ZEEVAART.

Natuurlijk heb ik ook de Zuiderzee bevaren en geen klein beetje, bij

allerhande weersgesteldheid en in allerhande vaartuigen. Er bestaat

keus genoeg. Mijn eerste Zuiderzee-reis, nu al lange jaren geleden, was

met de nachtboot van Amsterdam naar de Lemmer, een tochtje dat ik mij

nog opperbest herinner, vooral doordat we in den vroegen killen

zomermorgen afschuwelijk zeeziek werden in ’t Val van Urk, waar nogal

deining stond. Toen zijn we gaan wandelen in Gaasterland bij lekker

zonnig zomerweer den heelen dag. Over Balk en Sloten wandelden we terug

naar De Lemmer, om ’s nachts weer naar Amsterdam te stoomen en toen

kwamen we er beter af. Dit is voor jongelui uit de hoofdstad, die niet

te best bij kas zijn, een van de prettigste en goedkoopste manieren, om

eens heel iets anders te zien en te beleven, dan gewoonlijk.

Later heb ik het nog op allerlei manieren geprobeerd; met de veerboot

van Enkhuizen naar Staveren, met tjalken, beurtschepen, bottertjes,

torpedobooten, motorjachten en ook met kleine wrakke mosselenschuitjes,

die lekten als een zeef. Ik ben zelfs nog eens in Amsterdam ergens op

het stadhuis geweest en daar is mij een papiertje uitgereikt, waarin ik

beschreven werd als „schipper van een jol”. Waarvoor dat diende, weet

ik eigenlijk niet meer, ’t zal wel iets met de belasting of politie te

maken hebben gehad, want die komen overal bij te pas.

Dat jolletje had ik mij laten timmeren op een klein werfje in

Amsterdam, dat ook al niet meer bestaat. Het vaartuigje was volkomen

zeewaardig en toch zoo licht, dat twee man het over een dijk konden

sjouwen. Ik had haast geschreven „met gemak”, want ik houd ervan, om

over de dingen van dit leven met lof te spreken, maar als ik me

herinner, hoe vaak „De Pijlstaart” mij een verrekten rug en bebloede

handen heeft bezorgd, dan moet ik mij meer gematigd uitdrukken. Het

schuitje was van greenenhout en had precies zestig gulden gekost,

spiksplinternieuw, met de riemen incluis. Lang heb ik het niet gehad,

want toen het eens ter reparatie was, is de werf failliet gegaan en

door een „vergissing” is daarbij het Pijlstaartje gevlogen.

Maar wat hebben we er een plezier van gehad, vooral op zomeravonden.

Het schuitje was gestald op een boerderij in de Watergraafsmeer en dan

roeiden we in den laten namiddag eerst de Ringvaart af en dan het

Nieuwe Diep over naar het Iepensloter sluisje. Daar hadden we dan een

heele karwei, om onze Pijlstaart over den zwaren Zuiderzeedijk heen te

krijgen. Het was echt sjouwen en sleepen en op de rotsblokken van den

buitenberm ging er wel eens een splintertje verloren. Maar eindelijk

lag hij goed en wel in zee en dan konden we gaan, waarheen wij wilden:

naar den Modderdriehoek, naar de Batterij, of als we eens een heel

avontuurlijke bui hadden heelemaal naar den Overkant, den hoek van

IJdoorn om en dan bleek het, dat ons ranke notedopje heel wat wind en

golfslag kon verdragen.

Als er dan in Schellingwou pas geschut was, moesten we oppassen om niet

aangevaren te worden, want er komt dan soms een heele optocht opzetten

van stoombooten en tjalken. Maar als we die goed en wel gekruist

hadden, dan ging het om den vuurtoren heen langs de polder IJdoorn en

daar slopen we langs alle kreken en binnenwatertjes, om daar de

vogelwereld te bestudeeren, vooral om er op te letten, wat daar in den

zomeravond kwam voorbij trekken of voedsel zoeken op het slib. Wat kon

het daar kil en verlaten worden, als de zon was ondergegaan en de

sluislichten van het Rijnkanaal bleek blonken tegen den avondhemel. De

tureluurs en wulpen lieten hun welluidend gefluit hooren en in diep

stilzwijgen kwamen scholen kemphaantjes voorbij schieten, terwijl heele

gezelschappen kievitten hun avondbadje namen langs den rietzoom, waarin

een bleeke lila schemering was van vele heemstplanten. Er was een

weeïge geur van zeewier en de golfslag gleed langzaam langs de gladde,

steil uitgeknaagde kleioevers.

