"Os en ui," constateerde Go, die de schaaltjes geïnspecteerd had,
zoodra de juffrouw de deur achter zich had gesloten.
"Maar dat kan ik niet eten, die ellendige uien, en dat vleesch is zoo
zwart en onsmakelijk, dat je al náár wordt van 't zien: 't is nu al
de derde keer van de week, dat we dit menu krijgen!"
"Nijdas," plaagde Go, die, thuis gewend aan eenvoudig eten en met
'n nooit falenden, gezonden honger, onverschilliger op dit punt
was. "U moet weten: de n is hier anorganisch; Duitsch eidachs.... heel
interessant woord. Zie Franck of m'n dictaatcahier van dezen middag."
"Hou hier je goeje humeur maar 's bij," bromde Else nog, "als de
kachel er niet was, waarachtig--ik zou wanhopig worden."
De troostende kachel was 'n gezellig open haardje, dat den vorigen
Zaterdag, toen ze naar huis waren, was gezet. Else had er dadelijk
groote beuken blokken voor besteld, en nu stond 't te knetteren en
te vlammen, dat 't 'n lust was, alle muffe vochtigheid uit de kamer
verdrijvend.
"Zou je er niet bij gaan zitten?" vroeg Go na 'n poosje, toen Else met
'n somber gezicht ijsbeeren bleef van den eenen hoek van de kamer
naar den anderen, telkens met afkeer 'n klein stukje vleesch of
'n schepje aardappel-met-ui van haar bord oppikkend.
"Nee, voor zóó'n maaltijd niet,"--en toen schuivend met 'r
pantoffeltjes over 't zeil om de kachel--"voor 't spatten van de
vonken," had de juffrouw gezegd--"da's glad, zeg, zeker gewreven." En
ze gleed er langzaam overheen.
"Hé...., leuk--laat 's voelen," en Go sprong op, al
etende. "Lekker--laten we glijbaantje spelen, Elsi, dan smaakt 't
eten meteen beter."
"Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen."
"Nee, 'k zal ze uitdoen.--Zoo, jij eerst.... neem 'n aanloop."
In 'n oogenblik waren ze er "in": hun wangen begonnen te gloeien;
lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, vielen soms bijna,
balanceerden langs den kachelgloed.
"Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij politoeren het."
"Neem nog 'n stukje vleesch; dat vorige is al lang verteerd bij
zooveel beweging."
"Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens zag," proestte Else
't opeens uit, die in Den Haag altijd 't keurigste dametje van de
wereld was, en nu de neerzakkende haren vergeefs in de hoogte trachtte
te houden.
"En wat zouden ze thuis zeggen," zei Go, 'n beetje peinzend, zich op
't lage stoeltje neerlatend.
Het verwonderde haar zelf, dat ze in 'n paar weken zich hier al zoo
heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en
gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis
was geweest, had 't weerzien haar 'n hevige emotie gegeven; ze had
't gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van alles
door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen
haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet
kunnende begrijpen, dat alles z'n gewone gang bleef gaan--en 's nachts
was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen gebogen stond
en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele gezicht...
Maar dien tweeden Maandag was 't afscheid heel rustig en veel minder
pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen haar
aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of 's nachts, als ze in
de groote, donkere kamer lag...
"Zeg," zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, "ik heb nog
honger. Wat hebben we nog in de kast?"
"Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en flikjes."
"We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op 'n vork--en
de flikjes ook."
"Maar je schroeit van de hitte." Go hield haar servet voor haar
gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. "Pas op, de jouwe valt."
"'t Smaakt lekker," keurde Else, voorzichtig kleine hapjes nemend
van de heete kaak; "een eigenaardig smaakje.... vanille of zoo,
komt er aan."
"Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen," zuchtte Go, 'n slap
flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van den gloed, en
de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend over haar
slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de heete
lucht. "We lijken wezenlijk wel stokers--en de juffrouw zal niet
begrijpen, wat ons bezielt. 't Is al half zeven."
"Zeg, laten we naar Ceres gaan. 't Is dichtbij."
"Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of zoo?"
"Nee, 'n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op college zijn
er meisjes, die er altijd eten; 't moet er goed zijn."
"Maar zou de juffrouw 't niet gek vinden.... niets begrijpen...."
"Maar m'n hemel, de ploerterij!" praatte Else Han na. "Kom, trek gauw
je laarzen aan; 't is niet ver."
