De machtigste stam der Mooren van den Senegal draagt den naam
van Trarzas of Abencezarzas; eenige taalgeleerden willen in hen
de afstammelingen der Abencerragen zien. De stamverwanten of
schatplichtigen van de Trarzas strekken zich van Tiris, waar zij
met de Ouled-Delim vermengd zijn, tot aan den Senegal-oever uit;
hunne handelsplaatsen liggen tegenover Dagana.
In den oorlog draagt de Moor een vuursteen-geweer met twee loopen:
een gevaarlijk wapen, omdat hij altijd een schot bewaart voor het
geval dat de vervolgende vijand in zijne onmiddellijke nabijheid is;
in den kleinen of tirailleurs-oorlog munt de Moor vooral uit; van
de minste oneffenheden van het terrein weet hij tot zijn voordeel
gebruik te maken; in het open veld maakt hij allerlei bewegingen
en sprongen om te verhinderen dat hij als mikpunt gekozen wordt; een
dolk, doorgaans van goede bewerking, maar slecht gehard, voltooit zijne
wapenrusting. De Moor van den Senegal heeft een goed ontwikkeld hoofd,
een bolrond voorhoofd, eenigszins uitpuilende oogen, een arendsneus,
een grooten mond met dunne lippen, en sterke, scherpe tanden; zijn
hoofd draagt hij fier rechtop, zelfs eenigermate in den nek geworpen;
doorgaans gaat hij blootshoofds, zelfs als hij zijne golvende haren
heeft verloren, hetgeen hem vroegtijdig overkomt.
Zijne kleeding bestaat uit een lange tuniek of koussab, een
kleedingstuk dat hem tot op de hielen hangt; daaronder draagt hij
een wijden, geplooiden onderbroek, die hem slechts tot aan de knieën
reikt. Wasschen doet hij zijne kleederen nooit, en zich zelven maar
zeer zelden: geen wonder dus dat de lucht die hij verspreidt nog
onverdragelijker is dan die der negers; in den oorlog of op marsch,
bindt hij zijn koussab op en gaat met bloote beenen en voeten.
De moorsche vrouwen paren aan eene groote sierlijkheid van vormen,
fijnheid en bevalligheid; de vorming der handen en voeten laat niets te
wenschen over. Jammer echter is het dat deze natuurlijke bevalligheden
weldra verdwijnen onder een buitengewone vetlaag, want logheid is in
de oogen dezer Oosterlingen het ideaal van schoonheid.
De stam der Trarzas wordt thans geregeerd door Ouled Mahomet el Habib;
de voornaamste geslachten zijn: de Rhaclas, de Bouiedas, de Azounas en
hunne schatplichtigen; de marabouts zijn gemeenlijk Zenajas-Berberen.
Het voedsel der Mooren bestaat uit kouskous: een soort van gierstepap
of brij; voorts uit gierst, melk en schapenvleesch; zelden slachten
zij ossen of kameelen; gestoofd schapenvleesch is eene lekkernij
voor hen; deze geliefkoosde spijs verschaffen zij zich door gaten
in den grond te graven, welke zij vullen met houtskool, en waarin
zij het schaap leggen, na het van de ingewanden te hebben ontdaan;
wil de lekkernij volkomen zijn, dan moet de huid er aan blijven.
Het voornaamste, en wij kunnen wel zeggen het eenige ruilmiddel dat
de Moor bezit, is de gom, die uit de stammen van zekere acacia-boomen,
welke men in grooten getale in de woestijn aantreft, druipt; de vereck
levert witte, de neboued roode gom.
De bosschen van gomboomen bevinden zich in den Sahel (de kuststreek),
twintig mijlen ten oosten van Portendick gelegen, en te Dubar, op
vijf en twintig mijlen afstands van kaap Mirick; nog een derde woud,
El Fata, levert, even als Tagant, eveneens eene groote hoeveelheid gom;
het zijn vooral de Douaichs, die deze wouden exploiteeren.
