X.

De Europeanen, die door hun ambt of door handelsbelang naar de westkust

van Afrika gevoerd worden, moeten met al hunne gewoonten breken en

eene geheel andere levenswijze aannemen; de jacht is bijna het eenige

vermaak, dat zij zich verschaffen kunnen; maar de jacht heeft hier

voor sommige gemoederen, voor allen die op avonturen gesteld zijn,

eene dubbele aantrekkelijkheid: zij is moeilijk en gevaarlijk.

De bodem der vlakten van Senegambië is in den zomer gewoonlijk droog

en dor; hij komt dan, door zijne rosse en vale tinten sterk uit tegen

den hemel, en maakt dan juist door zijn bruine eentonige kleur het

onderscheiden van het wild, dat hier schuilplaatsen in overvloed vindt,

zeer moeilijk.

Ten noorden van de rivier zijn de boomen schaars; in de streken

langs de oevers van den Senegal vertoonen zich de boomgroepen als

eilandjes van groen, te midden van eene onafzienbare vlakte, deels met

geel zand, deels met kort verbrand gras bedekt, en waarover de blik

heendwaalt tot den schemerenden horizon, half wegduikende achter een

witten nevel. Hem, die zich in deze woestijnen durft wagen, wacht

een zonderling grootsch schouwspel, dat onvergetelijke indrukken

achterlaat. Het zintuig van het gehoor wordt steeds meer gescherpt:

allerlei onbekende en onnaspeurlijke geluiden treffen u, zonder dat

ge weet van waar zij komen of wat zij beteekenen: dat zijn de stemmen

der woestijn; want ook de woestijn heeft hare stemmen, als de steden,

maar veel ernstiger en aangrijpender. De mensch gevoelt zich eenzaam

en verlaten te midden van deze vreemde ontzaglijke natuur, met haar

zonderlinge vormen en kleuren, waar bij iederen voetstap het gevaar

dreigt: de moordenaar kan hem, uit zijne onzichtbare schuilplaats,

onverwachts treffen; de wilde dieren, die in deze jungles wonen, kunnen

hem overvallen en verscheuren; hij heeft van geen enkel menschelijk

wezen hulp of redding te wachten; de oneindigheid breidt zich rondom

hem uit, van voren, van achteren, ter zijde;--zijne stem zou zich hier

verliezen in de zwijgende eenzaamheid. Die dit nooit gezien heeft,

kan zich geen denkbeeld vormen van den machtigen, overweldigenden

indruk, door de natuur der woestijn op het gemoed gemaakt; zoo kan

ook alleen hij, die Syrië en Afrika gezien heeft, de waarheid der

bijbelsche tafereelen en voorstellingen ten volle gevoelen.

Aan het hoofd der afrikaansche vogels staat de struisvogel; deze vogels

leven bij troepen en worden gemakkelijk tam gemaakt. De Mooren van

Oued Noun en van de zuidelijke provinciën van Marokko maken te paard

jacht op de struisvogels. Voor deze jacht houden de liefhebbers er zeer

fraaie kostbare merriën op na. Eenige personen vereenigen zich om op

gemeenschappelijke kosten zulk een dier te koopen en te onderhouden,

hetgeen voor een enkel te duur zou zijn. De opbrengst der jacht wordt

onderling verdeeld naar gelang van het aandeel, dat ieder in de kosten

van aankoop en onderhoud van het paard gedragen heeft.

De afrikaansche jagers wachten doorgaans tot de zon haar volle kracht

heeft bereikt, eer zij ter jacht tijgen. Achter de paarden volgen de

kameelen, die het wild, dat geveld wordt, moeten dragen. Deze paarden

worden, zoo lang de jachttijd duurt, uitsluitend gevoed met kameelmelk,

gerstemeel en dadelen.

Op de struisvogels volgen de trapganzen. De groote trapgans vindt

men gewoonlijk in de vlakten, die door de Mooren worden bezocht;

maar de kleine trapgans komt ook voor in de vlakten, die aan Goeree

grenzen. Men jaagt haar te paard en met honden. Zij is iets grooter

dan een gewone fazant; zij heeft hooge pooten, een korten staart en

groote breede vleugels; de vederen onder de vleugels zijn rozerood. De

trapganzen kunnen niet gemakkelijk vliegen; zij zijn spoedig vermoeid,

en gij kunt ze schieten, zonder van het paard te stijgen.

