Else lag achterover op het "bakbeest van 'n canapé", en speelde
peinzend met haar dunne vingers in de gaatjes van een der gehaakte
ster-antimakassers, die de juffrouw ter versiering aan de twee hoeken,
en in 't midden op het rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat
op den grond, leunde 't hoofd tegen de houten lambriseering, beenen
recht-uit gestrekt van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de
schemerende kamer in, terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming
breken kwam.
Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de
nieuwigheid--ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames
nooit--zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen
en vorken de servetten en 't laken in de ouderwetsche bonheur du
jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te
glanzen in 't grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er onder
geschoven, gaven 'n onaangenamen indruk van onbewoondheid, nog
vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van 't lang
gesloten zijn geweest. Want toen ze 'n middag in Augustus--Go en
Else en Else's Vader en Moeder--na den heelen warmen, zonnigen dag
de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met stijve halzen
van 't opkijken naar de huurbordjes, en doove beenen van 't trappen
klimmen--eindelijk op het stille grachtje waren gekomen, bij het oude,
hooge huis, toen waren alle groene blinden toe geweest, en de juffrouw
had verzekerd, dat ze ze toe hield, tot ze kwamen, "om 't verschieten
ziet u, dames." En ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden
zorgen geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de
hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had gehouden.
Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen 'n eindje
opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes bewegen. Uit
zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát alles kostte, hadden
ze geen licht aangestoken, omdat je in 't donker evengoed uitrusten
kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon nichtjes, vreemd voor
elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich den voorbijen dag,
den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven.
Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest--eenig
dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders--had de nieuwe
omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer,
dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten
om te studeeren, omdat 't haar wel 'n aardig leventje leek en ze 'n
helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra 't haar niet
beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in 'n vreemd pension,
waar ze eerst even moest wennen, dacht verder gewoon door aan haar
leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, waar ze bij
bleef behooren, al was ze volgens 't verhuisbiljet nu ook inwoonster
van Leiden geworden.
Voor Go was 't alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar
leven. Zij was de oudste van 'n groot gezin, waarvan ieder zich-zelf
'n weg zou moeten banen, en de jaren op 't gymnasium had ze gewerkt
en geleerd om toch eenmaal hiér te kunnen komen. Daarvan had ze
alles en alles verwacht, en 't had haar vaak zóó heerlijk geschenen,
dat ze dacht, 't wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn,
jong onder jongen, studeerend onder studeerenden, die allemaal 't
zelfde wilden, 't zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid
voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, àlles,
wat haar interesseerde, kunnen volgen.
Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en 'n zonnigen ochtend
naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de coupé
gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken om "kamers te
zien". Oom en Tante vonden goed, dat Else, die wel wat àl te verwend
was, met Go zou samenwonen, omdat deze zooveel minder behoeften kende,
terwijl ze er op aandrongen beiden hetzelfde zakgeld te mogen geven.
Maar Go was zéker geweest, dat er in heel Leiden geen kamers voor hen
te krijgen zouden zijn, en toen eindelijk 'n geschikt verblijf gevonden
en alles afgesproken was, dacht ze nog: "Maar er komt natuurlijk wat
tusschen, het kàn niet, het kàn niet, 't zou te heerlijk zijn."
Tot ze dien ochtend wakker was geworden, en op eens rechtop in bed
had gezeten en geweten had: dat 't zoo wàs.
Toen had ze zich nerveus-vlug aangekleed, in 't koele, vreemde licht,
plots niet blij meer, maar báng voor de vervulling van haar hevig
wenschen. En beneden was alles ook ongewoon en plechtig geweest: de
kinderen waren al binnen en stiller en liever dan gewoonlijk. Vader
had er zoo ernstig uitgezien, of hij haar nog veel goeie raad wilde
meegeven, maar hij had niets gezegd; en moeder liep al maar heen en
weer om allerlei kleinigheden nog in haar handkoffertje te pakken:
"Kijk, Go, je overschoenen--en hier 'n pak chocolaad, ook voor Elsi--en
je staalpillen; vergeet vooral niet ze in te nemen, kind",--Marietje
had boterhammen gesneden; die werd nu de oudste; zij was de eerste,
die de wereld in-ging.
En al zei ze zich telkens, dat 't onzin was, al die plechtigheid en
droefheid; en al noemde ze zich zelf de dwaaste van allen, toen ze,
wild-snikkend, haar zakdoek tusschen de tanden geklemd, in den lichten
ochtend naar 't station liep, telkens weer opnieuw uitbarstend, als
ze zich 't bleek-vertrokken moedergezicht voorstelde, dat toch flink
kijken wilde, de bevende lippen, de oogen, die lachten en vol tranen
liepen--m'n hemel, ze kwam toch Vrijdag weer thuis; wat was nou 'n
afscheid van vijf dagen--tóch voelde ze: dit was het uitgaan uit 't
ouderlijk huis, 'n periode lag achter haar, afgesloten, waarin ze veel
liefs en vertrouwelijks liet. Moeder en Vader en de kinderen bleven
bij elkaar: het gezin; zij begon 't nieuwe, onbekende leven, alleen.