Als de slaven de gom verzameld hebben, wordt zij in lederen zakken
gepakt, en de stam begeeft zich op weg naar de oevers van den Senegal,
waar men het met de handelaars over den prijs tracht eens te worden;
de blauwe guinje geldt in den handel als eenheidsprijs. De kudden
maken den voornaamsten rijkdom uit van de Mooren van den Senegal;
deze kudden bestaan uit kameelen, ossen en schapen, welke men, al
naarmate het jaargetijde zulks medebrengt, van de eene weideplaats
naar de andere voert.
De bevolking van Senegambië bestaat uit drie hoofdrassen: de Joloffen,
de Mandingos en de Foulahs. De Joloffen hadden een tamelijk machtigen
staat gesticht, die uit vier provinciën bestond: Ouallo, Guiolofe,
Cayor, Sin en Saloum, waar de Joloffen vermengd waren met de Serreren,
die eene andere afstamming hebben. De hoofden dier provinciën droegen
verschillende namen; Guiolofe werd bestuurd door een bourba, die
de opperheerscher was; Ouallo door een brack; Cayor door een damel;
Sin en Saloum door teigns.
Een kaste van edelen stelde zich dikwijls tusschen het opperhoofd en
het volk: dit was de kaste der tiédos in Cayor; hunne plundertochten
brachten het land aan den rand des ondergangs. De opvolging had bij
deze volken plaats in de zijlinie: de zoon van des opperhoofds oudste
zuster volgde hem op.
De Jolofs hebben vier kasten: de edelen, de tugs of smeden, de oudaï of
leerlooiers, de mouls of visschers; een groot gedeelte der jolofsche
natie belijdt het mohammedaansche geloof; de griots of ganteurs zijn
pariaas: zij zijn afgodendienaars even als een deel der Serreren. De
Jolofs hebben eene schoone lichaamsgestalte, een bolrond voorhoofd,
een arendsneus, eene donker zwarte huid en kroeshaar; het bovenste
gedeelte van het lichaam is zeer goed gevormd; de mannen hebben
magere beenen en over het algemeen platte voeten; hunne kleedij
bestaat uit een lang overkleed, over hetwelk zij een schort dragen,
om de lendenen dichtgeknoopt; aan hunne voeten dragen zij sandalen,
en op hun hoofd een muts, meestal voorzien van een soort van kam.
De Foulahs van den Senegal zijn een mengeling van onderscheidene
rassen; drie familiën of onderrassen zijn scherp van elkander
onderscheiden; de Torodos, die eene zeer donkere huidkleur hebben,
schijnen de oorspronkelijke bewoners van de Senegal-oevers te
zijn; de Peuls zijn zonder twijfel vreemdelingen, die de Jolofs en
Torodos op hunne zwerftochten zijn gevolgd; zij zijn kenbaar aan
eene rood-bruine kleur, een breed en rond voorhoofd, een smallen
puntigen neus, en minder kroesig haar dan de overige negers, dat zij
in kleine vlechten dragen; voegt men hierbij dunne lippen, een ovaal
gezicht en vooruitstekende tanden, dan kan men zich een denkbeeld
van hun voorkomen vormen. Zij leven als nomaden in tenten, en zijn
over het algemeen herders; hun taal is buigzaam, met wortels die aan
het maleisch zijn ontleend. Het derde ras is dat der Toucouleurs,
die donkerder dan de Peuls, doch lichter dan de Torodos zijn, en die
wel uit de kruising dezer beide rassen kunnen ontstaan zijn.
Foutah werd oorspronkelijk geregeerd door krijgshoofden, siraticks
genaamd; doch sedert ongeveer eene eeuw wordt het opperhoofd gekozen;
de regeering berust in handen van een marabout, die den naam van
almamy heeft aangenomen: het godsdienstige element heeft er dus
over het militaire gezegevierd. Iets dergelijks vinden wij in Indië,
waar de brahmanen de macht der kshatryas of krijgslieden in handen
gekregen hebben.
