VIII.

Geen volk, dat niet in zijne geschiedenis een heldentijdvak kent,

waarin legende en historische overlevering tot een dikwijls onoplosbaar

geheel samensmelten; een tijdvak, waarin de geest des volks zich in

al zijne kracht, in al den gloed der jeugdige geestdrift openbaart, en

hetgeen er in de ziel des volks sluimert in het volle licht treedt. De

stammen van den Senegal waren van ouds bekend wegens hun krijgshaftigen

aard en hun godsdienstigen ijver; de oude geest van onafhankelijkheid

en zelfstandigheid is bij hen nog niet uitgestorven. Het volk is

verdeeld in stammen of clans, die hunne eigene opperhoofden hebben;

ieder dorp bezit eene groote mate van autonomie, en wordt bestuurd

door een opperhoofd en een raad der oudsten.

Denia, de patriarch van de natie der Foulahs, wordt genoemd als

stichter der kasten, die deels met de bewaring, uitlegging en

handhaving der wetten, deels met het voeren van den krijg waren

belast. Tusschen de kaste der wetgeleerden en die der krijgslieden

ontstond weldra een hevige en langdurige strijd om den voorrang; de

laatsten behielden de overhand en verdreven de wetgeleerden, die tot

den stam der Torodos behoorden, naar de boorden van den Boven-Senegal.

Houba Foul trok daarop met zijne krijgslieden naar het land der

afgodendienaars, die hij met het zwaard aan den Islam onderwierp.

Na hem treden twee stamhoofden, beiden tot zijn geslacht behoorende,

op: Hamet en Samba, die, na de verovering des lands, het herdersbedrijf

hebben ter hand genomen. In de woestijn worden zij door hongersnood

overvallen: Hamet trekt naar de oevers der rivier, om zich

levensmiddelen te verschaffen; te midden van den overvloed, vergeet

hij zijn broeder Samba, die met zijn kudden in armoede en gebrek

verkwijnt. Eindelijk keert Hamet terug; maar Samba, verontwaardigd

over het lafhartig gedrag van zijn broeder, verjaagt hem uit zijn kamp.

Samba is de nationale held der volksstammen van den

Boven-Senegal. Gedurende zijne minderjarigheid heeft zijn oom zich van

het oppergezag meester gemaakt; voor zijn leven vreezende, neemt Samba

de vlucht. Zijn wapendrager, die de heldendaden van Denia bezingt,

en zijn hond zijn de eenigen, die hem getrouw zijn gebleven. Het

opperhoofd van Ouandi ontvangt Samba en richt feesten te zijner eere

aan; Samba vertrouwt hem, als een heilig onderpand, zijne moeder,

zijne zusters en broeders, die hij aan de aanslagen van den tiran

heeft weten te onttrekken.

Hij zelf denkt aan niets anders dan aan oorlog en wraakoefening;

hij heeft zich naar den rechteroever der rivier begeven, en is op

weg gegaan om El-Kebir op te zoeken, die alom beroemd is wegens zijne

rijkdommen en zijne groote macht.

Hij heeft het kamp van El-Kebir gevonden: hij meldt zich aan, en

spreekt zonder omwegen. "Ik ben Samba: geef mij een leger!"--"Wees

welkom, balling," antwoordt de moorsche koning.

De negers zijn altijd zeer kiesch op hun drinken; het water in het kamp

van den moorschen koning is niet zuiver; Samba kon niet besluiten,

dien drank te gebruiken; hij roept de negerin van den koning en

verzoekt haar, dat zij hem beter, drinkbaar water brenge.

Het jonge meisje antwoordt dat de bronnen worden bewaakt door een

geweldigen leeuw, Mabardidalo genaamd, en dat men, om van hem de

vergunning te verkrijgen tot het putten van het noodige water, telken

jare eene jonge maagd aan het monster ten offer moet brengen.

Samba aarzelt geen oogenblik. Hij neemt den bous (lederen waterzak)

van de negerin, en begeeft zich naar de bronnen. Het is een vreeselijke

vijand, dien hij te bestrijden zal hebben: het dier heeft de kracht

van een olifant: reeds twee eeuwen lang is dit monster de schrik van

geheel den omtrek.

