Dien dag onder 't eten hadden ze bijna geen oogenblik rust gehad:
den heelen ochtend en middag hadden ze inkoopen gedaan, vooral voor
Go's kamer; want toen Else al haar rijkdommen had uitgestald, stak de
andere kamer daar treurig bij af, en dat kon Else niet hebben. Overal
hadden ze toen rondgezocht om heel veel moois bij elkaar te krijgen:
kussens voor de canapé, 'n tafelkleed, 'n theetafel, sarongs,
'n kachelscherm, stijlvolle stoelen--en telkens bij 't uitgaan van
den winkel had Else gezegd: "Stuurt u er dan mee--om 'n uur of vijf;
dan zijn we thuis; mèt de kwitantie."
Nu leek 't 'n lawine, en de juffrouw had er even over gedacht om
boos te worden over "dat eeuwige gebel." Maar juist had Else toen
háár raad bij 't kiezen van 'n klokje ingeroepen, en--gevleid--was
ze toen mee vroolijk gaan doen, zette telkens 'n gezicht, of 't háár
geschenk was, wanneer ze weer iets binnenbracht met grapjes van:
"Gunst, 't lijkt heusch wel Sinterklaas." "Wanneer zouën ze nou's
wat voor mijn brenge?" "Mevróuw Gerzon; dat moet zeker ù verbeele..."
Else had gebloosd, toen ze 't geld neerlegde, en 'n beetje strak
gezegd, strakker dan Go ooit zou kunnen of durven: "Wilt u na 't
eten deze stoelen maar meenemen, juffrouw? U kunt ze misschien ergens
anders gebruiken. We hebben liever onze eigen meubelen."
"Zeg," had Go angstig gefluisterd, toen de versmade stoelen harder,
dan wel noodig was, in de gang werden neergezet, met stooten tegen
de deurposten. "Zeg, Elsi; ik geloof, dat je 'r boos hebt gemaakt."
Dat had haar even de vreugde over haar nieuwe schatten bedorven; maar
toen 't stil was geworden in de gang--de juffrouw was zwaar-langzaam
de trap opgestommeld--en ze al 't mooie om haar heen had zien
liggen, wachtend om opgehangen en geschikt te worden, had ze, in
'n overstelpende blijdschap, Else opeens om 't middel gepakt, en als
dol hadden ze samen de ontredderde kamer doorgedanst, onder zachte
kreetjes van verrukking.
Toen waren ze aan 't werk getrokken, grondig en met toewijding:
"al duurt 't tot twee uur in den nacht, we zullen eerst alles in
orde maken," had Else gezegd; en die stond nu op de schrijftafel,
die met veel moeite naar den schoorsteen gesjouwd was, sarongs om den
ouden spiegel te drapeeren, terwijl Go op den grond zat, omringd door
'n muur van laden, die ze uit alle kamers bij elkaar hadden gehaald,
om ze van kastepapier te voorzien.
De canapé hadden ze voor de deur geschoven, opdat ze geen onverwachten
inval van de juffrouw behoefden te vreezen en volkomen zich aan hun
werk zouden kunnen wijden. Else deed alles met schwung en gratie,
liep telkens 'n endje op de schrijftafel achteruit om 't effect van
'n draperie te zien, zuchtte alleen, als ze weer 'n spijker in 't
hout moest werken met 't heft van 'n mes, want ze hadden de juffrouw
geen hamer durven vragen.
Go ging langzamer en consciëntieuzer te werk; van elke la nam ze
zorgvuldig met 'n centimeter de binnenmaat, zette deze uit op 't
papier, trok dan langs een liniaal de streep, waarlangs ze moest
omvouwen.
"Wat is er in 'n huishouden toch veel te doen, hè?" zei ze
peinzend. "Als je nu alleen maar 's rekent alle laden en kasten in
'n huis van papier voorzien, wat toch maar 'n zoo klein onderdeeltje
is, dat ik er moeder nooit over heb hooren spreken."
"Ja," antwoordde Else verstrooid, "denk je, dat ie zoo goed zit,
zeg? Jij kunt er beter over oordeelen, van beneden af."