In de afrikaansche vlakten vindt men talrijke troepen antilopen, die

bij voorkeur de plaatsen opzoeken, waar water gevonden wordt. De jager

legt zich hier des morgens en des avonds op de loer. Het is moeilijk

de dieren te naderen, tenzij dan bij verrassing, want wanneer de kudde

in een vlakte weidt, houden eenige oude mannetjes, scherp van oog en

van oor, de wacht; en zoodra zij het teeken geven dat eenig gevaar

dreigt, is de gansche kudde in een oogwenk verdwenen. Doorgaans worden

de antilopen van nabij gevolgd door een of meer leeuwen, die van deze

dieren hun voornaamste voedsel maken. Evenwel versmaadt de leeuw ook

de parelhoenders niet; hij weet zeer goed het spoor dezer vogels,

die zelden vliegen, in het hooge gras te volgen, en velt er met een

enkelen slag van zijn poot een aantal tegelijk neder.

Een officier, die het bevel voerde over een der in de rivier

gestationeerde stoombooten, was een hartstochtelijk minnaar van de

jacht op parelhoenders. Deze vogel is zeer schuw, en weet zich met

groote vlugheid uit de voeten te maken; maar zelden slaagt de jager

er in hem dicht genoeg te naderen. Op zekeren dag gelukte het onzen

officier, met veel moeite, een troep parelhoenders te verrassen,

en twee daarvan te schieten, juist op het oogenblik toen zij weg

wilden vliegen. Hij maakte zich gereed de vogels op te rapen, toen

eensklaps uit de struiken, waartegen de hoenders gevallen waren,

twee groote rosse klauwen te voorschijn kwamen, die den buit voor

zijn oogen weghaalden. Onnoodig te zeggen, dat de officier zelfs

geen poging waagde, om zijne vangst aan den koning der woestijnen

te betwisten. Al achteruit loopende, verwijderde hij zich zoo snel

mogelijk, voorzichtigheidshalve zijn geweer met kogels ladende. Maar

de leeuw, waarschijnlijk in zijn schik over de prompte bediening,

vertoonde zich zelfs niet.

De leeuw leeft eenzaam en is niet gevaarlijk, wanneer men hem niet

aanvalt. Naar men zegt, houdt de marabout of afrikaansche reiger,

bekend wegens zijne fraaie vederen, zich veelal in de nabijheid van

den leeuw op, om zich te voeden met het overschot van zijne maaltijden;

want de leeuw voedt zich uitsluitend met levende beesten.

De oncas en andere kleine dieren van het kattengeslacht, die in

de streken nabij den Senegal gevonden worden, zijn hoegenaamd niet

te vreezen; zelfs de panther en de luipaard nemen, niet getergd of

gewond zijnde, voor den mensch de vlucht. Ik heb zelfs meermalen op

luipaarden geschoten, zonder dat zij zich te weer stelden.

De jakhals volgt den leeuw en spoort, naar men zegt, somwijlen voor

hem het voedsel op. Des avonds komen deze dieren uit hunne holen en

schuilhoeken te voorschijn; dan hoort ge van verre hun akelig gejank,

dat somwijlen op het schreien van een kind gelijkt.

De zoogenaamde goudwolf is iets grooter dan de jakhals, met wien hij

overigens veel gemeen heeft.

Ook de hyena is voor den mensch niet gevaarlijk. Dit dier komt overdag

zelden te voorschijn; hij wordt vooral aangelokt door de reuk van

rottende lichamen en zwerft voortdurend rondom de begraafplaatsen. Men

moet de graven met steenen omringen en met scherpe dorens bedekken,

om de lijken te beveiligen tegen de onverzadelijke vraatzucht der

gluipende hyenaas.

De jacht op en langs de rivier is in elk jaargetijde zeer

uitlokkend. Gedurende den zoogenaamden winter is zij minder bezwaarlijk

dan in het droge jaargetijde; daar de lage landen dan onder water

staan, schoolt het wild samen op de uitstekende, droog gebleven punten,

en het is niet zeldzaam, leeuwen, wilde zwijnen en andere dieren op

dezelfde plek bij elkander te vinden.

De geduchtste bewoner van de wateren van Senegambië is de

krokodil, door wiens harde huid alleen puntkogels kunnen dringen:

gewone geweerkogels schaden hem niet. De negers houden veel van

krokodillenvleesch, waarvan de sterke muskuslucht den Europeaan

tegenstaat.

Naar hetgeen men van hem verhaalt, zou het schijnen dat het instinkt

van den krokodil een aanmerkelijken graad van ontwikkeling heeft

bereikt. Zoo zegt men, dat hij zijne prooi, na die in het water te

hebben gesmoord, in holen en gaten onder water verbergt en gezamenlijk

met zijne makkers verteert.