Het is stikdonkere nacht als Samba bij de bron komt. Mabardidalo

treedt hem woedend tegen; maar heeft Samba niet zijne sterke lans en

zijn trouwen hond? Het woud dreunt van het gerucht van den geweldigen

kamp, en weerkaatst het luid gebrul van het monster, welks oogen

vuur schieten. Eindelijk stort de leeuw doodelijk gewond ter aarde;

Samba steekt zijne goede lans in den grond, bindt zijn hond daaraan

vast, laat een zijner sandalen bij zijn overwonnen vijand achter,

en keert naar het kamp van El-Kebir terug.

Weldra verspreidt zich in het kamp de tijding van den dood van den

gevreesden leeuw.

En toen hij des morgens zijn omgang deed, sprak El-Kebir: "Dat de

dappere man, die deze daad verricht heeft, zich bekend make; dat hij

de sandaal, die hem behoort, terugneme; dat hij den hond ontbinde

en zijne lans herneme!" En er waren velen, die zich de verdienste

van de heldendaad wilden toeëigenen, schoon zij die niet verricht

hadden; de bloem der krijgslieden van het kamp tracht vergeefs den

hond te naderen; hij is voor allen ongenaakbaar en laat hun dreigend

de tanden zien.

Gedurende al dien tijd had Samba zich op den achtergrond schuil

gehouden; maar de trouwe hond heeft eindelijk zijn meester geroken:

met een forschen ruk breekt hij zijn touw, loopt op zijn heer toe,

en overstelpt hem met liefkozingen. El-Kebir ontdekt nu dat Samba

deze heldendaad bedreven heeft; hij overlaadt hem met geschenken.

Maar nu is ook de begeerlijkheid van El-Kebir opgewekt; hij wil van

den moed en de behendigheid van Samba gebruik maken, om zich zooveel

mogelijk te verrijken.

De koning der zwarte Peuls heeft blanke ossen, die al sinds lang den

naijver van El-Kebir hebben geprikkeld; zijne handigste stroopers

zijn er nog nimmer in geslaagd, de onvermoeide waakzaamheid van de

hoeders te verschalken.

De expeditie heeft het kamp verlaten; de paarden der woestijn

verslinden de ruimte; een damp gaat op uit hunne neusgaten. Biram

Gorour, bewaak uwe kudden wel! Hij is vertrokken, Samba! Maar Samba

is geen dief, geen roover; de zoon van Goladeghi, zoon van Eltoli,

de afstammeling van Denia, zoekt geen verborgen schuilplaats, geen

hinderlaag; hij strijdt man tegen man, voor het aangezicht der zon,

zoo als zijne vaderen.

De lafhartige Mooren hebben de kudden omsingeld; zij hebben zich

van enkele ossen meester gemaakt, die zij naar het kamp van El-Kebir

drijven.

Maar Samba zendt eene uitdaging aan den koning der zwarte Peuls, en

verwacht hem op de aangewezen plek. Hij is vertrokken, Samba! Biram

Gorour, op een wit paard gezeten, verschijnt te midden van zijn

leger; Samba legt zijn geweer op hem aan, en doet hem gewond

ter aarde storten, Samba toont hem zijne beide metgezellen, die

met hem tegenover het leger hebben stand gehouden; Biram Gorour

verklaart zich overwonnen; hij schenkt de helft zijner kudde aan

Samba, die hem behulpzaam is om weder ten zadel te stijgen. Hij is

vertrokken. Samba! De Mooren keeren met ledige handen naar het kamp

van El-Kebir terug; zij beschuldigen Samba van verraad.

"Dood aan den verrader! heeft El-Kebir gesproken; dat hij voor de

hyenaas geworpen worde!"--Hij is vertrokken, Samba!

De dochters van El-Kebir hebben het vonnis des konings vernomen; eene

van haar stelt aan haar zusteren voor het leven van Samba te redden,

die haar immers verlost heeft van de vreeselijke schatting des bloeds,

die zij telken jare aan Mabardidalo moesten betalen.

De jonge meisjes grijpen de paarden, die in vrijheid liepen te grazen,

bij de manen; zij springen daarop en ijlen Samba na. Hij is vertrokken,

Samba!

De blanke ossen van Biram Gorour staan geschaard om den tata des

konings (tata beteekent fort, kasteel); de lucht weergalmt van

vreugdegejuich. Samba, zijne twee metgezellen en zijn hond, zij hebben

de ossen weder gebracht; woede ontvlamt in het hart van El-Kebir. Hij

is vertrokken, Samba! Ewe en hare zusters volgen zijn spoor. "Houdt

op, roept El-Kebir; ondankbare dochters, onvoorzichtige dochters,

houdt op! Keer terug, Samba, breng de dochters der woestijn terug,

die uw lans gevolgd zijn!"

