Het is eene dwaling te meenen, dat de Afrikanen zonder wet leven en
slechts hun luim en hartstocht volgen. Voor hen heeft de overlevering
een onbeperkt gezag; aanzienlijken en geringen moeten zich schikken
naar de gewoonten en gebruiken, waaraan zij sedert eeuwen haar zegel
gehecht heeft; in den regel is deze overlevering van godsdienstigen
aard, en geeft zij aan hare geboden en inzettingen eene godsdienstige
wijding.
De volksstammen van westelijk Afrika zijn of Mohammedanen of
fetishaanbidders; het Christendom heeft, buiten de nederzettingen der
Europeanen, geen ingang onder hen gevonden en geen enkelen bekeerling
gemaakt. Bij de Timanies is de besnijdenis in zwang, maar zij zijn
fetishaanbidders gebleven, hetgeen eene klove te meer is tusschen hen
en hunne naburen, de Foulahs en de Mandingos, die voor het meerendeel
Mohammedanen zijn.
Op den bodem van het fetishsisme ligt een soort van deïsme: de negers
gelooven over het algemeen aan een Opperwezen, schepper en onderhouder
der wereld, die hij, door tusschenkomst van ondergeschikte geesten,
demonen, regeert, zonder evenwel de macht te kunnen breken van de booze
geesten, wier gunst het mitsdien noodig is te winnen. Om hun toorn te
verzoenen en de rampen, die zij beschikken kunnen, af te weren, brengt
de neger voornamelijk aan deze booze geesten zijne offers en bewijst
hun de hulde der aanbidding. Op eenige honderde ellen afstands van de
dorpen verrijzen kleine tempels, waarin ex-voto's zijn opgehangen,
ter eere der donkere, boosaardige godheden. Somwijlen worden deze
godheden afgebeeld in menschelijke gedaante, meestal echter in de
gestalte van een dier; de hoogere wezens, die in beesten wonen en eene
dierlijke gestalte aannemen, kiezen daartoe, bij voorkeur, zoo niet bij
uitsluiting, tijgers, slangen en hagedissen:--de dieren alzoo, die in
deze streek voor den mensch het meest te vreezen zijn. Wellicht gaat
met deze beschouwing een zeker geloof aan de zielsverhuizing gepaard,
of was dit geloof oorspronkelijk de aanleiding tot de schijnbaar zoo
zonderlinge meening, die bij voorkeur dieren als incarnaties eener
hoogere macht vereert. Zeker is het, dat de Afrikanen over het algemeen
gelooven aan de macht der goden en ook der toovenaars, om zich naar
believen in tijgers, krokodillen of slangen te kunnen veranderen.
De dienaars en tolken dezer geesten zijn de fetishpriesters, die bij de
verschillende stammen onderscheidene namen dragen; zij oefenen ook de
geneeskunst uit en kennen een aantal kruiden, die groote geneeskracht
bezitten, en in den regel krachtig helpen, wanneer althans het gestel
van den patiënt niet al te zeer versleten is.
De leerlingen dezer priesters worden in de eerste plaats met de
vergiften bekend gemaakt; de kennis der tegengiften is het geheim
van weinigen, die daardoor over de menigte een grooten invloed
uitoefenen. Meermalen heb ik pogingen aangewend, om van deze priesters
hunne geheimen te vernemen; maar ook al hadden zij mij stellige
beloften gedaan, wisten zij toch altijd een of andere uitvlucht te
vinden, om zich te onttrekken.
De tusschenkomst van den fetishpriester wordt bij gewichtige
gebeurtenissen en bij de groote keerpunten des levens steeds gevorderd:
hij sluit de huwelijken, hij staat de stervenden bij, en verdrijft van
hen de booze geesten. Vooral als rechter is hij zeer gevreesd; want hij
zit voor bij het godsoordeel, en het leven van den beschuldigde hangt
af van de soort van vergif, die de priester hem toedienen zal. Tegen
zekere boomschors, die bij dergelijke proefnemingen veel gebruikt
wordt, kan men zich beveiligen, door vooraf olie of een braakmiddel
in te nemen; maar de fetishpriester kan den beschuldigde ook andere
vergiftige kruiden doen inslikken, waarvan de gevolgen ernstiger
zijn. De negers gelooven dat de priester over een soort van geest of
demon gebiedt, die hem het verborgene openbaart en hem de toekomende
dingen doet zien.
