Dat was een prettig fietstochtje in October van het vorig jaar, de
tocht om de puist van Noord-Holland. We begonnen in Hoorn. Van al de
Zuiderzeesteden heeft deze stad zich het kranigst gehouden en wel verre
van dood te zijn groeit zij in den laatsten tijd vrij belangrijk aan.
En wat een aardige stad is het, vol met Schilderachtige buurtjes en
indrukwekkende gebouwen (112). De gevel van het Westfriesch-Museum
(122) mag wat topzwaar lijken, ’t is toch een gebouw, dat de aandacht
trekt. Het stadhuis is echt mooi en heelemaal niet opzichtig. Maar de
roem en trots van Hoorn blijft de haventoren, een van de allermooiste
gebouw-juweeltjes van ons land; echt stevig, zoodat hij in dien tijd
tegen een ruwe aanval wel bestand was, maar tegelijkertijd vroolijk
versierd en ’t mooie dak gaat over in een torentje, dat naar boven toe
al maar fijner en sierlijker wordt en aan het heele gebouw ten slotte
elk spoor van logheid of zwaarte ontneemt.
En in wat een prettige buurt staat die toren! Naar de zee de
buitenhaven, naar binnen kaden met aardige pakhuizen, een haventje,
omgeven door mooi plantsoen, alles even aangenaam. De groote
kazernegebouwen, daar praat ik maar liever niet over, ze zien er nog al
degelijk uit, anders kon je hopen, dat die mettertijd nog eens verbouwd
konden worden in overeenstemming met den mooien toren.
Natuurlijk wandelen we ook even naar de twee huisjes op de Groote Oost,
die in hun gevel de levendige afbeelding vertoonen van den zeeslag op
de Zuiderzee, die voor de geschiedenis van ons land van even veel
belang is als de zegepraal der Engelschen over de onoverwinnelijke
vloot. ’t Is eigenlijk jammer, dat die dingen niet beter onderhouden
zijn, een kwastje verf kan hier geen kwaad en vooral zou ’t goed zijn,
wanneer de onderschriften eens werden opgefrischt.
Dat heeft er gespannen den elfden en twaalfden October 1573. Reeds den
derden October had Graaf Bossu voor Amsterdam het anker gelicht met een
vloot van dertig zeilen, zoo groote als kleine. Zijn admiraalschip
voerde twee en dertig stukken geschut. Het heette De Inquisitie, net
een goede naam om de Noord-Hollanders te prikkelen. Met staatsie en
muziek was de Graaf aan boord gegaan, dat was zoo vroeger de gewoonte.
Hij kwam echter dien eersten dag niet ver, doordat er een hevige
tegenwind juist in de monding van het IJ stond. Eerst den vijfden
raakte hij over Pampus heen, waar de Monnikendammers, Hoornaars en
Enkhuizers met hun kleine schuitjes hem al opwachtten.
Er worden tegenwoordig nog wel zeilwedstrijden op de Zuiderzee
gehouden, waarbij het gaat om de eer en om „kunstvoorwerpen”, maar die
zijn niets vergeleken bij den zeilwedstrijd, die daar den 5den October
en volgende dagen op Pampus en in het Hoornsche Hop plaats had. Bossu’s
plan was, om met zijn zwaar en verdragend geschut de Geuzenschepen in
den grond te boren, zonder het tot een handgemeen te doen komen. De
Geuzenadmiraal, Cornelis Dirkzoon van Monnikendam, begreep evenwel, dat
zijn eenige kans om te overwinnen lag in ’t enteren en zoo trachtte men
dan elkander te bezeilen en te ontzeilen. De partijen ontliepen
elkander niet zoo veel in zeilkunst, want die vloot van Bossu was ook
voornamelijk bemand met Zuiderzee-bewoners, Bossu’s onderbevelhebber
was Jan Simonszoon Rol van Hoorn. De Geuzen slaagden er dan ook slechts
in, om twee van Bossu’s schepen te bereiken, waarvan zij er één
veroverden en weer verloren, terwijl Hopman Taams Geltzak uit Medemblik
ook het andere niet kon vermeesteren.
Toen duurde het een dag of zes, eer ze elkaar weer bij de kladden
hadden. Dat was op den elfden October. Intusschen had Don Frederik op
den achtsten het beleg van Alkmaar moeten opbreken en daardoor had een
deel der bezetting van die stad de Geuzenvloot kunnen versterken.