De verkiezing van den almamy geschiedt door de navolgende geslachten of
stammen: Islabéi, Bosséyabé, Diophané, Eleyabéi en Delianté; de twee
eerstgenoemde geslachten oefenen er den meesten invloed op uit. Nadat
elke stam een kandidaat heeft gekozen, wijst een raad van vijf leden
den kandidaat aan, die naar zijn gevoelen in de eerste plaats in
aanmerking verdient te komen. Deze raad kan den almamy afzetten,
wanneer hij meent dat deze de belangen der natie niet behartigt.
Na langen tijd zwervende herders geweest te zijn, hebben de Foulahs een
groot rijk in Midden-Afrika gesticht. De Foulahs van Foutah-Diallon
schijnen tot hetzelfde ras te behooren, als die van den Senegal. Zij
hebben eveneens eenen theocratischen regeeringsvorm met een gekozen
opperhoofd; ook hun vorst voert den titel van almamy. De hoofden
dezer natie voegen voor hunnen naam den titel van ardo, hetgeen een
kenmerk is dat zij tot den adel behooren.
De bewoners van Senegambië belijden bijna allen den Islam; de
Jolofs zijn geen dweepers; de Toucouleurs hebben met geestdrift
de mohammedaansche godsdienst omhelsd. Uit hun midden gaan die
rondreizende marabouts uit, die de Senegal-bewoners willen bekeeren,
en niet zelden hen tot opstand drijven. Demba-Golock, die in 1829
te Embilor gevangen genomen en ter dood gebracht werd; El-Hadj-Omar,
die het bambarasche rijk van Sego heeft vernietigd, en te Hamdou-Allah
is gesneuveld; Maba, die Cayor, Saloum en de streken langs de Gambia
in opschudding heeft gebracht: zij allen waren Toucouleurs.
De stad Saint-Louis dankt hare stichting aan verschillende
bevoorrechte compagniën, die elkander van 1626 tot 1785 zijn
opgevolgd, en krachtdadige pogingen in het werk gesteld hebben,
om den binnen- en buitenlandschen handel aan den Senegal te doen
bloeien. Achtereenvolgens stichtten zij het fort Saint-Joseph te
Makana in 1713; in 1715 het fort Saint-Pierre aan de Falehmé; in
1717 geraakten zij in het bezit van Portendick; en in 1724 in dat van
Arguin. Het oude fort Saint-Louis, op het eiland van dien naam gelegen,
dat heden tot kazerne en magazijn dient, was de oorspronkelijke kern
der stad.
De woning van den gouverneur, die aan het fort grenst, eischt
tegenwoordig dringend herstel. De straten der stad zijn rechtlijnig
gebouwd, zooveel mogelijk langs de oevers der rivier; de grond was zoo
laag, dat de stad in den tijd der overstroomingen onder water stond. In
de laatste jaren is de toestand te Saint-Louis veel verbeterd; het
eiland is door een steenen kaai omgeven, en de straten zijn opgehoogd,
ten einde haar tegen overstrooming te beveiligen.
Groote magazijnen, met koopwaren gevuld, zijn langs de kaaien verrezen;
de koopvaardijschepen, die voor deze magazijnen hunne ligplaats hebben,
kunnen derhalve zeer gemakkelijk lossen en laden. Twee bruggen vormen
de gemeenschap van Saint-Louis met de aangrenzende streken. De brug
van Guet-N'dar is een vaste brug. De andere, in 1865 over den grooten
rivierarm gebouwd, rust op beweegbare vaartuigen, hetgeen de schepen
in staat stelt de rivier op te varen.
De rivier de Senegal stort zich in zee door eene monding, welke de
stroom zich heeft gebaand door eene landtong, de punt van Barbarije
genaamd. Deze zandbank verplaatst zich na het kenteren van het tij;
men kan haar uit zee niet licht onderscheiden; een post van ervaren
loodsen bevindt zich altijd bij de ondiepte, die dagelijks gepeild
moet worden. De schepen, die op den Senegal handel willen drijven,
moeten niet meer dan vier el diepgang hebben.
