VI.

Als wij de verschillende natiën van Afrika beschouwen, zullen wij

dikwijls gelegenheid vinden, de ingewikkelde vraag van hunnen oorsprong

te bespreken.

Alvorens over den Senegal te spreken, wiens oevers de grensscheiding

uitmaken tusschen de berbersche en de ethiopische rassen, moeten wij

eerst eene algemeene klassificatie beproeven, die tot beter begrip

der volgende schetsen zal dienen.

Door onafgebroken onderzoek is de nieuwere wetenschap tot de

onderzoeking gekomen, dat de wet, welke de vorming en ontwikkeling der

talen beheerscht, zich steeds laat gelden; dat, welke ontwikkeling

de oorspronkelijke taal ook ondergaan moge hebben, zij toch op

onmiskenbare wijze het zegel harer afkomst behouden heeft; zoodat

het mogelijk is, langen tijd na hare scheiding, tusschen reeds ver

uiteenloopende taalgroepen eene vaste betrekking aan te wijzen;

daardoor heeft men volken, die thans door onmetelijke afstanden

gescheiden zijn, tot eenen gemeenschappelijken grondtype kunnen

terugbrengen.

Het is de taalstudie dus, die in de eerste plaats onze gids moet zijn

in den doolhof, dien de ethnographie van Afrika voor ons opent.

De analyse heeft ons veroorloofd de talen in kenmerkende groepen te

scheiden: eenlettergrepig bij den aanvang, worden zij door eene zeer

langzame vervorming meerlettergrepig. De eigenaardige gesteldheid

en ligging van Afrika, dat met andere werelddeelen slechts door een

nauwe landengte is verbonden, maakt de taalstudiën voor dit werelddeel

gemakkelijk, omdat de afzondering, waarin de verschillende afrikaansche

volken geleefd hebben, hen heeft verhinderd, vreemde elementen in

zich op te nemen, zoodat zij de taal hunner vaderen onvermengd hebben

bewaard. Deze onverandelijkheid van hun taaleigen stelt ons in staat,

vrij nauwkeurig de aardrijkskundige grenzen van elke groep te bepalen

en hare verhuizingen te kunnen nagaan.

De vormen der afrikaansche talen, die over het algemeen

meerlettergrepig zijn, duiden eene zeer oude beschaving aan; deze

talen hebben aan het spreken meer vlugheid bijgezet, door dat men de

zelfstandige naamwoorden heeft vervangen door voornaamwoorden, die van

denzelfden wortel worden afgeleid; het kleine aantal dezer partikels,

en de regelmatige wijze waarop zij bij het zelfstandig naamwoord zijn

geplaatst, doen hen gemakkelijk herkennen; deze voornaamwoorden zijn

derhalve een gemakkelijk middel geworden, om de talen, waarin zij

voorkomen, à priori in klassen te verdeelen.

Het schijnt dat het vernuft der volken alle mogelijke combinatiën, wat

het gebruik dezer wortelwoorden betreft, heeft uitgeput. Bij sommige

groepen gaan de voornaamwoorden aan het zelfstandig naamwoord vooraf,

onder den vorm van voorvoegsels; bij andere daarentegen volgen zij als

achtervoegsels; in sommige gevallen kunnen zij nog verbogen worden,

en wijzen door hunne veranderingen het geslacht van den persoon,

van wien men spreekt, of tot wien er gesproken wordt, aan; bij

andere groepen zijn zij onverbuigbaar. Eindelijk worden er ook nog

zulke aangetroffen, die afzonderlijke naamvallen hebben om enkel-

en meervoud aan te duiden.

Voorzeker zoude het eene lastige zaak zijn, de voor- en achtervoegsels

te leeren kennen, indien hun getal onbepaald ware; doch de taalkenners

zijn tot de overtuiging gekomen, dat zij op zijn hoogst niet meer

dan zestien verschillende vormen kunnen aannemen. Sommige taalgroepen

hebben er slechts een kleiner aantal van behouden, waarvan sommigen

gebruikt worden om enkel- en meervoud, anderen om onbepaalde naamvallen

aan te duiden.