Meermalen gebeurt het, dat negers door deze dieren worden

weggevoerd. Sommige negervrouwen hebben bewijzen van onverschrokken

moed gegeven, als het er op aan kwam haar kinderen te redden,

en daarvoor zelfs een of ander lichaamslid opgeofferd. Volgens de

overlevering, moet men, om den krokodil te noodzaken zijne prooi los

te laten, hem de vingers in de oogen steken. Zeldzaam gebeurt het,

dat de kudden bij het oversteken van de rivier, door de krokodillen

worden aangetast; maar wee den os, die zich alleen, van de kudde

afgedwaald, aan den oever waagt: menigmalen wordt hij onverwachts door

de geweldige kaken van het monster aangegrepen, en naar de diepte

gesleurd. De inlandsche herders oefenen eene bijna ongeloofelijke

macht over hunne kudden uit. Wanneer zij voor overvallen, hetzij van

roovers, hetzij van wilde dieren, beducht zijn, weten zij de runderen,

alleen door de eigenaardige buiging hunner stem, uit een te doen gaan

of te verzamelen.

De hippopotamussen zijn in den Senegal zeer talrijk. In alle plassen

en meertjes, die met de rivier in gemeenschap staan, ontdekt men de

sporen hunner aanwezigheid. De jager wacht hen doorgaans af als zij

aan land komen, en doodt ze dan uit zijn schuilhoek.

Olifanten daarentegen zijn zeldzaam; zij vertoonen zich niet langs de

rivier, dan wanneer zij verdreven worden uit de groote bosschen van

het binnenland, waarin zij zich gewoonlijk ophouden. Enkele malen

heeft men olifanten gezien te Sor, bij den ingang der rivier. De

negers zijn zeer bevreesd voor dit dier, omdat hij hunne akkers en

plantages verwoest; zoodra het bekend wordt, dat zich een olifant in

den omtrek ophoudt, trekken uit de omliggende dorpen alle mannen op

om hem te vervolgen. De Jolofs vooral onderscheiden zich door hunne

bekwaamheid bij deze jacht, waarvan zij groote liefhebbers zijn.

Tegen het einde van den herfst vertoonen zich de apen in grooten

getale langs de oevers van den Senegal en op de landen rondom Cayor;

de apen, die men langs de beneden-rivier aantreft zijn klein en zeer

leelijk. Zij springen van boom tot boom langs de dichtbewassen oevers,

en maken allerlei wonderlijke sprongen en bewegingen. De groote apen

van Galam verlaten de hoogere gronden langs den Boven-Senegal niet;

naar men zegt, vernielen zij daar meermalen den oogst der negers. Men

onderscheidt drie of vier verschillende soorten van deze bavianen,

allen kenbaar door het gemis van een staart en door den vorm van hun

kop, op dien van een hond gelijkende; zij zijn zeer slim en worden

gemakkelijk tam gemaakt, maar zeer dikwijls zijn zij kwaadaardig,

bijten of werpen met steenen. Men vangt de apen, door het een of

ander aas in een kalebas te leggen; zij steken daar dan de hand in,

en kunnen die niet weder uithalen.

Tijdens ons verblijf op de reede van Goeree, togen wij meermalen met

ons achten of tienen uit, om in de vlakte van Dakar te gaan jagen. De

gidsen en de dragers, die voor drijvers dienden, waren altijd aan

het strand en wachtten op onze komst; dan trokken wij het binnenland

in, in de schemering der bosschen, terwijl het morgenlicht den hemel

kleurde. De gids ging natuurlijk vooraan, en een van ons diende voor

wegwijzer; de anderen volgden op een rij achter elkander.

Onervaren, met de streek onbekende jagers kunnen soms zonderlinge

vergissingen en ontmoetingen hebben. In 1832 was ik te Goeree, op

het fregat Hermione. Ten vier uur in den morgen zette een boot ons

aan wal. De gids houdt mij staande, en zegt op fluisterenden toon:

"Kijk daar." Boven een der doornenhagen, waarmede de negers hunne

longhans, bezaaide akkers, omringen, zie ik een zwaren en hairigen

kop uitsteken. Ik geef het bepaalde teeken; de kolonne schaart zich in

slagorde en houdt hare wapenen gereed. Ik ga op het dier af, dat niet

op de vlucht gaat, en ook geen poging doet om mij aan te vallen. Weldra

zag ik dat ik den kameel van den koerier van Saint-Louis voor mij had,

die heel bedaard lag uit te rusten van zijn driedaagschen marsch.