De afrikaansche staten zijn zuivere monarchiën, waarin de vorst met
eene onbeperkte macht is bekleed; maar deze almacht, hoe volstrekt
ook in theorie, wordt toch in de praktijk door zekere gebruiken en
instellingen getemperd. In elk dorp is een eigen opperhoofd, dat bij
de openbare vergaderingen voorzit, de orde handhaaft en zorgt voor
de rechtspleging. Overigens leeft dit opperhoofd geheel op denzelfden
voet als de andere inwoners; zijne inkomsten bestaan uit de vergoeding,
die hij van de rechtzoekenden ontvangt, en uit de boeten, die hij den
overtreders oplegt; hij heeft onder zijn gezag zekere ambtenaren,
die met de uitvoering zijner bevelen zijn belast; ook heft hij een
zeker recht van de kooplui, die ter markt komen. De waardigheid van
dorpshoofd is dikwijls erfelijk in eene bepaalde familie, maar gaat dan
over op den eerstgeboren zoon der oudste zuster van den overledene. Er
zijn echter ook voorbeelden, dat het dorpshoofd gekozen en ook weder
afgezet werd. In oorlogstijd wordt een van de dapperste aanvoerders tot
opperbevelhebber gekozen; deze waardigheid wordt slechts voor een tijd
verleend, althans bij de Mandingos, de Foulahs en de Timanies. Bij
deze laatsten berust de hoogste rechtsmacht bij den raad der oudsten;
diefstal, overspel en tooverij zijn de meest voorkomende zaken; de
beide eerste vergrijpen worden alleen met boete gestraft, maar op de
misdaad van tooverij staat de dood.
De jonkman, die een huwelijk sluiten wil, moet zich vooraf eene hut
bouwen en in het bezit zijn van het noodige geld om zijne vrouw te
kunnen koopen. Bij sommige stammen heerschen huwelijksgebruiken,
waarvan onze dames zeker vreemd zouden opzien. Als de bruid, ten
teeken dat zij het aanzoek van haar minnaar inwilligt, den koperen
ring ontvangen heeft, gaat zij met hem naar een smid, die beiden
de tanden afvijlt, zoodat ze puntig worden. Is dit geschied, dan
begeven zij zich naar een der tempels, in de nabijheid van het dorp;
onder het aanroepen van de schimmen der voorvaderen, wordt een pot,
met bier of palmwijn gevuld, uitgestort; de fetishpriester spreekt
den zegen uit, en ontvangt daarvoor een kip; de smid treedt weder
op, en smeedt om hun armen twee ijzeren ringen:--en het huwelijk is
gesloten. Deze ijzeren ringen zijn echter een min passend symbool,
althans voor zoo ver ze duurzaamheid moeten beteekenen: het huwelijk
wordt toch even gemakkelijk ontbonden als gesloten.
De bruiloftsnacht wordt gesleten in woeste, ongebonden dansen, en
somwijlen ook in vrij ernstige schermutselingen en vechtpartijen:
want de gewoonte brengt mede, dat de vrienden en de bloedverwanten
der bruid haar verborgen houden, of weigeren haar over te geven,
voor de bruidegom en zijne vrienden met de daad getoond hebben,
hoe ver hunne kracht reikt.
Iedere vrouw heeft in den regel hare eigene woning. In de eerste dagen
na hunne geboorte worden de kinderen in een doek gewikkeld; later,
als zij sterker zijn geworden, nemen zij plaats op den rug hunner
moeder, die nooit hare kinderen verlaat, en met de kleintjes op haar
rug alle huiselijke bezigheden verricht. Bij sommige stammen gaat
dit zoo ver, dat kind en moeder onafscheidelijk blijven, tot zoolang
de kleine loopen en reeds eenige kleine diensten verrichten kan. Dan
wordt hij meer aan zich zelven overgelaten, en herneemt zijne moeder
haar plaats onder de andere vrouwen.
Hoewel de zeden alles behalve onberispelijk zijn, wordt toch overspel,
van de zijde der vrouw althans, streng gestraft. De minnaar wordt
de slaaf van den beleedigden echtgenoot; de schuldige vrouw wordt
gegeeseld en, nadat haar het hoofd is kaal geschoren, tot den
zwaarsten arbeid veroordeeld. Ik heb verscheidene voorbeelden van
zulke strafoefening gezien, en nimmer een enkele klacht gehoord over
de strengheid van het vonnis. Het huwelijk kan, met wederzijdsch
goedvinden, te allen tijde ontbonden worden; de vrouw, die een
bruidschat ontvangen heeft, behoudt dien, als haar man haar wegzendt.