En dát gevoel--dat de komende jaren over haar heele toekomst
beslissen zouden, dat haar "leven" in de kleine, onbekende stad
zou worden gemáákt,--had ze weer en sterker gehad, toen Else en
zij samen uit 't station waren gekomen, en even stil waren blijven
staan, koffer-beladen, om te kijken, naar wat haar nog heelemaal
vreemd was. Dat oogenblik stond in haar hoofd gebrand, als iets,
dat nooit vergeten kán worden: "hier wacht me het groote geluk of
't groote verdriet."
Toen waren ze, onzeker van den weg, hier en daar kamers herkennende,
die ze hadden "gezien", naar hun eigen tehuis gesjouwd, waar de groote
koffers met kleeren en kamer-versieringen, de meeste van Else, hun
al te wachten stonden; en den heelen dag hadden ze niets gedaan dan
bukken, lichten, heen en weer loopen van kamer tot kamer, telkens
zich weer vergissend met de deur, struikelend over de ongelijke
traptreden. Nu konden ze niet meer, óp van inspanning en emotie, en
in de steeds meer donkerende kamer, waarin 'n lantaarn wat lichtglans
wierp, zaten ze zonder bewegen.
"Zeg", zei Else eindelijk droomerig, met 'n langen zucht, "ben je
wakker, Go?"
"Ja, en ook wel 'n beetje uitgerust."
"Weet je, waar ik zoo aan lig te denken? Wat die laatste student,
die hier gewoond heeft, voor 'h man zou zijn geweest."
"De juffrouw zei: 'n volmaakte, keurige, knappe, aardige meneer.--Maar
dat zijn alle meneeren in de oogen van hun juffrouwen. Pa zegt:
"de "meneer" is 't ideaal van z'n ploerterij." Bovendien weet je,
dat hij bretels droeg, en wit-beenen overhemdknoopjes."
Else lachte, en zette zich een beetje rechtop: "Hoe mal eigenlijk,
dat de juffrouw al dien tijd nooit in de waschtafella gekeken heeft,
wie weet, wat we nog meer van onzen voorganger vinden, behalve die
toiletartikelen, vanmiddag."
Ze zwegen even: toen zei ze langzaam:
"Ik vind 't zoo'n vreemd idee, hè, al die jongens, die hier al hebben
gewoond en geleefd.... ze verhuren wel al vijf-en-twintig jaar,
zei de juffrouw, éérst 'r moeder, nu zij."
"Ja, en de eene "meneer" is nu dominee, en de ander gesjeesd, en nog
'n ander misschien minister.... en...."
"En wij, over een jaar of acht?" peinsde Else; maar Go wilde
ontvluchten 't angstgevoel voor 't onbekende; fantaseerde door:
"ze hebben allemaal aan dezelfde tafel gezeten, dezelfde stoelen
gebruikt; op die canapé gelegen...."
"Veel smaak hadden ze dan niet, als ze zoo'n omgeving verdragen
konden.... We zijn nu veel te moe van 't uitpakken, maar morgen
moeten we hier 's grondige opruiming houden, hoor!" en om te
beginnen trok Else de anti-makassers van de canapé, spreidde ze
met komische voorzichtigheid over haar knieën: "In de eerste plaats
deze kunstwerken."
"Maar zou de juffrouw daar niet boos over zijn?" Go's respect voor
de hospita was zóó onbegrensd, dat iedere opdracht in haar mond tot
'n smeekbede werd, en ze niets zoozeer vreesde, als háár te mishagen.
"Maar Go, 't zijn toch ónze kamers. Bovendien verslijten haar bullen
dan niet, kan ze alles weer als nieuw ophangen voor onzen opvolger. We
zullen morgen heel wat moeten koopen om de kamers wat dragelijk te
maken.--Gelukkig heeft vader ons carte blanche gegeven."
Ja, maar je moet niet overdrijven, Elsi. Ik vind 't niet prettig in
zoo'n weelde te zitten, als ze thuis eigenlijk...."
"Egoïst," hield Else zich boos. "Of ik 't prettig vind in 'n schunnig
boeltje te zitten, komt er niet op aan, hè?"
Go voelde haar oogen warm worden, toen ze opstond; ze ging aan 't
voeteneinde van de canapé zitten, legde haar hand over Else's handen:
"Wat kennen we elkaar eigenlijk nog weinig, hè! En nu zijn we opeens
samen 'n huishouden. Ik hoop zoo, dat 't goed gaan zal; ik zal m'n
best doen."
Else hield niet van scènes, was 't ook niet gewoon. Dat je uiterlijk
nooit moet laten blijken, wat je innerlijk voelt, had ze van klein
kind af, veel onder vreemden, geleerd. Ze maakte haar handen zachtjes
los en stond op: "'t Zal wel wennen," zei ze eenvoudig, "de eerste
dagen is alles vreemd. Kom, laten we 't licht opsteken en de gordijnen
dicht doen."
"Ja, ik wou nog naar huis schrijven," zei Go week en ze keek naar
haar schrijftafel waar--'t eenige hoekje, dat al in orde was--de
portretten van vader en moeder en al de broertjes en zusjes stonden.
"Ik ook, en dan gaan we slapen," besloot Else.