In den vroegen morgen ontmoet ge dikwijls, op de stille woudpaden,

lange rijen van negers, met witte of blauwe schorten bekleed; eer

dat de hitte van den dag begint, begeven zij zich naar de naburige

dorpen, om hunne zaken af te doen, of zij gaan naar het land om te

arbeiden. Ernstig zwijgend treden zij voort; zij zijn gewapend met een

scherp geslepen sagaai of met een klein houweel, dat zij gebruiken om

de aarde om te spitten. Bij het opgaan der zon, knielen zij neder,

met het aangezicht naar het oosten gewend, en buigen hun aangezicht

in het stof. De Afrikanen zijn zeer godsdienstig.--De zon is boven

de kimmen gerezen, de jacht begint; zij moet om tien uren afgeloopen

zijn, want anders zou de onvoorzichtige Europeaan, die zich in het

open veld aan de stralen der zon blootstelde, al zeer spoedig door

een zonnesteek getroffen worden.

Duizenderlei kreten en geluiden treffen op deze tochten uw oor; in

de verte weerklinkt het laatste gebrul van den leeuw; het geloei

der kudden roept andere beelden voor uwen geest, en zou u bijna

doen vermoeden, dat ge verre zijt van de woestijn; de patrijzen,

die schuw ineen gedoken tusschen de struiken voortsluipen, herinneren

aan de vaderlandsche heidevelden; de koekoeks roepen luide aan alle

zijden; de parelhoenders kakelen; de neushoornvogels maken zich zoo

snel mogelijk uit de voeten. Deze vogel is zoo groot als een kalkoen,

en draagt op zijn ver uitstekenden bek een hoornigen uitwas, waaraan

hij zijn naam ontleent; zijn schelle stem gelijkt op het geluid van

een trompet. Kleine grijze fazanten en toucans met hun lange snavels

fladderen tusschen de takken, waarop ook de afrikaansche patrijzen

somwijlen een schuilplaats zoeken, wanneer zij door de honden vervolgd

worden. Duizende vogels, met schitterend gekleurde, bont geschakeerde

vederen, zwerven door de lucht en zoeken hun voedsel in bosch of veld.

Enkele hazen, trage achterblijvers, vertoonen zich hier en daar,

zich haastende om te ontsnappen, maar vinden dikwijls eene plaats in

den weitasch van den drijver. De souimanga, de afrikaansche colibri,

fladdert om de bloemkelken, waaruit hij met zijn langen gekromden

snavel de insecten te voorschijn haalt, die hem tot voedsel dienen.

Hann is een dorp aan de baai van Goeree; in het zand zijn putten

gegraven, waar de waterschuiten hun voorraad drinkwater kwamen halen,

voordat de bronnen van Dakar tot een vijver waren vereenigd. Rondom

die putten waren eenige huizen gebouwd en tuinen aangelegd, waarin

de groenten van Europa werden verbouwd nevens de voortbrengselen

der heete luchtstreek. Het kostte echter veel moeite en voortdurende

zorgen om die tuinen in stand te houden; met name mocht het begieten

nooit achterwege worden gelaten.

Hann was het algemeene vereenigingspunt der jagers, die des morgens

in de vlakte hadden gejaagd. De korven en manden met het noodige voor

het ontbijt waren er vooruit heen gebracht; de bootslieden hadden

inmiddels hunne netten uitgeworpen in die baai, die zoo uitnemend

rijk is aan visch, dat ik meermalen de netten heb zien scheuren,

als men ze aan land optrok.

Het vuur was spoedig aangelegd; het ontbijt, bestaande uit

voortreffelijke visch en pas gevangen wild, smaakte kostelijk.

Op korten afstand van Hann bevindt zich een palmbosch. Daarin gaande,

zal het uwe aandacht trekken dat in al de boomen, nabij de bladerkroon,

vierkante gaten zijn gesneden, en dat onder die gaten kalebassen zijn

opgehangen, door middel van palmbladen, die tevens tot buizen dienen.

