Het was op de eerste groote vergadering van de
vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal
in 'n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over "De
kinderwetten," de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den grond,
gestut door hun knieën; maar nadat 't groote, blonde meisje met 't
rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden nog even kort maar
overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses de vergadering
geschorst: "om limonade te schenken, en nader kennis te maken,"
en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, omdat de ernst van 'n
"vergadering" toch altijd iets drukkends had, waren alle lichte
figuren opgestaan, op elkaar toegeloopen, dooreen gedwarreld, het
statige bestuur had z'n plaats achter de groene tafel verlaten en
zich onder 't "vulgus profanum" gemengd, er werd gelachen, geplaagd,
ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die
op het biljart klaar stonden "ter eere van de hospitanten," terwijl
nu en dan één achter 't scherm, dat de lekkernij-voorraad verborg,
omwipte, om er ééntje te snoepen, waarbij ze meestal in flagranti
werd betrapt en luidruchtig gehoond.
De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke,
licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel,
waarop foto's van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol meubilair
en warm-tintige rustbanken in de hoeken--werd door niets het harmonisch
lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in 't oogenblik
levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, 'n beetje achteraf,
tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd de gesprekken
waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche gezichten,
moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de menschen vaak
"meisjesstudenten" nog beschouwden--als leelijke, onvrouwelijke,
bleeke stumperts--terwijl ze hen hier zag, elegant en bloeiend als
weelde-artikel-meisjes, maar met een bezieling en overtuiging in haar
stemmen en oogen, die ze maakte tot bewuste vol-menschen.
Aan den overkant van de zaal stond Else met 'n clubje
rechten-collega's,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke manieren
en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan.
Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te
veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken
tot ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden,
die niet van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij
en open te voelen.
Eerst toen ze 'n meisje van college ook alleen zag staan, ging ze
er schuchter naar toe, stak haar hand uit. "Je heet Lize hè.... Lize
Schermer?"
"Ja," zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze
had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar
breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere
oogen, deed ze denken aan een aap, en het berustende heimweh, dat uit
haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de uit 't zonnige
zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren zoo roerend maakt.
"Maar jij bent hier toch niet voor 't eerst," praatte Go door,
"je bent toch al tweede jaars."
"Ik ben er voor 't laatst; 'k ga er uit."
"Hé, vin-je 't hier dan niet prettig? Ik krijg zoo'n mooien indruk
vanavond, en 't is toch goed...."
"Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik m'n
geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de aardigheid. Ik
moet later voor mezelf zorgen."
"Ik ook," zei Go eenvoudig. "Maar je kunt toch niet altijd werken,
zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist zoo'n uitstekende
ontspanning: ontwikkelend, gezellig...."
"Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet veel
halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. 't Is maar
'n pretje, 'n afleiding. Vroeger maakten ze handwerkjes om den
tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat toch wel zoo
vermakelijk is."
"Maar de meesten doen 't toch wezenlijk uit overtuiging, roeping!" Go
had een kleur gekregen, en voelde zich pijnlijk-opgewonden worden
onder de afbrekende woorden van het sombere vrouwtje.
"Roeping! Maar m'n hemel, wie doet dáár tegenwoordig nog aan! Denk je
wezenlijk, dat één van de meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping
haar vak gekozen heeft, en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat
haar studie haar boven alles gaat.... Maar dat is trouwens bij mannen
meestal 't zelfde; alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid,
't heilige moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen
kan. Maar nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle vrouwen...."
Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; er
zou nog 'n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot debatteeren.
Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even 't hoofd
wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den bitteren trek om de
hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen naar 'n zonniger land.
Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes 'n beetje opgeruimd hadden,
gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize toegegaan,
om, in 'n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden kant uit moest,
maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten woonde, was toen
in 'n donkere regenmantel met verkleurende strepen, weggegleden als
'n schim.
Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad
doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op 't
Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg
langs. De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde
niet. Het was, of alles in 'n oogenblik van volmaaktheid was verstard,
en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen.
"Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?" vroeg één der
oudere meisjes.
"Ja, ik geloof, dat het er prettig is, 'n hartelijke geest heerscht
er, en alles is aardig ingericht...."
"Ik vind," zei 'n andere oudere weer, "dat je dán eerst er over
oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, als je ons clubleven
hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen college loopt, is
je leven niet zoo heel verschillend van dat van onderwijzeressen
of zoo. 't Is juist ons samenleven, ons vereenigings-leven,
dat van 't gewone vrouwenbestaan afwijkt. We staan in verbinding
met de zustervereenigingen aan andere universiteiten, we zenden
afgevaardigden, als er feest is.... en alles onder meisjes."