We hadden soms rare ontmoetingen, want daar op de Amsterdamsche

Zuiderzee gebeurt nog al eens wat. Heel rare smalle spitse schuitjes,

nog lichter dan ’t onze, maar lang zoo zeewaardig niet en laag op ’t

water, gleden voor ons uit, den roeier met den pet diep in de oogen,

een klein roestkleurig hondje, tot geen enkel ras behoorend, op den

achtersteven. We wisten wel, dat die baas een berucht wilddief en

fuikenlichter was, dat hadden visschers, die ons eerst voor dieven

hielden, ons wel verteld. Eens werden we aangehouden door een bootje

met twee kanonniers van ’t fort en een andermaal, toen we ons wat te

lang hadden opgehouden en haastig huiswaarts roeiden, werden we, zonder

dat we ’t wisten, achtervolgd door de waterpolitie. Wij roeiden goed,

maar die politiemannen roeiden beter en na een zeer opwekkende jacht

kregen ze ons te pakken in ’t riet van ’t Nieuwe Diep.

Maar onze papieren waren in orde en wij waren een ervaring rijker. Ik

heb in mijn schetsboeken uit dien tijd nog heel wat mislukte pogingen,

om dat tooneel te vereeuwigen: het donkere water, het silhouet van ’t

groote Gemeenlandshuis, onze hond pikzwart en doodstil op de voorplecht

van de Pijlstaart, de politiemannen onze schuit vasthoudend en tegelijk

bij ’t licht van hun dievenlantaarn onze papieren onderzoekend.

Ik geloof nog altijd, dat ze ’t geval maar half vertrouwden, maar de

schipper van de Pijlstaart had een gerust geweten. Als ik weer eens in

Amsterdam kwam te wonen, dan moest ik vast weer zoo’n bootje hebben.

Ik mag er anders niet op bluffen, dat ik een geboren zeeman ben, dat is

o.a. een dertigtal jaren geleden ook eens zeer smadelijk gebleken. Dat

kwam zoo. Met ons zeventienen jongelui wilden we een wandeltocht maken

op de Veluwe, maar om zooveel plezier mogelijk te hebben, besloten we,

daar niet heen te gaan per trein, maar per beurtschipper naar

Harderwijk en dan weer met een bottertje terug naar Amsterdam. Het kwam

goedkooper uit ook en dat is altijd iets, dat meetelt.

Wel, we hebben dat plannetje netjes uitgevoerd en dat reisje is alles

met alles een van mijn prettigste herinneringen geworden.

Het beurtschip, (105), een flinke tjalk, vertrok Zaterdagnamiddag van

de Prins Hendrikkade met ons allemaal aan boord, goed voorzien van

proviand. ’t Was een heerlijke zomerdag en we dreven heel statig,

zooals een tjalk dat doen kan, als er een goede, niet te sterke wind

waait, het IJ af, dat toen nog niet zoo ingebouwd was met kaden en

fabrieken als tegenwoordig. We stevenden netjes de groote schutkolk van

de Oranjesluizen binnen, de laatste van allen.

De zware sluisdeuren werden achter ons dichtgezwaaid en daar lagen we

nu met een aantal tjalken en botters, een stoomboot of drie, een mooi

wit zeiljacht, (108), alles vol kleur en beweging en drukte. Spotzieke

Bunschoter en Volendammer visschers interpelleerden ons over het doel

van onze expeditie en we wisselden over en weer vriendelijkheden over

elkanders uiterlijk, zoo schip als mensch. Voordat het gesprek een

bedenkelijke wending kon krijgen, werd echter aller aandacht afgeleid

door twee groote, glanzende, goudgele luchtballons, die in den hooge

zonnigen hemel rustig over ons heen kwamen drijven, een groote

tegenstelling met het druk gewoel tusschen de hooge steenen muren in

den diepen killen sluiskolk.