De talen, die een wortel-voornaamwoord van het zelfstandig naamwoord

doen voorafgaan, zullen wij het eerst onderzoeken; de studie die

men van deze groep gemaakt heeft, is nog niet zoo ver gevorderd,

dat men de overeenkomst van het voorvoegsel kan constateeren; de

naamvallen worden er aangeduid door bijzondere vormen, die aan enkel-

en meervoud eigen zijn.

Dit algemeene karakter vertoont zich bij groepen, wier wortels ver

genoeg uiteen loopen, om de taalgeleerden te nopen de afrikaansche

dialekten met onverbuigbare voorvoegsels in twee groepen te verdeelen,

welke gescheiden worden door den equator.

De eerste groep, die bepaaldelijk in Noord-Afrika te huis behoort,

heeft den naam van gor ontvangen; het gor wordt op zijne beurt weder

verdeeld in verschillende groepen, waarvan het jolof, het foulah, het

oumali, dat in Darfoer gesproken wordt, en het gah, dat op de Goudkust,

in het gebied Accrah te huis behoort, de voornaamste zijn. Deze talen

beslaan eene breedte van 10 à 11 graden, van de Libysche woestijn en

de Sahara tot aan het Nigerdal, waar de veroveringen der Foulahs haar

gebracht hebben; in de lengte strekken zij zich, met een boog van 40

graden, van Darfoer tot den Atlantischen Oceaan uit.

De tweede groep van talen met voorvoegsels is inheemsch in Zuid-Afrika,

en wel in negen tiende gedeelten daarvan; haar naam van bantou dankt

zij aan de Kaffers, die hare dialekten voornamelijk spreken. De

kaffertalen zijn ontwikkeld genoeg, om hare wortels, die standvastig

zijn, te kunnen onderkennen. Talen van deze vorming vinden wij van

de kust van Zanzibar tot aan kaap Palmas; zij omspannen derhalve

Zuid-Afrika als met een net: op het souheli, dat gesproken wordt op

de kust van Zanzibar en op de Comoren, in de Indische zee, volgen de

dialekten van den Zambeze en van de Zoulous van Natal. De Betsjuanen

en Bassoutos spreken het zuiverste bantou, eene taal, die men in het

binnenland tot aan het N'gami-meer aantreft.

De Hottentotten en Boschjesmannen, die de westelijke kusten van Afrika

bewonen tot aan de Oranjerivier, spreken talen met achtervoegsels. Te

beginnen bij de Cimbebas, vinden wij wederom talen met onverbuigbare

voorvoegsels. De bewoners van Benguela spreken het herero of

otiherero. De bonda- of fiotes-talen worden gesproken van St. Paul de

Loanda tot aan Loango. De stammen van Gabon en van de streken langs de

omliggende rivieren bedienen zich eveneens van talen met voorvoegsels:

het pongwé, het bakalai, het fan, het ashira, het benga, zijn er de

voornaamste dialekten van. Ook behoort daartoe het dualla en isobo,

dat gesproken wordt door de stammen, die de landstreek tot aan den

berg Camerones bewonen. De Bouvis, bewoners van Fernando-Po, spreken

het batélé, dat geen groot verschil oplevert met de talen der kust.

Wij komen dus weder aan den equator, waar wij evenzeer talen met

voorvoegsels vinden onder de volken, die aan de monden van den Niger

wonen. Deze verschillende dialekten dragen verschillende namen; te

Oud-Kalaban heet de taal effick; te Bonni, istoloma; te Yarriba en

Lagos, nago; waarop het wéghé of crépé volgt; deze taal wordt gesproken

door de Dahomans en de volken die van Badagri tot aan de Rio-Volta

wonen. Daarna komen wij aan de Goudkust, waar wij dialekten vinden,

die van het kass of agni zijn afgeleid, dat de moedertaal van het fanti

en ashanti schijnt te zijn; het kass en agni worden gesproken in de

moerassen van Groot-Bassam en Assinië, waar er eenige vreemde elementen

bijkomen; zij strekken zich noordwaarts uit tot aan het Kong-gebergte.

De volken, die de streek tusschen St. Andreas en Kaap Monte bewonen,

zijn over het algemeen bekend onder den naam van Kroumanen; men

verdeelt hen in drie hoofd-stammen: de Grebos, op hunne beurt weder

eene vereeniging van vele kleinere stammen, wonen van St. Andreas

tot aan Kaap Palmas; de Mena, de Dey, de Diolas en de Wey aan de

Peper- of Malequetta-kust, waar de Noord-Amerikanen eene kolonie van

vrijgelatenen gesticht hebben onder den naam van Liberia.

