DE ZUIDERZEE DROOGLEGGING.

Eigenlijk hoort dit hoofdstuk niet thuis in een boek, waarin de

Zuiderzee wordt beschreven, zooals zij er tegenwoordig uitziet, met al

de mooie en weinig gekende landschapjes en stedekes om hare kust. Maar

de uitgeefster van dit Zuiderzee-album vond de drooglegging van genoeg

belang, om er een kort hoofdstuk over te schrijven, en er een schetsje

aan toe te voegen, wat er van de Zuiderzee gaat worden, als al die

groote plannen tot afsluiting en drooglegging eens worden

verwezenlijkt. Was dit boek alleen voor ouderen geschreven, dan had dit

hoofdstuk wel kunnen worden weggelaten, want het zal nog wel een lieve

tijd duren, voor we van Urk naar Schokland kunnen wandelen! Maar de

jonge plaatjes-verzamelaars zullen het hopelijk nog wel beleven, dat er

een album kan verschijnen over het IJselmeer, zooals thans over de

Zuiderzee!

Ge moet dan weten, dat het al een heele tijd geleden is, dat de eerste

plannen tot drooglegging werden gemaakt, zoo omstreeks 1850. Wij

bedachtzame Nederlanders houden nu eenmaal veel van plannen maken, wat

ook veel voor heeft, want het eerste plan is lang niet altijd het

beste. Zoo heeft men achtereenvolgens wel een tien ontwerpen gemaakt.

Eerst een plan om een dijk te leggen langs de eilanden om niet meer of

minder dan de heele Zuiderzee en de Wadden in te palmen. Dat was echter

niet raadzaam, omdat door den sterken stroom der zeegaten ’t leggen van

een afsluitdijk zeer moeilijk en gevaarlijk zou zijn, terwijl men ook

geen raad zou weten met het IJselwater, dat langs een nieuw kanaal van

Kampen naar den Helder zou moeten worden geleid.

Daarom kwam men later op de gedachte, dat IJselwater te laten vloeien

in een nieuw te vormen IJselmeer, dat door sluizen naar zee kon

afwateren. De afsluitdijk zou dan loopen over Wieringen naar de

Friesche kust bij Piaam. Van de Zuiderzee, die door die afsluiting een

groot zoet watermeer zou worden, zouden dan worden afgenomen vier

groote hoeken, die achtereenvolgens zouden worden ingepolderd. Bij dit

nieuwe plan van de Zuiderzee-vereeniging, ontworpen omstreeks 1890, en

later overgenomen door een Staatscommissie, blijven de zandgronden van

de Wadden en de noordelijke helft der Zuiderzee onbedijkt en eveneens

het diepe en vrij onvruchtbare middelstuk van de Zuiderzee, dat

IJselmeer wordt. Daarentegen worden de vruchtbare kleigedeelten, welke

groote overeenkomst vertoonen met de IJpolders tusschen Amsterdam en

Velzen, bijna geheel ingepolderd.

Dit plan is nu, min of meer in onderdeelen gewijzigd, voor de derde

maal in behandeling genomen en dient ge dus wel te weten, wat het zooal

beteekent. Het komt er op neer, dat feitelijk een twaalfde provincie

aan ons land zal zijn toegevoegd, wanneer 30 jaar, nadat men bij

Wieringen met het groote werk begonnen is, het laatste stukje land

onder de Friesche kust zal zijn drooggelegd en bemalen. Immers die 4

groote polders hebben tezamen een oppervlakte van ongeveer 210.000

H.A., terwijl Zeeland maar 181.000 H.A. groot is. Natuurlijk moeten

groote stukken grond worden gebruikt voor den aanleg van wegen, sloten,

dijken, voor de ontworpen dorpen met hunne kerken, scholen, enz.,

terwijl ook een gedeelte zandgrond is. Berekend wordt echter, dat er

ruim 190.000 H.A. vruchtbaar land zal overblijven, dat is dus ongeveer

11 Haarlemmermeerpolders. Op den duur zullen hierin 250.000 menschen

komen te wonen, gerekend naar verhouding van Zeeland, dat een kleine

240.000 menschen telt.

Verdere cijfers zullen we nu maar niet geven, omdat ge zonder dat wel

zult voelen, welk een groot en ook welk een nuttig werk hier gedaan kan

worden. Er zijn bovendien nog andere groote voordeelen aan verbonden,

waarvan we alleen noemen de vluggere en betere verbinding tusschen

Holland en Friesland door een spoorweg op den afsluitdijk over

Wieringen; en de groote verbetering van de landerijen in Noord-Holland

en Friesland, die aan de Zuiderzee grenzen of liever op de Zuiderzee

water loozen. Dit laatste is, vooral voor Friesland, dat nooit zoet

water kan inlaten, van zeer groote beteekenis.

Natuurlijk heeft zoo’n groot werk ook groote bezwaren. Het is zeer

kostbaar (meer dan 200 millioen gulden, ongeveer evenveel als de

Nederlandsche staat elk jaar in zijn geheel uitgeeft), het is nog al

riskant, omdat die groote afsluitdijk en ook de meerdijken midden in

zee moeten worden neergelegd (29 K.M. zeedijk en 170 K.M. meerdijken),

het duurt erg lang (ongeveer 30 jaar), en bovendien zal de

Zuiderzee-visscherij moeten verdwijnen, voor zooverre zij niet wordt

vervangen door de zoetwatervisscherij in het nieuwe IJselmeer. Er is

bij de plannen op gerekend, om de visschers schadeloos te kunnen

stellen.

Er is nog een bezwaar. Al die kleine oude plaatsjes die in dit boek

zijn beschreven, als Blokzijl, Vollenhove, Elburg, Harderwijk,

Monnikendam, Medemblik worden havensteden àf, en gaan hunne

schilderachtige stadshoekjes aan haven en kust verliezen... ’t Worden

dan landstadjes als Montfoort of Bolsward, Dokkum of Schagen. De

Zuiderzee heeft die stadjes niet kunnen teruggeven de oude roem van

vroeger eeuwen en heeft ze gemaakt tot de „Villes mortes du Zuiderzee”,

om met Havard te spreken. Wat de zee echter niet heeft kunnen doen, zal

straks het vruchtbare land doen, dat tal van marktplaatsen noodig

heeft, waar het zijn producten verkoopen, zijn behoeften koopen kan.

Wellicht voert Thijsse onze jonge lezers en lezeressen een volgend jaar

wel eens naar onze mooie Noord-Hollandsche polders, of naar de

Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden, die heel wat mooier en bovenal

nuttiger zijn dan de banken en grienden en slibben van de Zuiderzee.

Een beter pleidooi voor de afsluiting en drooglegging van de Zuiderzee

zal wellicht niet geleverd kunnen worden!

Langs de Zuiderzee · 第 12 / 13 题