Eindelijk gelukte het Cornelis Dirkszoon, om Bossu’s schip te bezeilen
en te enteren aan bakboord. Kort daarna kwam Hopman Pieter Bak uit
Hoorn met zijn schip aan stuurboord en Jacob Trijntje van Enkhuizen
sloeg zijn enterhaken in de boegzijde van de Inquisitie. Van de rest
van de koningsschepen werden er nog zes veroverd en toen namen de
overigen onder Rol de vlucht over Pampus.
Zoo bleef Bossu nu alleen over. Al vechtende dreef het viertal schepen
af en bij de Nek onder Wijdenes (135), die nu ook Blokkershoek heet,
raakte de diepgaande Inquisitie aan den grond. Bossu verkeerde dus in
een zeer hachelijke positie, maar zegt Hooft: „hij liet daarom niet na
zich ridderlijk te weeren; maar, beide soldaats en hooftmans plicht
betrachtende, stond geplant bij de mast, in vol en roerscheutvrij
harnas, met de rondas aan den arm; het zwaard in de vuist. Ende duurde
’t gevecht de gansche nacht door; oft schoon de Noordthollanders ’t
behulp hadden van verscheide waterscheepen, die gestaadigh af en aan
voeren, met dooden en gequetsten met voorraad en versch volk. Waaronder
zich veele burgers van Hoorn mengden, uit brandenden ijver voor
vrijheid en vaaderlandt. Hier staat niet te verzwijghen de rustige
koenheit van hunnen Jan Haarink, die ’s morgens met de tweelicht, bij
de taakels van Bossuus schip opklauterde, de vlag van de steng rukte,
en daar mee neederdaalde, hoewel ’t hem ’t leeven kostte, mits hij door
een luik in zijn borst geschooten werd. Endtlijk, als ’t nu aan den
middag ging, na achtentwintig uuren strijdens, en ’t verlies van al
zijn krijgsvolk, op veertien of vijftien man naa, trad Bossu, geen
ander uitkomst ziende, in handeling, en gaf zich oover aan den ammiraal
Cornelis Dirkzoon, Hopman Ruikhaver, en den geweldigen prevoost Joachim
Nieuwvink: mits bedingende ’t lijf voor al de zijnen; voor zich,
daarenboven een graaflijke gevangenis... van omtrent driehondert
soldaten, in alles gevangen voerde men het derdedeel naar Enkhuizen, de
rest naar Hoorn, neevens den Graaf, die onheusselijk ingehaald werd,
van een straatgeschreij, hem verwijtende de Rotterdamsche moordt, en
dat hij nu, getooghen teeghens hem met eeven quaadt een hart, loon na
werken ontfangen had. Zijn Ammiraals vlag hing men daar in de kerk op,
tot gedenkteiken der zeege.”
Hooft heeft dat maar aardig verteld, met wakkere woorden, al schreef
hij in de oude spelling. Ook de andere steden kregen gedenkstukken aan
de overwinning: Monnikendam Bossu’s beker, Enkhuizen zijn zwaard.
De Nes, waar de Inquisitie strandde, ligt even voorbij het dorpje
Schellinkhout (119), ’t is de plek waar de dijk, die eerst zuidelijk
liep, weer oostwaarts ombuigt. Dat Schellinkhout zelf ligt in de laagte
achter den dijk verborgen en ook nog achter een rij van iepen, esschen
en abeelen, die dit hoekje een aardig boschachtig uiterlijk geven.
(120) Van de Nes zelf ziet Hoorn er zoo prachtig uit, dat je zoudt
denken in een heel ander land te wezen dan in ons nuchtere Holland. De
haventoren zelf is van hier nog wel te zien, maar alleen zijn spitsje
is vrij, echter komen nu de kerken en torens van de stad zelf
meepraten, vooral het groote koepeldak. ’t Is wel het mooiste
stadsgezicht in heel Nederland, o, veel mooier dan Dordrecht, maar toch
is het weinig geschilderd, ik heb in geen van onze musea een gezicht op
de stad Hoorn (114) kunnen vinden. Er is anders kans genoeg, dat ze
bestaan, want de kinderen en kleinkinderen van de dappere burgers, die
Bossu hebben bevochten, zijn wijd en zijd over de heele wereld gereisd
en hebben schatten verdiend met handel en scheepvaart. De drie
beroemdste Hoornaars zijn Jan Pieterszoon Coen, die dan ook zijn
standbeeld heeft gekregen, Willem Schouten die den naam van zijn stad
heeft gegeven aan de zuidelijkste kaap van Zuid-Amerika en Abel Tasman,
die Australië ontdekt heeft en naar wien Tasmanië is genoemd. Als je
daar op de Nes even zit uit te rusten, dan ga je van zelf denken aan de
dagen van weleer, ofschoon nu niet anders te zien en te beleven valt
als rust en vrede.