De ména-talen hebben eene afzonderlijke groep uitgemaakt; daarop

vinden wij de bantou-talen, die in zwang zijn van kaap Monte tot aan

de Scarcies, rivieren die ten noorden van Sierra-Leone loopen. De

dialekten der Bullom, der Timanies, die aan de Boven-Rokelle en hare

monding wonen, behooren hiertoe, evenals de dialekten van Sherbro.

De talen van Afrika, in welke de wortels achter het zelfstandig

naamwoord gehecht zijn, worden in twee groote groepen verdeeld: in

de eerste is het achtervoegsel verbuigbaar, in de tweede onverbuigbaar.

De talen met verbuigbare voorvoegsels worden in Noord-Afrika

vertegenwoordigd door de galla-, somala-, tibou-, en haoussa-talen,

waarvan de verwantschap met het berbersch of arabisch misschien alleen

bestaat in het gebruik maken der achtervoegsels; het koptisch heeft

echter eene nauwe verwantschap met het hottentotsch.

Deze talen strekken zich ook over eene groote landstreek uit, begrepen

tusschen de Atlantische, Middellandsche, Roode en Indische Zeeën;

ook hebben zij zich een weg gebaand op de oostelijke kusten tot aan

den zesden graad noorderbreedte, terwijl aan de Atlantische Zee de

zestiende graad de grens van hun gebied is; zij snijden den meridiaan

onder eenen hoek van ongeveer 20 graden, en scheiden de talen met

voorvoegsels in twee ongelijke groepen, waarvan de voornaamste

westelijk gelegen is.

In de talen, waarvan de Hottentotten en Boschjesmannen zich bedienen,

hervindt men het gebruik van het buigbare achtervoegsel in al zijne

zuiverheid terug; wij kunnen op dit oogenblik niet verklaren, waaraan

deze overeenkomst van wortels en taalvormen is toe te schrijven,

tusschen volken, die schier door een geheel werelddeel van elkander

zijn gescheiden.

Als wij nogmaals talen met onbuigbare achtervoegsels willen vinden,

moeten wij naar Noord-Afrika terug: deze vorm is wederom eigen aan

het mandingo-ras. Deze dialekten worden aangeduid met den naam van

mandé-téda; zij worden gesproken van den Boven-Senegal tot over het

Kong-gebergte; het soninké en het malinké zijn er de voornaamste

dialekten van. De rivieren, zooals de Gambia, de Kajamanja, de Rio

Geba, de Rio Nunez, die Senegambië besproeien, volgende, banen zij

zich een weg tot aan den Atlantischen Oceaan. Langs deze rivieren

hebben de Mandingo nederzettingen gevormd.

In Midden-Afrika vindt men, als vertegenwoordigster dier talen,

het kanouri, dat in Bornou gesproken wordt.

De Berberen schijnen de afstammelingen te zijn van de oorspronkelijke

bevolking van Noord-Afrika. Zorgvuldig heeft men de betrekking

nagegaan, die er bestond tusschen het berbersch en het ouralische

dialekt. Eenigen hebben gemeend daaruit te mogen besluiten, dat Azië

het uitgangspunt van dit ras is geweest, aan hetwelk zij ook de groote

steenen gedenkteekenen toeschrijven, die in Europa en Afrika hunnen

tocht zouden hebben gekenmerkt.

Deze theorie schijnt nog niet genoeg door bewijzen gestaafd, om zonder

voorbehoud te kunnen worden aangenomen. Het kan niet twijfelachtig

zijn, of de invloed van het berbersch is zeer sterk geweest, en heeft

zich zeer lang doen gevoelen; in den ouden tijd was het toch algemeen

de gewoonte, dat de overwonnen volken in het bezit hunner eigene taal

en zeden werden gelaten; het is slechts aan de woeste geloofsleer der

Arabieren, die Afrika aan de noord- en oostzijde zijn binnengedrongen,

te wijten, dat er zulk eene vreeselijke verwarring ontstaan is, die

oorzaak is geweest dat de afrikaansche volken, na de verkondiging

van den Islam, andere woonplaatsen zijn gaan opzoeken.