De bevolking van Saint-Louis biedt ons nagenoeg alle typen aan, welke
men langs de rivier vindt; de meest karakteristieke wellicht is die
der prauw- of schuitenvoerders, die tegenover het eiland Saint-Louis
een dorp, Guet-N'dar genaamd, bewonen. Deze bewoners van Guet-N'dar
zijn visschers van vader op zoon; zij weten met eene buitengewone
vaardigheid hunne prauwen door de branding langs de kust heen te
sturen. Deze prauwen zijn aan de beide uiteinden voorzien van scherpe
punten; de vier mannen die er zich in bevinden, staan rechtop en
bewegen het vaartuig met hunne lange pagaaien; door telkens van plaats
te veranderen, vormen zij een tegenwicht tegen de beweging der golven,
en weten zich zoo met hun vaartuig in evenwicht te houden op de kruin
der baren, wier deining zij volgen met duizelingwekkende snelheid,
als zij hunne vangst naar land komen brengen.
De laptot of matroos der rivier is een niet minder merkwaardige type
dan de prauwenvoerder, maar hij houdt niet van het golfgeklots: hij is
meer gesteld op stiller water; hij houdt van lange riviertochten, van
het gerucht van moorsche kampen of negerdorpen. De tweehonderd mijlen,
die Saint-Louis van Bakel scheiden, legt hij af zonder een spier te
vertrekken, zich van het zeil bedienende als de wind hem gunstig is,
zich voor de lijn spannende, of wel boegseerende, wanneer de steile
kanten der rivier te zeer met boomen en houtgewas bezet zijn om zijn
vaartuig aan de lijn te kunnen voorttrekken.
De bemanning van een handelsvaartuig zou niet voltallig zijn zonder
eene vrouw om de kouskous te bereiden, en een griot, die op een
tamboerijn moet slaan om de maat gedurende den tocht aan te geven.
Als de laptot de kunst van sparen verstaat, wordt hij mettertijd
eigenaar van het vaartuig, dat hij hielp voorttrekken; hij treedt
dan als koopman op, en ontvangt de noodige voorschotten om handel te
drijven van de te Saint-Louis gevestigde kooplui, met wie hij, na de
terugkomst van zijne reis, afrekent. Een eenvoudige mat, een strooien
dak beveiligen den handelaar tegen zonneschijn en regen; de koopwaren
worden somtijds in kisten en koffers geborgen, soms weggesloten in het
scheepsruim; in dit laatste geval is het vaartuig van een dek voorzien.
Uit de vermenging van Europeanen met inboorlingen is eene eigenaardige
bevolking van kleurlingen ontstaan, die zorgvuldig de levenswijze van
hunne vaders in stand houden; de mulattinnen voeren den portugeeschen
titel van signares (dames); zij zijn er zeer op gesteld, dat haar
huishouding op behoorlijken voet zij ingericht. De kleurlingen in
Senegambië zijn over het algemeen de blanken zeer genegen, van wie
zij niet alleen afstammen, maar aan wie zij ook hun rijkdom en hunne
opvoeding te danken hebben.
De gezeten Jolofs bebouwden enkele gierstvelden in de dorpen rondom
Saint-Louis; wanneer de gouverneurs der kolonie oorlog moeten voeren
met de langs de rivier wonende stammen, leveren zij een aantal
vrijwilligers; meermalen bedraagt hun kontingent vijftien-honderd
tot twee-duizend man. De vrijwilligers van Saint-Louis zijn in den
regel trouw aan de vlag en dapper in het veld; maar de rekruten uit
de aangrenzende provinciën missen die goede eigenschappen; onder hen
zijn er velen, die steeds naar eene gunstige gelegenheid uitzien om
te gaan plunderen.
Men heeft aan den Senegal achtervolgens verschillende handelssystemen
in praktijk gebracht. Tot in 1790 was de handel uitsluitend in handen
van geoctroyeerde en geprivilegieerde maatschappijen. Na 1817,
toen Frankrijk weder in het bezit van deze kolonie werd gesteld,
nam de regeering de proef met eigen cultuur; maar deze proef, in 1822
begonnen, leverde geen ernstige resultaten op. De proefneming rustte
op het geven van premiën, en toen men na 1830 met de betaling van
die premiën ophield, gingen ook de cultures te gronde. Het katoen
en de indigo, die hier gekweekt werden, waren van goede kwaliteit;
alleen heeft men het stelsel van cultuur verkeerd toegepast.