De begrafenissen zijn zeer plechtig en gaan met grooten omslag gepaard,
want de eeredienst der afgestorvenen is in Afrika algemeen in zwang. Er
worden bij die gelegenheden groote maaltijden aangericht, waarvoor de
ossen en schapen der familie worden geslacht. In de tempels worden,
ter eere der afgestorvenen, ex-voto's opgehangen, gaven geofferd,
bier en wijn geplengd: de overledene laaft zich aan de schaduw dier
spijzen en dranken. Het lijk blijft somwijlen dagen lang boven
aarde; aan de begrafenis gaat steeds het oordeel vooraf, waarbij
den doode gevraagd wordt of hij vrijwillig het leven verlaten heeft,
dat wil zeggen of hij zijn natuurlijken dood gestorven is, dan wel
of hij bezweken is ten gevolge van betoovering, van vergif of van
andere kwade praktijken. In een land, waar wraakzucht en naijver de
heerschende hartstochten zijn, en waar eene vijandelijke hand, in het
geheim, het doodelijkste vergif kan toedienen, is zulk een onderzoek
op zich zelve zeker niet geheel misplaatst; maar de wijze, waarop het
geschiedt, is hoogst bedenkelijk. Op het oogenblik der begrafenis,
wordt de baar op schragen gezet, zoo gesteld, dat zij gemakkelijk
waggelen en vallen kunnen. De ondervraging geschiedt, hetzij door de
bloedverwanten van den overledene, hetzij door den fetishpriester;
blijft de baar onbewegelijk, dan wordt het lijk in een diepen kuil
nedergelaten, die op een afgezonderde plek, ver van de bebouwde
velden, welke door het doode lichaam zouden verontreinigd worden,
wordt gedolven. Vallen bij ongeluk de wankelende, waggelende schragen
om, dan blijkt daaruit, dat de overledene niet zijn natuurlijken dood
gestorven, maar op misdadige wijze van het leven beroofd is; dan wordt
den toovenaar opgedragen, den schuldige op te sporen. Zeer dikwijls
is dit alles niets anders dan eene vooraf op touw gezette komedie,
en het van te voren bereide sterke vergif maakt weldra een einde aan
het leven van den beschuldigde, die, ten bewijze van zijn onschuld,
de hem aangeboden dosis moet inslikken.
De oudste zuster van den overledene speelt doorgaans een gewichtige
rol bij de lijkplechtigheden. Meermalen beweert zij, een gezicht te
hebben gehad, waarbij haar de ware oorzaak van den dood haars broeders
werd geopenbaard; zij is de eerste, die de ceremoniën bij de begrafenis
leidt en bestuurt. De vrouwen huilen en schreeuwen zoo luid mogelijk,
en maken allerlei afschuwelijke geluiden; dikwijls blijven de weduwen,
gedurende den geheelen rouwtijd, in hare woning.
In noordelijk Afrika vindt men twee instellingen, die eene bijzondere
vermelding verdienen. De eene is eene soort van vrijmetselarij, pourah
genaamd; de andere is een genootschap of vereeniging van vrouwen, onder
verschillende namen bekend. In beide korporaties zijn graden en rangen,
die de leden achtereenvolgens kunnen bereiken; het eigenlijke doel, de
geheime leer, zoo ge wilt, is van beiden slechts aan weinigen bekend.
De pourah was hoogst waarschijnlijk in den beginne eene godsdienstige
instelling, een soort van veemgericht, van treuga Dei; alle
volwassen mannen van dertigjarigen leeftijd kunnen daarvan lid
worden, mits zij zich onderwerpen aan de proeven en ceremoniën, die
hunne ziel moeten reinigen; zij behooren dan tot het geslacht der
"tweemaal geborenen." Het geheim is onschendbaar; vrouwen worden in
de vereeniging niet opgenomen. Deze korporatie is voornamelijk belast
met de bewaking en verzorging van de heilige dingen: de altaren, de
gewijde bosschen staan onder haar toezicht; haar gevreesde rechtbank
weet zich zelfs door de machtigste vorsten te doen eerbiedigen. Zij
heeft geheime wachtwoorden, en bijzondere teekens, en verborgen
bijeenkomsten; de leden van den pourah zijn kenbaar aan een bijzondere
soort van tatouäge, in den vorm van een dubbel koord, dat het lichaam
omgeeft, en waarvan de einden op de borst, ter hoogte van de maagholte,
samenloopen.