Toch kan het hier op zomersche dagen nog levendig genoeg zijn, als het
vriendelijke zonnetje en een frissche bries de vrienden van de
zeilsport naar buiten hebben gelokt, voornamelijk Amsterdammers,
Zaankanters en Haarlemmers. Dan zijn soms twintig, dertig
pleziervaartuigen tegelijk in ’t zicht; zoowel gezellige
oud-vaderlandsche boeiertjes, breedneuzig en boven hun bruin geteerde
of geverniste romp opgedirkt met allerlei kleuren en krullen en
daarnaast de ranke scherpgebouwde jachten (108), kotters, sloepen van
nieuwer model, hooggetuigd, soms als ’t ware verloren gaande onder den
last van hun sneeuwwitte zeilen. Dat koerst en zwenkt allemaal naar
Hoorn, waar een paar jaar geleden pas een nieuwe jachthaven is
aangelegd.
Ik behoef u niet te zeggen, dat er onder die zeilers maar heel weinig
zijn, die dwepen met de plannen tot droogmaking van de Zuiderzee,
vooral wanneer ge weet, dat na het leggen van den grooten afsluitdijk
van Wieringen naar de Friesche kust de droogmaking van het Hoornsche
hop al heel spoedig aan de beurt zal komen en in plaats van de
kabbelgolfjes van de Zuiderzee krijgen we dan hier het golvend graan te
zien of de pas geploegde voren.
Als ze dan den hoogen zeedijk maar laten voortbestaan, er is wellicht
een mooi beplante weg van te maken. Nu groeien er al veel
muurleeuwebekjes op de rotsblokken van den buitenberm.
De weg over den zeedijk van Hoorn naar Enkhuizen (143) is heel mooi en
effen, je fietst er als op asphalt. ’t Is hier ander land dan in
Waterland en in de Zeevang, op de vette klei wordt meer landbouw
bedreven en de veldmuizen vinden er ook een overvloedig bestaan. Dat
heeft weer ten gevolge, dat hier meer torenvalken dan elders in ons
land zijn, en ik ben nog nooit van Hoorn naar Enkhuizen gereden, of ik
heb een half dozijn van deze mooie vogels in de lucht zien bidden. De
zee bespoelt hier voortdurend den voet van den dijk, alleen op een paar
plaatsen zijn kleine buitenlandjes, geen twintig meter breed, de meeste
bestaan voornamelijk uit zand en schelpen.
Het binnenland is één rij van boerderijen (140) en dorpen, die ik nooit
in de goede volgorde kan onthouden, ik zal het nog maar weer eens
opzoeken op de kaart.
Even voordat we Enkhuizen bereiken, krijgen we nog een aardig plaatsje,
dat heet Broekerhaven, eigenlijk de haven van Bovenkarspel en daar word
ik altijd weer herinnerd aan den Watergeuzentijd. De kleine, maar hooge
en holle schuitjes zijn het wel, waarmee ze in dien nacht van 11 op 12
October 1573 af en aan voeren met voorraad en versch volk, met dooden
en gekwetsten. Dit zijn de echte „krabschuiten”, hooge, holle rompen
geheel zonder dek of met een klein dekje aan de boeg, waar een klein
stuk geschut, een „goteling” op zou kunnen staan. Het ruim kan twintig,
desnoods dertig man houden. Met de zeer eenvoudige tuigage kan nog een
goeden gang worden gemaakt en de hooge boorden en voorsteven maken ze
nog zeewaardig, zelfs bij onstuimig weer. Soms liggen er een zestig van
die schuiten in ’t kleine haventje, met nog wat grootere botters (128)
of schokkers er tusschen. Van hier naar Enkhuizen is nog maar enkele
minuten, maar vlak bij de stad moet je nog erg omrijden, om er in te
komen.
Enkhuizen beheerscht den toegang tot de Zuiderzee en heeft dan ook
eeuwen lang met Amsterdam gewedijverd om den voorrang. In geen der
andere steden is het verschil met vroegere grootheid zoo duidelijk te
zien. In ’t eerst besef je ’t niet eens, dat de wandelwegen die ver
buiten de tegenwoordige bebouwde kom liggen, vroeger de stadswallen
zijn geweest. Vooral naar het Noorden en Westen is dat akelig, om te
zien: die groote bouwlanden en weiden, waar eens deftige huizen hebben
gestaan. Jarenlang bestond het voornaamste handelsartikel, dat
Enkhuizen uitvoerde uit marmer, afkomstig van den afbraak der oude
koopmanshuizen.