Intusschen rezen we al hooger, en hooger, naarmate het water

binnenstroomde door het rinket in de vloeddeuren en iedere schuit

maakte zich gereed om zijn voorgangers voorbij te glippen, als die

deuren zouden opengaan. Eindelijk zwaaiden ze van elkaar en dat was ook

alweer heel mooi, hoe het vergezicht op de zonnige zee al breeder en

breeder werd. De luchtballons gingen nog een poosje met ons mee, maar

weken al meer en meer naar links af. Ze zijn, meen ik, in Friesland

terechtgekomen.

Bij IJdoorn ging het gezelschap uit elkaar. De stoombooten hadden ons

al eerder verlaten en we zagen ze ver voor ons als een paar smoezelige

rookpluimen, de eene ging naar Kampen, de andere naar Hoorn. Het

zeiljacht ging ook dien kant op, gevolgd door de Volendammers, de

Bunschoters waren ons al voorgegaan naar het Oosten en op het laatste

oogenblik schoof nog een Urker (26) ons opzij, met zoo’n lijnrechte

balk-voorsteven en een van de bemanning gooide ons een groote levende

krab aan boord, wat voor zoo’n Urker voor een groote snaakschheid mag

gelden en door ons dan ook zeer werd gewaardeerd.

En toen werd het stil op zee. Ook wij kwamen tot kalmte, nadat we onder

oppertoezicht van den schipper de heele tjalk hadden geinspecteerd en

ons van de beteekenis van elk touwtje, blokje en haakje op de hoogte

hadden gesteld. Misschien meer om ons te pleizieren, dan omdat het

werkelijk pas gaf, zette de schipper ook alle zeilen bij: de kluiver en

de fok, het grootzeil en de bezaan, wat wij alles met de grootste

bewondering meemaakten, want de liefde voor het zeemansbedrijf is ieder

Hollander aangeboren. Ook mag je op een tjalk niet te laag neerzien,

want voornamelijk in dit soort van vaartuigen hebben onze voorvaderen

op de Zeeuwsche wateren en op de Zuiderzee voor onze vrijheid

gestreden. Verbeeld je eens, dat ze dat niet hadden gedaan.

Heel prettig zeilden we naar ’t Oosten en op dezen klaren zomerdag

duurde het heel lang, eer we niets anders zagen dan lucht en zee. Daar

ben ik trouwens niet eens zoo bijzonder op gesteld; ik houd er wel van,

om bij het bevaren van onze Zuiderzee of onze Wadden de lijnen te zien

van de duinen, of, als het niet anders kan, van onze zeedijken. Meestal

komt die dijk als een smal groen zoompje uit de grauwe zee opduiken,

behalve waar hij voorzien is van een betonberm; dat ziet er nog al

akelig grijs uit en die beton-ingenieurs mogen wel wat bedenken, om dat

zaakje wat op te vroolijken.

Het mooiste is echter niet de dijk zelf, maar alles wat er overheen

komt kijken en hoe beter je een streek kent, des te aardiger je de

dingen vindt. Wij hadden er tenminste veel plezier in, om elkaar het

groote Gemeenlandshuis te wijzen en het witte dijkhuisje halfweg Muiden

en Muiderberg, dat met zijn witte muurtjes haast nog meer in ’t oog

valt, dan het torenrijke Muiderslot. Van Amsterdam zie je behalve de

torens nog het langst de magere armen van de hijschkranen langs de

kaden en op de werven. De dorpen in ’t binnenland en de groote

boerderijen vertoonen hoofdzakelijk blauwe boomenmassa’s, een

torenspitje, een fabrieksschoorsteen en hier en daar een fonkelend

roode daknok. Dat alles gleed langzaam voorbij zoodat we ampel den tijd

hadden, om alles behoorlijk op te nemen en te verwerken. Dat is het

voordeelige van langzaam te varen.

Toen ’t avond werd, waren we Muiden al gepasseerd; we konden heel ver

achter aan stuurboord nog net de havenlichten zien. De maan kwam op,

een groote roode maan met een deuk in zijn linkerwang, maar naarmate

hij hooger klom, werd hij al lichter en lichter en eindelijk zwom hij

zilverwit tusschen lichte wolkjes en maakte op de kleine kabbelgolfjes

van ons binnenzeetje een breede zilveren straat, die rechtstreeks naar

onze bestemming leidde.