Even later liepen ze samen op 't donkere grachtje; ze waren nog nooit
's avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar meisjes dat ook
niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door 't uitgelaten spel,
tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de zoetheid van hun
heelemaal-vrij-zijn; en, Go's arm grijpend in 'n warme verrukking,
zei Else opeens: "Dol toch, hè, zoo saampjes; en te kunnen doen,
wat je wilt."
Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste menschen
waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten hemel
stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar 'n welkend
blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen
waren dichte, doode dingen. Maar op 't water, daar leefden rillend
de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam 'n
donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, wegduikend onder
't oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte tegen den donkeren
huizenachtergrond.
"Wat mooi," zei Go zacht, "wat 'n beeldig oud grachtje!"
Er kwam 'n jongen aan, rinkelend met z'n stok; 'n paar huizen van
haar af bleef hij staan, begon te fluiten; 'n verlicht raam werd
opgeschoven, 'n jongensstem riep: "Hallo!"
"Laat je de sleutel neer?"
"Nee, kom maar boven, de deur staat aan."
"Daar woont 'n student," zei Else, nog 's even omkijkend, "'t is
dicht bij ons.... dat was zeker hun clubfluitje, hè?"
"Ja; wat klonk 't leuk!"
Ze waren nu bij 't lichte huis op de Breestraat gekomen, gingen naar
binnen, onzeker en 'n beetje verlegen. 'n Onaangename etenslucht kwam
hun in de gang al in den neus: "Hier ook ui, hoor," lachte Else. Maar
't zaaltje binnen, vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige
muurversieringen deed haar prettig aan, en 't gedempte stemmengerucht
gaf 'n warm gevoel van intimiteit.
Terwijl ze 'n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens blozend:
"Kijk 's; Han."
"Waar?" en Go wilde dadelijk op 'm afstappen, maar hij zat met 'n
clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna de anderen de
hoofden tot 'm overbogen, zacht praatten, en daarna zijdelings naar
hen bleven gluren.
Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen belangstelling
voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te eten, niet met
gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar levendig en jolig,
met klaterende lachbuien en doorklinkende uitroepen.
"Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar," zuchtte Else,
terwijl ze langzaam 't hoofd van Han's clubje afwendde. "Je kunt zoo
zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf genoeg."
"Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar 's aan die glijpartij."
"Ja," peinsde Else, "zou Han hier altijd eten?"
"'k Weet niet; misschien alleen in tijden van geldgebrek."
"'t Smaakt heel goed; we konden wel 's meer hier gaan, hè?" vroeg
Else, 't hoofd dieper buigend, want eenige jongens waren opgestaan,
fixeerden haar in 't langs-gaan met bewonderende blikken. Go zag 't,
zei eenvoudig: "Die vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren,
wie je bent," en merkte niet, dat uit 't andere zaaltje algemeen de
aandacht werd gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de
groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden.
"Ze gaan weg," zei Else zachtjes, de vork neerleggend. Maar nu kwam
Han naar haar toe.
"Eet u vandaag hier, dames?" vroeg hij verwonderd. "Heeft de juffrouw
u dan tòch weggejaagd?"
"Nee, alleen maar op rantsoen gesteld," lachte Else, "we hadden nog
honger, en zijn daarom nog even 'n ommelet komen eten."
"O, dus u bent al klaar; 'n paar vrienden van me wilden graag aan u
voorgesteld worden, ook om 'n verzoek.... zoudt u dat goed vinden?"
"Uitstekend," zei Else verward, terwijl Go ging betalen.
Even later stonden ze, allemaal 'n beetje verlegen, voor de stoep
van Ceres, in 'n clubje.
"Vinden jullie goed, als we 'n endje oploopen, dan praten we
makkelijker," zei Han, "nee, niet allemaal op 'n rijtje." En hij ging
met Else vooruit.
"Heerlijk, de Breestraat bij avond," zuchtte Go bewonderend. "Ik heb
nooit 'n straat als de Breestraat gezien.... Dat is nu zoo iets, waar
je altijd heelemaal in 't midden moet loopen, met al die groote huizen
aan twee kanten ver van je af.... dat geeft zoo'n koninklijk gevoel."
De blonde jongen naast haar--Leeden geloofde ze, dat Han zei--lachte
met 'n kort, nerveus lachje. Hij had 'n forsche, hooge gestalte, en
'n stoere, rustige Germanekop, zooals ze zich altijd Ferdinand Huyck
had voorgesteld; z'n oogen waren vriendelijk en open, al meende ze
nu ook: "wat 'n echt kind" er in te lezen.
