XII.

Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone

zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten

loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en

is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen:

de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia

stroomt rechtstreeks naar het noorden.

De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den

regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de

scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het

binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de

Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen

en weder, en zijn onvermoeid in het aanwerven van bekeerlingen voor

den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal

richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken

en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen,

waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.

Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs

en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen,

zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer

sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend

van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in

den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde

kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben,

die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin

voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in

den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers,

hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen

oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.

De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies

aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der

Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt

ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is

tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon

en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend

zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard;

de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.

In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen;

een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen

doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar

zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk,

een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd,

dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt,

omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De

gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt

en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.

De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in

Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de

kleederdracht der Foulah en Mandingos over te nemen; in de straten van

Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar

aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig,

verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel

strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen,

jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij

oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of

griots, schoenmakers en smeden.

De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen,

van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt

tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun

hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten

hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed,

die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen

van het hoofd af te weren.

Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker

schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van

gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig

gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn

dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.

Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies

verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De

voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne

oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet

in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de

toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan,

durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich

met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden

op de been brengen.

Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 13 / 15 题