Weldra zult ge zien, hoe de negers, handig en vlug als clowns, zich

een hoepel, die den stam des palmbooms omvat, om het lijf slaan, en

vervolgens, zich met handen en voeten omhoog werkende, met hetzelfde

gemak als waarmede gij of ik een trap zoudt bestijgen, naar boven

klauteren, en de kalebassen wegnemen, die geheel gevuld zijn met het

gedurende den nacht uitgelekte sap, dat onder den naam van palmwijn

algemeen bekend is. Als deze drank niet meer dan even gegist is,

is de smaak, hoewel altijd eenigszins scherp, niet onaangenaam. Men

moet evenwel zorgvuldig oppassen, dien wijn niet te drinken, zonder

hem vooraf door een zeef te gieten of op andere wijze te filtreeren;

want hij bevat eene groote menigte larven, die hoewel pas éénen nacht

oud, reeds groot en sterk zijn.

De regen- of wintertijd, die in Senegambië in Juni begint, maakt

een einde aan het jachtvermaak. Ook de signaren, die gedurende het

schoone jaargetijde hare landhuizen betrekken, verlaten nu den vasten

wal om naar Goeree terug te keeren. Zij ontvlieden de verpestende

uitdampingen, die het gevolg zijn van de tropische regenbuien op

een grond, die gedurende eenige maanden is blootgesteld geweest aan

de verdrogende werking van de heete oostenwinden en de brandende

zonnestralen.

Dan is het de tijd voor het zaaien. De negers zaaien gierst, die zoo

snel opschiet, dat reeds in Augustus de halmen hoog genoeg zijn, dat

een man te paard zich daartusschen verbergen kan. De baobabs tooien

zich met hun koninklijken mantel van groen; de mimosas en bloemen,

die zich langs de reuzenstammen slingeren, staan in vollen bloei;

welriekende geuren vervullen de lucht. In dezen tijd des jaars verdient

het schiereiland ten volle den naam van kaap Vert.

In December is de gierst binnen gehaald, en zijn de bladeren van den

baobab afgeplukt, om te dienen voor het bereiden van de couscous. Ook

de peulen van den baobab, in melk geweekt, worden gegeten.

Het klimaat van tropisch Afrika verdeelt zich in twee jaargetijden: het

droge en het natte jaargetijde of de regentijd. Het droge jaargetijde

begint, in de streek tusschen den equator en den noorderkeerkring,

met December: de heerschende wind is dan de noordoostelijke. Langs de

kust waait dan somwijlen dagen achtereen een droge en heete landwind,

die hier den naam van harmattan draagt; meermalen gebeurt het, dat de

vogels door dien wind naar de open zee worden gevoerd, zoodat zij een

schuilplaats komen zoeken op de masten der schepen, in de nabijheid

der kust.

Een roodachtig stof bedekt dan de zeilen en de tuigage der schepen,

die langs de kusten der Sahara varen; de bast der boomen splijt; het

houtwerk aan woningen, bruggen enz. barst; de inzameling der gom is

overvloediger, naarmate de harmattan langer aanhoudt en sterker waait.

De regentijd begint in Juni. In dezen tijd des jaars is de lucht

zeer dikwijls met dampen en nevels bezwaard, en in hooge mate met

elektriciteit vervuld. De zwarte donderwolken stijgen langzaam naar het

oosten op; weldra vormen zij een soort van boog, waarvan de onderrand

scherp is afgeteekend; duizende elektrische vonken doorkruisen dien

boog in alle richtingen. Zoodra de wolkmassa tot vijfenveertig graden

boven den horizon is gestegen, barst de wind met groot geweld los;

hij begint in het noordoosten en loopt om naar het zuidoosten. Is de

bui naar het westen gedreven, dan is het op nieuw goed weer.

In den regentijd vertoont de natuur zich in al hare pracht. Als

ge in de groote wouden doordringt, vormen de boomen diepe en hooge

loofgewelven, waardoor het zonnelicht zich met moeite een weg baant,

en waaronder eene weldadige, geheimvolle schemering heerscht, door

wonderlijke spelingen van licht en schaduw afgewisseld. Tallooze

orchideeën, oneindig verscheiden in kleur en tint, hangen in guirlandes

langs de stammen der eeuwenoude boomen; het gegons der insecten, de

sterkende welriekende geuren der bloeiende aarde, verkwikken het hart.

De afrikaansche koorts ontstaat gewoonlijk na de wisseling der

saizoenen, zonder dat men met juistheid weet waaraan hare verschijning

is toe te schrijven. Somwijlen heerscht zij epidemisch en richt dan

groote verwoestingen aan. De inboorlingen gebruiken afdrijvende en

zweetmiddelen om de koorts te genezen, waaraan zij bijkans evenzeer

onderhevig zijn als de Europeanen. Ook branden zij des nachts vuur

in hunne woningen, om de miasmen te verdrijven en de lucht zuiver

te houden.

Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 11 / 15 题