Later is er weer bijgebouwd, doch geen trotsche, rijke woningen, maar
eenvoudige burgerhuisjes (124), ja zelfs boerenwoningen, zoodat nu de
stad een wonderlijk allegaartje is geworden: in sommige deelen (141)
net een boerendorp met water-en-melkgeveltjes, maar met boomgaarden en
tuinen, waarin nog allerlei merkwaardige heesters en bloemen groeiden,
waar onze voorvaderen zooveel pleizier in hadden. Dan eeuwenoude iepen
en ahorns en verstrooid door alles heen nog oude gebouwtjes (131) met
levendige geveltjes of brokstukken met heel mooie gevelsteentjes o.a.
een prachtig scheepje in een gevel dichtbij ’t stadhuis. Het gebouw van
het chirurgijnsgilde trekt wel het meest de aandacht, maar de
voornaamste bezienswaardigheden blijven toch het stadhuis, de
Dromedaris en de groote kerk (125) met den Zuidertoren (123).
Ik heb nog al veel in Nederland gereisd, voor uitspanning en voor zaken
en altijd en overal heb ik plezier in de carillons. Dikwijls heb ik
reizigers het klokkespel van Middelburg hooren verwenschen, dat nooit
langer dan tien minuten achtereen stil is, maar ik houd daar wel van,
want ik kan rustig doorslapen en toch elk uur en half uur het
welluidend getjingel hooren. Enkhuizen heeft, dunkt mij, een van de
mooiste en duidelijkste carillons. Ik zal nooit vergeten, hoe wij er
naar hebben staan luisteren op een winternacht, toen we nog wat
rondwandelden en wij bij den Dromedaris zoover mogelijk naar buiten,
naar de zee waren gekuierd. De zee was bevroren, sinds dagen was de
scheepvaart gestremd en alle vuren gedoofd. Nergens een licht, alleen
de hemel vol flonkerende sterren boven de grijze ijsmassa, achter ons
het donkere silhouet van de stad, de geweldige Dromedaris vooraan.
Onwillekeurig dwaalden de gedachten weer af naar de tijden van vroeger.
En toen was het heel vreemd, om daar van den hoogen toren helder en
duidelijk het landelijk liedje van bescheidenheid te hooren klinken:
„In ’t stille dal, in ’t groene dal”. Maar toen dat uit was, scheen de
toren zich te bedenken en forsch en uitdagend, als een herinnering aan
vroeger dagen, klonk het door de ruimte: „Wie gaat mee, met ons over
zee—Hou’ je roer recht”. Dat was nog eens aardig en vanzelf haalde je
dieper adem. Maar een half uur later was de geestdrift weer vervangen
en de klokken zongen: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden”. Misschien
zet de klokkenist wel weer eens andere liedjes op zijn trommels, maar
die van den winter van 1914 waren al zeer gepast gekozen voor
Enkhuizen, waar je altijd zweeft tusschen de Pastorale en de Eroïca.
Het Stadhuis maakt een even fermen indruk als het meesterwerk van Van
Campen op den Dam te Amsterdam en het bevat van binnen ook een massa
herinneringen aan de vroegere grootheid. Maar voor den gewonen
vluchtigen wandelaar is toch nog het aardigst, het mooie bronzen kanon,
dat zoo maar vlak op straat is neergezet. Een heel gedicht, van niemand
minder dan onzen Joost van den Vondel, vertelt hoe in 1622 dit stuk
geschut, dat „het Roode Paard” wordt genoemd, uit een Duinkerker
kaperschip, dat in de lucht vloog, terecht is gekomen op een Hollandsch
vaartuig. De jeugdige Enkhuizenaars kunnen dus, zoodra ze hun letters
kennen, hier op straat tegelijk historie en letterkunde beoefenen van
het bovenste plankje. ’t Is een zeer mooi kanonnetje.
De Dromedaris was wat vervallen, maar wordt gelukkig hersteld en krijgt
dan ook zijn carillon weer, dat zeer beroemd was. Ik moet er dan
dadelijk op af, om het te hooren en ben zeer benieuwd, welke
toepasselijke liedjes men weer zal bedenken. De toren is niet zoo’n
goudsmidsjuweeltje als die van Hoorn: hooger en zwaarder van romp,
geweldiger. Zijn omgeving is geheel naar wensch: ophaalbrug, havens, en
een groote werf, waar hij zeker met plezier naar staat te luisteren.
Een poosje geleden wilde de gemeente een vischmarkt stichten, vlak voor
dien Dromedaris; maar een paar schilders, die hier toen juist waren,
zijn op hooge beenen naar den burgemeester gerend en hebben het gedaan
gekregen, dat men zich nog eens bedenken zou. Brave schilders!