"Dat vind ik nu juist jammer," kwam Go opeens, met haar heldere,
besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook nu
onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend
naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich 'n
beetje te hebben doen kennen, opeens met 'n overtuiging kwam. "Ik
meen, dat we zoo heelemaal niets met 't corps te maken hebben, dat
we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had gedacht...."
"Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten," viel Mary Bruining,
'n ernstig, donker meisje, in, "en ik geloof, dat ze gelijk hebben
en dat de maatregel meer is genomen uit angst voor de ongebondenheid
der heeren--, dan uit afkeer voor de dames-studenten. Omdat voor
ons dergelijke bezwaren niet bestonden, hebben we introductie voor
jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk gemaakt. De studenten zijn
voorloopig niet zóó, dat we van houding veranderen kunnen."
"Maar komt 't een niet door 't ander?" riep Go levendig, en haar
kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af bij de rustige zekerheid
van haar bestrijdster. "Was 't niet onze plicht méér voor de jongens
te zijn, en zou dan niet vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op
kamers woon--en ik heb toch nog altijd Else--begrijp ik 't pas, hoe
vreeselijk 't voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen,
hier opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen,
hoe ze 't er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden
moeten loopen,--en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, dat
't er koud en donker zal zijn...." En rillend dacht ze even aan haar
eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had kunnen vinden,
en er niemand was om haar te helpen.
"Ik geloof, dat je overdrijft," zei Mary rustig. "Zooals je daar
't kamer-leven van jongens voorstelt, zoo voel jij 't, en zoo zullen
meer meisjes 't voelen, omdat 'n meisje veel meer aan haar huis, haar
familie en de gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps,
hun clubs, hun vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan
dat ze over eenzaamheid klagen. Vind-je, dat 'n student gewoonlijk 't
meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op 't hoogtepunt
van z'n kracht, z'n verwachtingen, z'n levensvreugde? Maar àls er nu
inderdaad eens jongens waren, die er onder leden, wat zouden we dan
nóg kunnen?"
"Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat
ontbreekt hun 't meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun collega's
zijn, hun 't beste geven. Dat is toch geen co-educatie, die zich
beperkt tot 't in dezelfde zaal college loopen, dezelfde studie
volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel hartelijker voorgesteld,
en 't zou voor ons allemaal zoo goed zijn. Alle meisjes vinden toch
niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen geven, en zooveel meisjes
zijn eenzaam, en voor de jongens.... we zouden elkaar aanvullen."
"Ik geloof dat hier weer één van de moderne dwaalbegrippen bestreden
moet worden," oreerde nu 'n klein, in haar mantel gedoken wezentje, met
de scherp-geaccentueerde stem van iemand, die gewend is te betoogen:
"nl. dat veel menschen de co-educatie zóó op de spits willen drijven,
dat 'n meisje alleen nog maar vrienden, 'n jongen alleen vriendinnen
hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op 'n lang-overwonnen
meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar aanvullen. Er is
al meermalen met klem betoogd, dat specifiek vrouwelijke of mannelijke
eigenschappen, eigenschappen uit kracht van hun geslacht, maar fictie
zijn, tenminste in 't gewone leven. Dat die volkomen 't gevolg zijn
van individueele aanleg, herediteit, omgeving, enz. Daar meisjes,
die komen studeeren, gewoonlijk boven de middelmaat staan, zullen er
zeer uiteenloopende, sterksprekende karakters onder zijn. Die brengt
de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, bij wie ze zich aansluiten wil;
welke eigenschappen elkaar aanvullen.... Wat de jongens betreft,
die hebben eveneens hun corps."
"Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben," verweet Go. "Ik weet
't zeker. Misschien hebben wij ze niet noodig; zij ons wel."
"Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier al
aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de
onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden, net als wij. We
zijn niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn."
Ze waren nu juist bij de kroeg, waar 't licht door de neergelaten
gordijnen siepelde. 'n Paar jongens liepen pratend de hardsteenen
stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende oogen en dacht:
"Als ik nu 's ze na ging, naar binnen, en aan allemaal m'n evangelie
van verbroedering verkondigde?"
Mary had den blik uit de groote, open oogen gezien. Ze was niet gerust
over dat vertrouwende, gevoelige kind.
"Kom 's bij me praten," zei ze hartelijk bij 't afscheid, "ik zou
't prettig vinden, als we elkaar beter leerden kennen."