen. Dat is 'n heerlijk middel tegen verkoudheid. Je voelt,
dat je er beter van wordt. Nog beter dan de warme punch, die De Veer
me aanried."
Ze vertelde nu, dat ze'm dien middag gesproken had; ook van hun
afscheid op den hoek van de Breestraat. "Waarom nou, hè; wat zouën
ze daar nu over hebben kunnen zeggen?"
Gerard keek even voor zich uit. "Ben-je wel 's 's avonds door 'n
student thuis gebracht en heb-je wel gemerkt, dat z'n vrienden 'm
dan niet groetten? Dat is alles om dezelfde reden."