"Ja, ik vind 't prachtig. Dat zal den spiegel opknappen, zoo'n
omlijsting."
"Geef me dan die zwarte met bruin 'es aan."
Go zwierde de sarong door de lucht, die juist neerkwam over Else's dik,
blond haar: "Hè, waarachtig, 't zou aardig staan, zoo'n doek over je
hoofd; wat 'n kleuren toch, hè?" bewonderde ze zich in den spiegel.
Daar werd geklopt.
Go, die juist 'n streep trok, liet met 'n zenuwschok 't potlood uit
haar hand vallen; Else stond als verstard, de sarong beschermend
tegen haar borst gedrukt.
"De juffrouw," bewogen Go's lippen, zonder geluid te geven: ze zag zich
al op straat gezet; de krassen, die Else's hakken op de schrijftafel
hadden gemaakt, dansten voor haar oogen.
"Binnen," klonk 't toen, wanhoops-moedig.
De deur werd langzaam opengewerkt, de canapé verschoof 'n endje;
om den hoek kwam een lachend jongensgezicht, dat naar den chaos op
tafel, de vreemde figuur in de hoogte, de ladenpyramide keek en toen
verlegen begon: "O, excuseer, ik kom, geloof ik, niet erg gelegen...."
Maar de beschermende vestingwerken stortten met donderend geweld
ineen, Go viel met beide handen uitgestrekt over de canapé naar den
weifelaar toe en jubelde in verrukking: "O, Han, ben jij 't? Wat ben
ik vreeselijk blij! We dachten, dat 't de juffrouw was; kom toch
binnen--hoe heerlijk--dat is Elsi, je kent 'er toch.... moeder's
nichtje.... m'n neef Henri."
"Niet zóó," bracht Han in 't midden, en nu brák de spanning: Else
wierp de sarong af, liet zich neervallen op den schoorsteen en
barstte in 'n onbedaarlijk lachen uit; Go liep heen en weer, van
den eenen kant naar den anderen, telkens weer wat afgooiend, wat 'n
nieuwe proestbui veroorzaakte, en Han, wat vaderlijk, want hij was
al vierde-jaars, keek naar de uitgelaten, knappe, gezonde kinderen,
zachtjes meelachend, en dan weer zeggend: "Maar bedaar toch; wat is
er nu eigenlijk gebeurd? Wat voer jullie uit? Zal ik weggaan?"
"Nee, nee," schudde Go, "we zijn juist blij, dat je er bent.... maar
we schrikten zoo vreeselijk; we dachten, dat 't de juffrouw was.... wat
zou die wel gezegd hebben!"
"Maar m'n hemel: de ploerterij! Wat komt dat er nou op aan!" vroeg Han,
die nog altijd de "clou" niet begreep.
"Elsi heeft krassen gemaakt in haar tafel, en we willen haar boeltje
er uit hebben, en alles veranderen."
"Mag ik dan misschien meehelpen?" bood Han aan, z'n handschoenen
uittrekkend. "Als u van die hoogte afkomen wilde, juffrouw Gerzon, zou
ik den spiegel kunnen drapeeren. Dat is geen werk voor meisjeshanden."
"O, dol, ja," zei Go, "als jij helpt, zal 't opschieten.... maar vin-je
't niet vervelend? Dat je nu net zoo'n rommel treft...."
"Ik vind 't prettig, wezenlijk," en hij hielp Else voorzichtig naar
beneden, "dan dien ik toch nog 's ergens voor."
"Maar hoe kom je hier? Hoe wist je ons adres?" Go had zich nooit zoo
heel veel aan dien neef gelegen laten liggen, had 'm fattig gevonden en
blasé. Nu, hier, in deze stad van louter vreemde menschen, voelde ze 'n
innige vriendschap, 'n groote dankbaarheid voor z'n hartelijkheid. Hij
bracht haar in herinnering de familieavondjes thuis, bij verjaardagen
in het ouderwetsche salon, met de piano in den hoek; hij stond in
verband met het lieve, vertrouwde leven, dat ze nu verlaten had.