Wanneer, in eene of andere streek, de staat van voortdurenden oorlog
eindelijk ondragelijk is geworden, dan wordt soms de bemiddeling van
een naburig vorst ingeroepen, die dan als scheidsrechter optreedt, en
een wapenstilstand gebiedt. Schenden de partijen dien wapenstilstand,
of nemen zij zijn bemiddeling niet aan, dan verklaart hij, dat hij
den pourah zal afkondigen. Het is dan ten strengste verboden, bloed te
vergieten. Wordt de pourah geschonden, dan trekken twintig of dertig
gemaskerde en gesluierde mannen naar de dorpen, dooden iederen man,
dien zij buiten zijne woning aantreffen, en nemen alles weg, wat hun
voor de hand komt.
De vrouwen-vereeniging staat onder bescherming en toezicht van den
pourah en van de fetishpriesters; deze vereeniging bezit een soort
van kloosters, waarin de meisjes op haar zevende of achtste jaar
worden opgenomen, en waarin zij blijven, tot zij huwbaar geworden
zijn. Om in deze inrichtingen opgenomen te worden, moeten zij een
slaaf, of de waarde van een slaaf, betalen.
De Mandingos van Mousardou hebben een zeer beroemd vrouwenklooster,
dat, naar men zegt, zeer goed ingericht is en onderhouden wordt;
op feestdagen mogen de jonge meisjes bezoek ontvangen, en vertoonen
zij zich aan het publiek, prachtig gekleed en met tulbanden versierd,
in zonderlinge, mystische houdingen en standen.
Deze inrichtingen der vereeniging zijn geheimzinnige en onschendbare
verblijfplaatsen, waar alles in nacht en schaduw is gehuld; wie het
wagen zou, den drempel dezer huizen zonder vergunning te overschrijden,
zou met den dood worden gestraft.
Do afrikaansche vrouwen stellen er eene eer in, tot deze vereeniging
te behooren, die, door haar groote macht en invloed, haar ook in
huiselijke twisten tot steun is. Daarentegen kan de man dreigen
met de tusschenkomst van Mombo Jombo, den geest, die de eer van den
beleedigden echtgenoot wreekt. Mombo Jombo, doorgaans een handlanger
van den pourah of van de fetishpriesters, verschijnt, van top tot
teen in bladeren gehuld en met de zweep in de hand, om de lichtzinnige
echtgenooten, die hij zeer goed weet op te sporen, te tuchtigen.
Voor de reizigers, die over Sierra-Leone in Afrika willen doordringen,
is het van het grootste belang, dat zij als geleider een lid van den
pourah medenemen, die hen in allerlei opzichten van uitnemende dienst
zal zijn en hen in betrekking zal stellen met de fetishpriesters,
die een verwonderlijk goed georganiseerde policie uitoefenen. Deze
geleiders waarschuwen de reizigers als hun een of ander gevaar mocht
bedreigen, of als de dragers onderling een komplot hebben gesmeed;
zij weten de bedienden tot hun plicht te brengen en de gestolen
goederen terug te doen geven.
Als de fetishpriester zich in het openbaar vertoont, wordt hij
voorafgegaan door bedienden, die luid schreeuwen en bellen doen
klingelen; hij is wonderlijk gekleed; zijn neergetrokken hoed of muts
maakt zijn gelaat bijna onzichtbaar; hij is in een grooten mantel
gewikkeld, en loopt dikwijls op korte staken, met vederen beplakt,
en die van onderen in een soort van vogelklauw uitloopen. De hoofden
van deze orde blijven meer in het verborgen; zij behooren meest allen
tot zekere bijzondere familiën, en schijnen hunne waardigheid, die
hun bij keuze wordt opgedragen, niet langer dan drie jaren achtereen
te bekleeden.
De invloed der fetishpriesters en toovenaars--want deze twee
waardigheden zijn onafscheidelijk--is zeer groot. Het is altijd
geraden, hen tot vriend te houden, voornamelijk door het aanbieden
van geschenken, en door andere bewijzen van achting en eerbied; die
dit nalaat, zou al spoedig zijn goeden naam verliezen en lichtelijk
zeer onaangename gevolgen van zijn gedrag ondervinden.