Zoodra ge Freetown voorbij zijt, splitst de rivier van Sierra-Leone
zich in drie takken: de rivier van Bance verliest zich, na een korten
loop, in het binnenland; de voornaamste tak richt zich noordwaarts en
is met eilanden bezaaid; deze stroom deelt zich weder in twee armen:
de Rokelle vervolgt haar loop in noord-oostelijke richting, de Gambia
stroomt rechtstreeks naar het noorden.
De sloepen kunnen vele dagreizen ver de Rokelle opvaren. In den
regentijd gaat er op deze rivier een geweldige stroom, waardoor de
scheepvaart lastig wordt en zeer lang duurt. Voor de lieden van het
binnenland is Porto-Logo de algemeene aanlegplaats. De marabouts van de
Mandingos en de Foulahs trekken onophoudelijk door deze streken heen
en weder, en zijn onvermoeid in het aanwerven van bekeerlingen voor
den Islam. Hun arbeid draagt meestal overvloedige vruchten; overal
richten zij scholen op, en ijveren tegen de afgodische gebruiken
en bijgeloovigheden. De Mandingos bezoeken bij voorkeur de dorpen,
waar zij zeker zijn zulk eene muzelmansche gemeente aan te treffen.
Sierra-Leone wordt door de inboorlingen zeer druk bezocht. De Foulahs
en Mandingos brengen er stofgoud en bewerkte gouden voorwerpen,
zoo als ringen, oorhangers, armbanden, kettingen, die meestal zeer
sierlijk van vorm zijn. Hunne katoenen schortjes zijn schitterend
van kleur en toch niet bont; de proeven om ze na te maken, zijn in
den regel mislukt. Zouden ook deze overigens zoo schraal bedeelde
kinderen der zon, van nature de kostelijke gave ontvangen hebben,
die allen zuidlanders eigen schijnt te zijn: de gave van den zin
voor kleur en harmonie, waarin de bewoners van noordelijke streken in
den regel zoo jammerlijk te kort schieten? De wapenen dezer negers,
hunne sabels, schilden, paardetuigen, herinneren aan den moorschen
oorsprong van deze voorwerpen, of althans aan de wijze van bewerking.
De gronden, waarop de vrijgelaten slaven wonen, zijn door de Timanies
aan de afrikaansche Maatschappij afgestaan. Het grondgebied der
Timanies, dat nauwelijks honderd vierkante mijlen beslaat, wordt
ten noorden en oosten begrensd door Kouranko en Soulimana; het is
tusschen vier opperhoofden verdeeld. De voornaamste steden zijn Rokon
en Maboury, waarvan de bevolking hoogstens twee- of drie-duizend
zielen telt. De Timanies zijn vriendelijk en voorkomend van aard;
de vrouwen zijn mooi en beminnelijk.
In de dorpen van het binnenland gaan de knapen naakt tot aan de heupen;
een dunne doek, aan den gordel bevestigd, wordt tusschen de beenen
doorgehaald en van achteren vastgeknoopt. De meisjes loopen tot haar
zevende of achtste jaar naakt; verder dragen zij tot aan haar huwelijk,
een soort van lossen sjerp om de lendenen; zijn zij eenmaal gehuwd,
dan wordt die sjerp vastgebonden. De vrouwen gaan dikwijls naakt,
omdat zij geen kleederen kunnen koopen om zich mede te bedekken. De
gehuwde mannen dragen een soort van schort, dat de lendenen omkleedt
en tot ongeveer de knieën reikt, en een hoed.
De hoofdzetel van de Mandingos, die eenige nederzettingen in
Gambia hebben, is in Kouranko. De Timanies beginnen de zeden en de
kleederdracht der Foulah en Mandingos over te nemen; in de straten van
Sierra-Leone ontmoet ge die vreemdelingen het meest. Zij zijn kenbaar
aan hun slanker gestalte en minder zwarte kleur; zij zijn levendig,
verstandig, beleefd, en beroemen er zich op, dat zij in hun handel
strikt eerlijk zijn. Zij zijn onvermoeide reizigers, en doorreizen,
jaren achtereen, gansch Afrika, van het eene eind tot het andere. Zij
oefenen vier eervolle beroepen uit: zij zijn redenaars, zangers of
griots, schoenmakers en smeden.
De Mandingos dragen, even als de Jolofs, een lang kleed zonder mouwen,
van witte of blauwe wol vervaardigd. De korte moorsche broek reikt
tot even onder de knie; aan de voeten dragen zij lederen sandalen. Hun
hoofd is gedekt met een roode of witte muts, of ook wel met een grooten
hoed met hoogen bol en breede randen, een zoogenaamden Bambarrahoed,
die van een dubbele voering is voorzien, om de hitte der zonnestralen
van het hoofd af te weren.
Zij zijn gewapend met een sabel, die aan zware banden van hun linker
schouder hangt; het gevest en de scheede van dit wapen zijn van
gevernist marokijn leder, even als de zakjes, die zij aan kunstig
gevlochten koordjes om den hals dragen. Hun hair en hun baard zijn
dikwijls op zeer bijzondere wijze gevlochten.
Kouranko heeft, in de oorlogen met de Foulahs, verscheidene provincies
verloren, maar toch zijne onafhankelijkheid gehandhaafd. De
voortdurende twisten tusschen de Mandingos van Kouranko en hunne
oostelijke naburen, de Soulimanas, zijn oorzaak dat de Europeanen niet
in de vallei van den Niger kunnen doordringen, waarvan deze stammen de
toegangen bezet houden. De sultan der Soulimanas, hoewel Mohammedaan,
durft voor zijn geloof niet openlijk uitkomen; hij vergenoegt zich
met in zijn paleis te bidden. Deze natie kan tienduizend krijgslieden
op de been brengen.