"Moeder schreef me, dat je vader bij hen was geweest, en je adres
had opgegeven.--Ze vroeg of 'k eens wilde gaan kijken, hoe je
't maakte...."
"Schrijf niks van den rommel," lachte Go, "want dan rijzen m'n keurige
moesje de haren te berge."
"Ik zal hun vertellen, hoe je kamer er uitziet, als ze in orde is."
Go was nu klaargekomen met de laden, en zat ringetjes aan de
tochtdekens te naaien. Else schikte beukeblaren en Judaspenningen
in de vazen, legde kleedjes over de kleine tafeltjes, stil-gracieus
in haar bewegingen, met 'n verhoogde kleur van opwinding. Ze hield
anders niet van de familie van Go's vader, 't waren burgerlijke,
stijve menschen, waar ze niet mee opschieten kon, maar déze neef was
aardig, 'n gentleman, nette manieren, aangenaam uiterlijk; z'n stem
zelfs iets geaffecteerd, maar prettig om naar te luisteren, en hij
praatte zoo makkelijk....
"Toen 'k de juffrouw naar m'n nichtje vroeg, zei ze dadelijk, dat ik
maar door moest gaan.... daardoor kwam 'k zoo binnenvallen...."
"We kennen nog heelemaal niemand hier, daarom is 't zoo heerlijk
'n bekend gezicht," zei Go.
"Maar je hebt toch wel al college gehad.... letteren, hè?... ja,
ik ken bijna alleen juristen--maar hoe bevallen je de menschen? En
de proffen?"
"Och, van de studie kan ik natuurlijk nog niets zeggen."
"'t Eerste jaar niet," onderbrak hij.
"Maar de omgeving, de menschen vallen me vreeselijk tegen.... Ik had me
altijd voorgesteld 'n groote, hooge, witte zaal met oploopende banken,
en de professor op 'n soort preekstoel....en dan heel veel beschaafde
heeren, en 'n enkel meisje, die allemaal zaten te luisteren...."
"En luisteren ze niet?"
"Ik heb 't eerste college níet kunnen luisteren van de
teleurstelling.... daar zaten we in 'n gewone leelijke kamer,
met gebloemd behangselpapier, allemaal aan tafeltjes met
stoelen....onnoemlijk veel meisjes, en wat schunnige jongetjes...."
"Ja, letteren hebben in de Kloksteeg....maar u studeert rechten, is
't niet juffrouw Gerzon; u bent dus in de universiteit."
"Ja, en die is wel mooi.... ik vind 't binnenkomen er altijd prettig:
zoo koel en zoo rustig."
"Ik denk, dat u wel gauw 't buiten-komen nóg prettiger zult
vinden.... Ach ja, 't blijft 'n school, alleen met gróóte kinderen."
"Maar ieder studeert nu toch z'n lievelingsvak," wierp Go tegen. "Dat
is op school heel anders; daar moeten talen-menschen wiskunde
leeren, en wiskunde-hoofden worden met talen volgepropt. Hier kies
je zelf. Nee, ik verheug er me wel op...."
"Jeugdig enthousiasme hoor," zei Han, de schrijftafel op z'n plaats
sjouwend. Je blijft hier net zoo goed gedwongen allerlei dingen te
leeren, die je niet schelen kunnen, als vroeger.... Kijk: ik verlang
advocaat te worden, met hart en ziel.... ik vind 't iets prachtigs. En
toch zijn er colleges, die 'k graag met tien spiegel-draperieën af
zou koopen."
"Hij is beeldig," bewonderde Else. "Nu is 't heusch in orde."
"Heb je ooit zoo'n pracht van 'n kamer gezien!" riep Go, terwijl Else
voorzichtig 'n paar beeldjes en vaasjes van de juffrouw in de gang
zette, meteen 't oudste meisje opdragend "'n ons lekkere koekjes"
te halen.
"Nu krijg je voor belooning, wat thee en gezelligheid," praatte Go
door, "je bent onze eerste gast."
En toen Else, even later, rondging met de koekjes op 'n mooi kristallen
schaaltje uitgespreid, voelde ze voor 't eerst de aangename emotie
van het zelf-ontvangen in eigen huishouden.