Soms gleed een groote zwarte schim dwars over dien weg, het een of

ander schip, dat onzen weg kruiste, en één bleef een paar minuten met

ons opvaren, want de schippers kenden elkaar en brulden over het water

elkaar hun confidenties toe. Gaandeweg kregen we slaap en één voor één

verdwenen we in ’t ruim van het schip, waar we een prachtig kermisbed

hadden tusschen de meelzakken en de olievaten. Zoo kwam het, dat de

meesten onzer niet eens merkten, hoe we in Harderwijk aankwamen en de

schipper liet ons doorslapen tot drie uur, zooals was afgesproken. Toen

frischten we ons op met een paar putsen zeewater, marcheerden door het

stille stadje en de opkomende zon trof ons al goed en wel in ’t

Leuvenumsche bosch.

Hoe we dien dag langs de kolenbranderijen zwierven naar den Zwarten

Boer en vandaar langs Staverden naar het Uddeler meer, behoeft hier

niet verteld te worden, ook niet hoeveel eieren we daar hebben gegeten.

Toen moesten we nog naar het Speulder Bosch en eindelijk over Ermelo

terug naar Harderwijk, waar we tegen den avond aankwamen, doodmoe maar

gelukkig.

Na heel veel zoeken en loven en bieden vonden we een visscher, die ons

voor een tientje dien nacht naar Amsterdam zou brengen en hij stond er

voor in, dat we vroeg genoeg zouden aankomen, want we moesten daar vóór

negenen alweer aan onze bezigheden. Natuurlijk zouden we aan boord wel

gelegenheid vinden, om te rusten, misschien ook om te slapen.

Vol verwachting scheepten wij ons in. Ook van dat bottertje heb ik een

menigte schetsen, want we hadden al den tijd om het in zijn deelen en

onderdeelen te leeren kennen. Het had een half dek met een roefje voor

den mast. In ’t achterschip had je in ’t midden de vischbun, bij het

roer een nog al ruime zit- en staanplaats. Voorloopig bivakkeerden de

meesten onzer echter op de voorplecht, dan had de schipper meer

vrijheid van beweging. De wind was namelijk geheel gaan liggen en er

kwam een nevel opzetten. Te zeilen viel er weinig en tot onze—ja wat

zal ik zeggen?—beschaming, begon de triomfantelijke thuisreis hiermede,

dat ons schippertje ons voortboomde over het Harderwijker zand, alsof

onze Argo een mestpraam was in een poldervaartje. De hulpvaardigsten

onder ons hielpen hem van tijd tot tijd een beetje en natuurlijk

schoten wij wat op, maar de Groote Kerk van Harderwijk bleef maar

altijd even groot.

Eindelijk kwam er een flauw zuchtje en de schipper was er als de kippen

bij, om zijn zeil te hijschen, maar de allermiserabelste landrot kon

wel merken, dat ’t niets gaf, want er hingen plooien in dat zeil van

een halven meter diep. Harderwijk had nu een licht aangestoken en dat

bleef maar aldoor even hoog. Niet even helder, want de nevel werd al

dichter en dichter.

De schipper was een goedhartig mensch en spiegelde ons voor, dat

mettertijd de wind wel zou aanwakkeren en dat dan de nevel moest

verdwijnen. Onder de hand dook hij weg in zijn roefje en kwam weer te

voorschijn met zijn handen vol met een soort van platte bruine koeken,

die bij nadere kennismaking gerookte botjes bleken te zijn, waar hij

ons allervrijgevigst op trakteerde en ze waren heel lekker. De meesten

onzer hadden ook nooit geweten, dat er gerookte bot in de wereld

bestond. Dat gaf nog heel wat afleiding, maar het duurde niet lang, of

onze stemming werd al akeliger en akeliger. We begonnen elkander

onaangenaamheden te zeggen, en als we niet zoo doodmoe waren geweest,

dan weet ik nog niet, wat er al meer zou hebben kunnen gebeuren.

Gelukkig daalden er een paar af door ’t roefje, om te gaan slapen,

anderen strekten zich uit aan dek en ik weet nog wel, dat ik, voor dat

alles ter ruste ging, bij stukjes en beetjes het geld ophaalde, om den

schipper te betalen: ieder zestig cent.

Nu was de wind een beetje aangewakkerd en je hoorde werkelijk het

welkome geluid van golfjes, klotsende tegen den boeg. Maar de mist werd

eer dichter dan minder, gelukkig echter was het een lage nevel en kon

je omhoog nog heel wat sterren zien. Nu, toen ik met mijn geld uit die

voorplecht kwam, keek ik heel toevallig omhoog en zag de Poolster,

recht boven onzen voorsteven; we stuurden dus pal Noord. Ik naar den

schipper, die aan ’t roer stond.