Van Enkhuizen naar Medemblik (134) is weer prachtig wandelen of fietsen
langs den dijk.
Het aardigst is het, om de stad te verlaten langs de zeekant, een smal
pad achter een hooge steenen borstwering, altijd met een mooi uitzicht
op de zee en op de stad. Eens is dit de vestingmuur geweest, zooals op
de talrijke schilderijen en gravuren, die van deze beroemde
Zuiderzeestad gemaakt zijn, nog duidelijk te zien is. Zooals het
behoort stond er op een der bastions ook een korenmolen en daar is nu
een klein plantsoentje, waarlangs we de eigenlijken zeedijk bereiken en
daar krijgen we weer wat nieuws te zien. In den zomertijd is het land
één bloemenveld, want we hebben hier de groote kweekerijen van
bloemenzaad van de firma Sluis. Velden vol zonnebloemen, dahlia’s,
goudsbloemen, O.-I. kers, anemonen, renonkels, akeleien, lupine, alles
wat je maar bedenken kunt en dat hektaren bij hektaren.
Dat ziet er heel anders uit dan de bloembollenvelden bij Haarlem in het
voorjaar. De mooie hyacinthen en tulpenbedden met bloem aan bloem in
vakken van allerlei kleur liggen daar keurigjes afgeperkt tusschen
hagen van elzen of haagbeuken en in de breede slooten blinkt het water
haast gelijk met de oppervlakte van de bloemenvelden. Dat wisselt dan
weer af met grazige weiden en met de parken en bosschen van deftige
buitens, alles even keurig en rijk.
Deze Enkhuizer bloemenvelden zien er echter heel anders uit, ’t zijn
echte akkers en de mooie bloemen worden hier haast net behandeld als
suikerbieten of aardappels. Dat neemt echter niet weg, dat in den
zomertijd deze uithoek van Noordholland een bezoek overwaard is en dat
we er ons in verheugen, dat deze nieuwe tak van landbouw hier tot bloei
is gekomen. Zelfs in de strook buitendijks staan de groote zonnebloemen
uit te kijken over de Zuiderzee.
Eerst een heel eind voorbij de stad hebben we weer ’t gewone weiland
links en een modderig buitenland rechts, dat weer altijd wemelt van
vogels van allerlei pluimage, al naar den tijd van ’t jaar.
Heel op den noordelijksten hoek van den dijk staat weer een aardig
bouwwerk, een bijzonder gevormde vuurtoren. Hij heet „de Gelderschen
toren” (129), maar het opschrift in den krans van kleurige wapens
vermeldt, dat „De Edel Groot Mogende Heeren Staten van Holland en
West-Friesland hebben door de Heeren Nicolaas Witsen, Willem Crap,
Gerard Moeskoker en Nicolaas Brouwer, burgemeesteren der steden
Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, gedaen oprichten dit baken,
als Commissie tot de Pilotage. En wierden de eerste steenen gelegd door
Johan Duyens, Dirk de Vries en Frederik Verbrugge op den 1sten Juli des
selves jaars MDCC”. Toen kwam dus Enkhuizen al in de derde plaats, na
Hoorn, en Medemblik ’t laatst.
Van den Gelderschen toren naar Medemblik is een heel stuk, maar ’t
verveelt nooit. De dijk maakt velerlei bochten, aan de binnenzijde
krijgen we telkens lange buurten en dorpjes, waarvan Andijk, om zijn
muisjes bekend, ’t voornaamste is. Buitendijks is het soms zeer mooi
van kwelderland en slikken, maar het allermooist is het laatste half
uurtje als we in de verte Medemblik (121) zien liggen op zijn
schiereiland, na Hoorn het allermooiste van de stadsfiguren langs onze
Zuiderzee. De stad zelf is al van zeer weinig beteekenis en het mooiste
sieraad, het oude slot van Radboud (132), waarvan nog lang niet zeker
is, of Radboud er iets mee te maken had, hebben ze ingebouwd, zoodat
het half verborgen is achter een conservenfabriek. Boe! Als we later
wat geld over hebben, zullen we die conservenfabriek afbreken en het
slot een mooie vrije standplaats geven. ’t Is toch al jammer genoeg,
dat de zee hier later moet verdwijnen, maar daar is niets aan te doen
en van die droogmaking verwachten we toch ook weer een boel goede
dingen. Maar we raken er heel wat moois door kwijt, bewaar dus dit
album voor uw achterkleinkinderen.