Na de mislukking van deze proef, meende men te moeten terugkeeren tot
het stelsel van geprivilegieerde maatschappijen voor het drijven van
handel op den Senegal. De eerste maatschappij van Galom werd in 1828
opgericht. Haar octrooi verzekerde haar het monopolie van den handel in
de bovenlanden gedurende den lagen waterstand. Bij hoog water, had zij
te strijden met vreemde concurrentie. In 1821 had de regeering het fort
Baker doen herbouwen, om den handel te beschermen, en den kooplieden,
die hunne waren voor de roofzucht der zwarten wilden beveiligen, eene
zekere bergplaats te bezorgen. Het monopolie van deze maatschappij,
dat reeds herhaaldelijk aan allerlei aanvallen had blootgestaan,
werd in 1848 afgeschaft. Op dezen maatregel volgde de openstelling
der haven van Saint-Louis voor vreemde schepen, die er handel mogen
drijven. De handel op de rivier zelve is echter uitsluitend aan de
Franschen verbleven. Het besluit van 1848 heeft de oprichting van
onderscheidene forten langs de oevers der rivier noodzakelijk gemaakt,
ten einde de ontwikkeling van den handel te beschermen.
Wij kunnen natuurlijk hier geen overzicht geven van de verschillende
oorlogen, die de gouverneurs van den Senegal hebben moeten voeren
tegen de inlandsche bevolking om de Mooren in bedwang te houden,
die telkens strooptochten ondernamen in het gebied der negers, dat
zij bereikten door de rivier te doorwaden.
De gouverneurs van den Senegal hebben bij deze kolonie onderscheidene
landstreken ingelijfd, in de nabijheid van Saint-Louis, Ouallo en
Dimar gelegen.
In 1858 werd met de Mooren een traktaat gesloten, waarbij zij de
nieuwe grenzen der kolonie erkenden. Sedert hebben dan ook de Trarzas,
de Bracknas en de Douaichs geen invallen op den linkeroever van den
Senegal meer gedaan.
Aanvankelijk betaalde de handel zekere rechten, coutumes
geheeten,--naar het engelsche woord custom, tol,--aan de moorsche
opperhoofden, op wier gebied handelskantoren waren gevestigd. Die
coutumes, die eigenlijk niet anders waren dan vrijwillige giften,
werden gaandeweg door de hoofden als een soort van belasting
beschouwd, hetgeen aanleiding gaf tot eindeloos gehaspel en ernstige
moeilijkheden. Sedert is de betaling dezer rechten behoorlijk geregeld;
van wege den gouverneur worden tegenwoordig aan de hoofden, wier
aanspraken erkend zijn, vaste, bij traktaat bepaalde sommen uitgekeerd.
Zoodra het gevaar van den kant der Mooren geweken was, heeft de
koloniale regeering al hare aandacht moeten wijden aan de streken
langs den Boven-Senegal, waar de krachtige en dappere stammen
der Foulahs zich met al hunne macht tegen de uitbreiding van het
fransche gezag verzetten. Om den tegenstand van het rijk van Foutah te
breken, waren er niet minder dan drie veldtochten noodig: eindelijk
werd het overwonnen en onder verschillende onafhankelijke hoofden
verdeeld. Dimar, Tongo en Damga, die het eigenlijke Foutah aan alle
zijden omgeven, werden onder fransch protectoraat gesteld.
Het middelpunt van de hoofdmacht der Foulahs is het Morfil-eiland,
dat de rivier in twee armen verdeelt: Podor, aan den voornaamsten
tak gelegen, beheerscht de noordelijke geul, die het eiland van het
moorsche gebied scheidt; Saldé, aan de oostpunt, vervult daar dezelfde
bestemming als Podor. Om de scheepvaart en den binnenlandschen handel
te beschermen, heeft de koloniale regeering, aan den zuidelijken
rivierarm, tegenover Saldé, het fort Aéré doen bouwen. Saldé is een
groot dorp, door Torodos bewoond, die hier in deze streken te huis
behooren.