"Het stadhuis is heel mooi, 's avonds," zei hij met z'n scherpe stem.
"Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar één ding
heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, Han had heel vroeger,
toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier 'n torenwachter was,
die 's nachts om twaalf uur naar alle windhoeken op z'n hoorn blies;
daar had ik me wonderen van voorgesteld.... Ik was toen pas op 't
gymnasium, maar altijd als ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter
er bij.... ik vond 't zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van
plan één van de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te
gaan staan, om 't te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik,
dat hij er niet meer was...."
Aan haar anderen kant liepen 'n slanke, veerkrachtige jongen, dien de
blonde: Elders noemde, en 'n smalle, zwak-uitziende droomer-figuur,
die met z'n melancolieke oogen door z'n lorgnet haar, terwijl ze sprak,
dwepend fixeerde.
"Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden," mompelde hij voor
zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn woorden te storen,
levendig inviel:
"Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw Herderts
vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, Han
is zelfs praeses van 'n letterkundige club: "Laborando vincimus."
"Het is geen faculteitsvereeniging," vulde Leeden aan, "maar we
trachten de superieure elementen uit alle faculteiten bij elkaar
te brengen..."
"Anders dan genieën worden er niet geduld," verzekerde Elders.
"Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de zekerste
waarborg zijn tegen eenzijdigheid," ging de scherpe stem onverstoorbaar
voort. "Er ontbreekt in onze vereeniging maar één ding."
"Een gróót ding," zei de droomer.
Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde
't komen en was bang en gevleid.
"We hebben geen meisjes."
"Ons ontbreekt de vrouw."
"Na elke vergadering moet de ploerterij 'n nieuw tafelkleed geven, zóó
is er met bier en thee gemorst," spotte Elders, maar Leeden schudde
afkeurend 't hoofd. "Daarom is 't niet," zei hij eenvoudig. "'t Is,
omdat 't dwaas en verkeerd is, zoo'n vereeniging alleen onder jongens
te houden; omdat voor ons zeker, en we hopen ook voor de meisjes,
't veel beter en prettiger zijn zou, wanneer we samen leerden werken."
"Col-laboratie," vulde de in-zich-tevreden Elders aan.
"Eén meisje, dat Hoefman kende,"--de dichterlijke droomer keek
trotsch maar bescheiden--"heeft 't lidmaatschap van ons dispuut willen
aannemen; maar ik geloof zeker; ze vindt 't niet prettig alleen te
zijn, met acht jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld
en wagen we u te vragen, of 't u aangenaam zou zijn, als we u eens
te hospiteeren vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken."
"Sprekend 'n huwelijksadvertentie," bromde 't weer aan den anderen
kant.
"En..." hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar wangen waren
blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon ze:
"Ik begrijp niet, hoe u op 't idee van ons komt.... van Else wil
'k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen talenten of zoo,
en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou wezenlijk niets
met me kunnen beginnen."
"U hebt vizie," zei de droomer met 'n plechtige stem; waarop ze niets
terugzeggen durfde.
Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: "U stelt 't u allemaal
veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om iets te
praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig van
terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u
weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal...."
"Komen toch ook nog maar pas kijken."
"Jij tenminste, Hans," viel Leeden licht-geërgerd uit. "U moet ook
denken: hospiteeren is niet iets bindends; we kunnen kijken, hoe
't gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt probeeren."
"Ja graag, als Elsi ook wil," zei Go dapper.
"Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog 'n convocatie,
wanneer de eerstvolgende vergadering is."
'n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. Else
bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar
kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel
binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die
verwelkomde, of helpen wilde. Ze was 's avonds nog nooit uitgeweest,
had heelemaal nog niet aan zoo'n thuiskomst gedacht. Tastend zocht
ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de tafel--ze stootte
tegen de pan met melk, die de juffrouw op 'n bord al voor haar neer
had gezet: 'n plomp, gevoelloos ding.
En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe
't thuis altijd 's avonds was, wanneer ze uit was geweest: de lichte
gang, de lichte kamer, en moeder met 't naaiwerk, die 'r zoende,
en vroeg, of 't prettig was geweest.
En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild
snikken uit.
Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij elkaar
al bij den naam noemden.