„Weet je den weg wel, schipper?”

„Jawel”, zei de baas, „als ik de lichten maar zie, ik wacht tot den

nevel optrekt”.

„Maar weet je wel, hoe je stuurt, waar is je kompas?”

„Ik heb geen kompas”.

Toen werd ik zoo kwaad als een spin en schopte den schipper een

standje, want ik was al heelemaal negentien jaar en had een goede

meening van mijzelf. „Wil je ons bij dit weer, zonder kompas naar

Amsterdam brengen? Je stuurt recht op Stavoren aan. Weet je wat, ga

maar slapen bij die anderen en geef mij ’t roer. Ik ken de sterren en

ik breng je tobbe wel naar Pampus.”

De schipper was tegen zooveel brutaliteit niet bestand en kroop heel

gedwee te kooi. Ik aan ’t roer, trotsch als een koning en een paar

kornuiten, even slaperig en eigenwijs als ikzelf naast mij in den

stuurstoel. De rest sliep. Heel netjes bracht ik den voorsteven naar ’t

westen, de wind was buitengewoon gunstig en goedmoedig, zoodat we aan

’t zeil weinig of niet hadden te manoeuvreeren en zonder eenige moeite

hield ik een paar uren lang ons bottertje prachtig in den koers, een

beetje Zuid van West, want als je van Harderwijk pal West gaat, dan

belandt je ergens in de buurt van Edam.

Eindelijk werden de sterren al bleeker en bleeker, maar gelukkig ging

ook de mist optrekken, hoewel hij nog dicht genoeg was. Opeens zie ik

aan stuurboord, vlak bij een grijzige rietzoom. Ha, denk ik, we zijn al

bij IJdoorn en ik houd af naar bakboord, maar ’t is net, of dat riet

mij niet wil loslaten. Ik houd af en af, maar ben niet leep genoeg, om

te bedenken, dat ik mijn schip nu eindelijk een halve cirkel laat

beschrijven en opeens laat een dartel morgenkoeltje mijn zeil overstag

gaan. Tegelijk neemt de schuit een sprongetje voorwaarts, schuifelt

langs riet, strijkt over modder, rijst op een golfje even omhoog en

bonkt dan neer op hard graniet. Op ’t zelfde oogenblik dwarrelt de

nevelsluier uiteen en ik zie links van ons het mooie Muiderslot met

zijn torenspitsen midden in ’t morgenrood. We zijn gestrand bij de

Papenlaan. Ik had het een beetje te goed gedaan en dat is eigenlijk

glad verkeerd. Een beetje Zuid van West, maar mijn beetje was op den

langen duur iets te groot geworden en ik was terecht gekomen niet bij

IJdoorn, maar juist aan ’t puntje van den rietzoom bij ’t Uilenbosch.

Daar was ik toen langs geloopen en zoo kwam ik met volle kracht op den

breeden buitenberm van den Zeedijk bij de Papenlaan.

Natuurlijk waren dadelijk schipper en passagiers bij de hand en ik werd

in de allerfijnste bewoordingen geprezen om mijn beleid. De schipper

was razend en triomfantelijk tegelijk. Wij gleden een voor een langs

een vaarboom op den dijk neer en toen de schipper zag, dat de wind naar

’t Noorden kromp, terwijl ’t over een uur of vier vloed zou zijn—er

staat daar niet minder dan drie decimeter tij—verklaarde hij, zich

zonder ons wel te kunnen redden.

De zon ging weer op net als den vorigen dag, en wij wandelden weer ook.

Maar ’t valt een mensch veel moeilijker, om tien kilometer te moeten

loopen door de stommiteit van een kameraad, dan veertig kilometer af te

leggen voor zijn plezier. ’t Eenige wat er bij de vrienden de lust nog

in hield, was, dat ze mij overlaadden met complimentjes over mijn

zeemanschap en sterrenkunde en ik heb het waarlijk aan hun

aanmoedigingen niet te danken gehad, dat ik later toch nog opgeklommen

ben tot de waardigheid van „schipper van een jol”.

Langs de Zuiderzee · 第 11 / 13 题