Gedurende het droge jaargetijde, schijnt de landstreek, door den
Senegal besproeid, eene dorre wildernis: men ziet er niets anders dan
hoog en spichtig gras en eenige armelijke, dwergachtige struiken en
heesters. Als de wateren wassen, treedt de rivier buiten hare oevers en
overstroomt het omliggende lage land. Na den afloop van het water, is
iedere holte, iedere verdieping in den grond, in een plas herschapen,
die somwijlen den omvang heeft van een klein meer; langs de oevers dier
meeren en plassen ontwikkelt zich welhaast een weelderige plantengroei.
Bij haren uitloop verdeelt de rivier zich in een aantal takken, die een
menigte eilanden vormen. Echter vereenigen zich al die takken weder
bij de eigenlijke monding, waardoor de machtige stroom de gansche
massa zijner wateren in zee uitstort. Ter bescherming en verdediging
van dezen delta moet het fort Lampsar dienen. De koloniale regeering
heeft bij Lampsar een soort van stuw aangelegd, waardoor de wateren
van het meer Guier of Paniéfoul worden opgehouden; dit geschiedde met
het doel om dit water, door middel van een kanaal, naar Saint-Louis te
voeren, dat geen bruikbaar drinkwater heeft. Men heeft evenwel daarvan
moeten afzien, omdat het opgehouden water uit het meer brak werd.
Richard Toll of de Tuin van Richard, is de naam van een etablissement,
dat door den tuinman en botanicus Richard gesticht werd, om tot
acclimatatietuin te dienen. In 1840 werd de gansche aanleg vernield,
onder voorwendsel, dat de vijand daar een veilige schuilplaats
zou kunnen vinden. Tegenwoordig verkeert de tuin weer in goeden
staat. De ligging van Richard Toll is zeer gunstig, nabij het kanaal
van Taouay, dat de gemeenschap vormt tusschen de rivier en het meer
Guier; de gouverneurs hebben hier een paviljoen doen bouwen, dat hun
tot zomerverblijf dient. Eenige particulieren hebben in den omtrek
van Richard Toll katoenplantages aangelegd; en wanneer die plantages
goed behandeld en vooral van het noodige water voorzien worden, is
er alleszins grond voor de verwachting, dat zij den ondernemers eene
voldoende rente zullen opleveren.
Zoodra het brakke water door het zoete vervangen wordt, worden ook
de oevers der rivier levendiger, en neemt de plantengroei een ander,
grooter, weelderiger karakter aan. Tegenover Podor op het eiland
Morfil, licht de markt der Bracknas. Hier heeft zich bereids eene
kleine stad gevormd, met aardige wandelingen en huizen met platte
daken. Dit ziende, durft men zich bijna met de hoop vleien, dat de
beschaving zich langzamerhand een weg langs de rivier zal banen.
In den winter of regentijd is het gansche land langs de rivier beneden
Podor overstroomd: ge ziet niets dan een onmetelijk meer. De Mooren,
wier land door heuvelen doorsneden wordt, trekken zich dan terug naar
de zijde van Tagant en Sahel. Sommige heuvelen tegenover Podor gelegen,
dragen den naam van Shamanah; in den regentijd moet men deze keten
van Shamanah volgen, om het binnenland te bereiken. De Bracknas zijn,
even als de Trarzas, dweepzieke Mohammedanen; ook hunne zoogenaamde
staatsregeling is dezelfde.
Dagana wordt vooral druk bezocht door de Douaichs, wier naam gevangenen
beteekent. Een hunner opperhoofden heeft ze bevrijd van het juk,
waaronder zij vroeger zuchtten. Zij zijn Berbers van den stam Azenagh;
maar hunne macht, die anders niet verwerpelijk zou zijn, wordt gebroken
door de erfelijke veeten tusschen hunne vorstelijke geslachten. De
Douaichs en de Tichits hebben een breeder en platter aangezicht dan
de Mooren. Ondanks het eenigszins bolle voorhoofd, is het hoofd toch
fraai gevormd; de neus is fraai; de oogen puilen een weinig uit;
zij deden mij denken aan de Bedouienen, die ik in Marokko gezien heb.