Samba keert terug onder de muren van den tata; de dochters der woestijn

omringen hem weder; El-Kebir denkt er eindelijk aan, zijne beloften

te vervullen.

De krijgslieden zijn opgeroepen ten strijde; men legt zeven groote

boomstammen voor het kamp van El-Kebir. Als de voeten der paarden die

boomstammen zullen hebben doorgesneden, eerst dan zal het leger van

Samba talrijk genoeg zijn. De beschrijving van den optocht is in het

gedicht zoo hoogdravend mogelijk. Elk kouplet eindigt met het referein:

"Hij is vertrokken, Samba!"--"Vertrek!" zegt El-Kebir.

Samba trekt naar Ouandi, om zijne moeder en zijne zuster op te

zoeken. Eene oude bedelaarster treedt hem te gemoet: "O ongelukkige

vrouw, ik kan u niet helpen! Ik ga mijne moeder opzoeken!"--en

hij duwt de oude vrouw met zijn arm ter zijde.--"Hij is vertrokken,

Samba!"---"In den naam van den barmhartigen God, Samba, been van mijn

been, vleesch van mijn vleesch; Samba, hebt gij zoo spoedig uwe moeder

vergeten; en ben ik zoo veranderd, dat gij van mij schrikt?"--Samba

heeft de meest geliefde der vrouwen van Goladeghi herkend: "Moeder,

vergeef mij; moeder, gij zult gewroken zijn!"--De booten voeren de

krijgslieden naar den linkeroever der rivier; het opperhoofd wordt met

een enkelen lanssteek gedood; zijn zonen worden om het leven gebracht;

Samba neemt de vrouwen op in zijn eigen harem; zijne moeder zal over

Ouandi regeeren.

Groot en edel is de stad, waarvan Abou Moussa, de oom van Samba,

zich ten onrechte heeft meester gemaakt. Een magere hond, met een

verwilderd voorkomen, verschijnt eensklaps in den kring, waar Abou

Moussa is gezeten om recht te spreken. "Heeft een prins, heeft een

koning deze gestalte aangenomen? roept hij uit, bij het zien van den

hond. Dat men hem vriendelijk behandele!"

De koning begeeft zich naar zijne vertrekken. De nacht heeft zijn

sluier over de woestijn uitgespreid; het gehuil der hyena, het

gebrul van den leeuw waarschuwen den mensch, dat zijne vijanden hem

aan alle zijden omringen. Een hond met een lederen zak in den bek

verschijnt voor den divan, waarop Abou-Moussa rust: geen twijfel of

dit is dezelfde hond, dien hij reeds in den loop van den avond gezien

heeft. De hond verdwijnt, en in zijne plaats staat Samba, die hem,

met van toorn vlammende blikken, den gouden hoorn van Kholi toont,

dien hij heeft teruggenomen.

In het woud worden menschelijke stemmen gehoord: Morgen is de dag

der wrake! Het leger van Samba overvalt het slapende dorp; de tamtams

weergalmen; vreeselijk en bloedig is de strijd.

Samba beklimt den tata, hij dringt door tot de woning van Abou

Moussa. Er volgt een ontzettend tweegevecht, waarin Abou Moussa

bezwijkt; Samba, overwinnaar, is meester van de stad; de dwingeland

is dood. Engel des doods, neem uw prooi; geleid zijne ziel naar de

plek waar Israfil de noodlottige bazuine des gerichts zal steken.

Zingt, zingt de overwinning van Samba! Hij is teruggekeerd, Samba! Dat

Allah zijne dagen verlenge, opdat hij zijne knechten met weldaden

overlade, die de gedachtenis zijner groote daden getrouw zullen

bewaren!

Wij hebben den inhoud van dit gedicht medegedeeld, omdat daaruit zeer

duidelijk het hoog gevoel van eigenwaarde en onverschrokken moed van

deze zwarte stammen spreekt, dat hen zelfs voor Europeanen tot eene

niet te minachten tegenpartij maakt. De Franschen hebben meermalen

ondervonden, dat er met deze lieden niet te gekscheren viel, en dat het

noodig was voortdurend op zijne hoede te zijn tegen eene onverwachte

uitbarsting der vijandelijkheden, die voor de weinige blanken in deze

nederzettingen de allernoodlottigste gevolgen zou kunnen hebben.

Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 9 / 15 题