De overlevering, die wij nog bij de Jolofs vinden, leert ons dat zij

van het oosten zijn gekomen en zich langs de rivier den Senegal hebben

gevestigd, wier linkeroever hun nu nog tot woonplaats strekt. Omtrent

het vermoedelijke tijdstip dezer verhuizing kan niets worden gemeld.

Kordofan, waar wij eene zwarte bevolking vinden, wier taal eenige

overeenkomst met die der Jolofs verraadt, zou wel het uitgangspunt

van dit ras geweest kunnen zijn. Ook de Gangaris, meer bekend onder

den naam van Sarrokolets of Soninkés, zijn uit het oosten gekomen;

in de vroegste oudheid stichtten zij ten noorden van Masina een

rijk, welks hoofdstad Oualata was. Tegenwoordig hebben zij hunne

onafhankelijkheid alleen behouden in het land Galam, ook Gangara

genaamd. Zij hebben een kaste van krijgslieden, de bakiris, en een

priesterkaste, de saybolis, die den grooten volksraad uitmaken.

De Mandingos of Malinkés verlieten in het begin der middeleeuwen

hunne woonplaatsen, vernietigden het rijk der Gangari, wierpen de

andere zwarte rassen naar het westen terug, en stichtten een rijk,

waarvan de aardrijkskundige Leo de Afrikaan melding maakt onder den

naam van Mali. De Malinkés zijn krijgslieden. De heerschende kaste

heet bij hen Courbari; zij vereeren de Kabiren.

Later zien wij de Bambarras, aan de Malinkés verwant, het rijk van

Mali vernietigen, en aan de oevers van den Jolibaa of Niger, twee

machtige rijken stichtten, waarvan het eene Djenné, het andere Sego

tot hoofdstad had; tot Kaarta en Kasson voerden zij hunne zegevierende

wapenen. Hun rijk is in den laatsten tijd vernietigd door den Foulah

Hadji-Omar, die zich ook van hunne hoofdstad Sego heeft meester

gemaakt. Een hevige strijd, waarvan de uitslag nog niet te voorzien

is, wordt tegenwoordig door zijnen zoon Hamdou gevoerd tegen de

verschillende elementen, die eenmaal dat rijk vormden.

Terwijl de Gangaris en de Bambarras van het oosten naar het westen

getrokken zijn, hebben de Gallas of Oromos, van het meer Tchad

komende, reeds in voorhistorische tijden, zich noordoostelijk

gewend en zich op Abessinië geworpen, dat zij voor een deel hebben

vermeesterd. De oostkust van Afrika is dikwijls de prooi geweest van

geduchte veroveraars, die men aldaar nog onder den naam van Wasimba

kent. Men meent dat deze nomaden tot het galla-ras behoorden.

De bewoners van het Nigerdal, even als de Foulahs en Jolofs, zijn

van het oosten naar het westen getrokken. Ook hier meent men dat

de uitbreiding van den Islam deze volken uit hunne oorspronkelijke

woonplaatsen heeft verdreven. Bij de Ashantis vindt men nog eenige

overleveringen, die er op schijnen te wijzen, dat zij betrekkingen

hebben gehad met het oude Egypte; hunne vestiging op de oostelijke

helling van het Kong-gebergte is eene gebeurtenis van betrekkelijk

jongen datum, die zeker niet vroeger dan de twaalfde eeuw heeft

plaats gegrepen.

Het zoo uitgestrekte net van rivieren dat Zuid-Afrika overdekt, maakt

er het verkeer veel gemakkelijker dan in het noordelijk deel. Evenwel

vinden wij geenerlei aanwijzing aangaande de verhuizingen van de

hier wonende horden; de reden hiervan ligt in de omstandigheid, dat

deze streken verschoond zijn gebleven van de bezoeken der Arabieren,

aan wie wij de weinige zekere berichten, die wij aangaande Soedan

bezitten, te danken hebben. De volkomen afzondering der Hottentotten,

die eene taal spreken met buigbare achtervoegsels, blijkbaar aan

de koptische taal verwant, is zeer moeilijk te verklaren. Op welk

tijdstip hebben zij Noord-Afrika verlaten? Hebben de Kaffers hen naar

het zuiden teruggedrongen? Ziedaar onoplosbare vragen.

Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 7 / 15 题