Als wij de verschillende natiën van Afrika beschouwen, zullen wij
dikwijls gelegenheid vinden, de ingewikkelde vraag van hunnen oorsprong
te bespreken.
Alvorens over den Senegal te spreken, wiens oevers de grensscheiding
uitmaken tusschen de berbersche en de ethiopische rassen, moeten wij
eerst eene algemeene klassificatie beproeven, die tot beter begrip
der volgende schetsen zal dienen.
Door onafgebroken onderzoek is de nieuwere wetenschap tot de
onderzoeking gekomen, dat de wet, welke de vorming en ontwikkeling der
talen beheerscht, zich steeds laat gelden; dat, welke ontwikkeling
de oorspronkelijke taal ook ondergaan moge hebben, zij toch op
onmiskenbare wijze het zegel harer afkomst behouden heeft; zoodat
het mogelijk is, langen tijd na hare scheiding, tusschen reeds ver
uiteenloopende taalgroepen eene vaste betrekking aan te wijzen;
daardoor heeft men volken, die thans door onmetelijke afstanden
gescheiden zijn, tot eenen gemeenschappelijken grondtype kunnen
terugbrengen.
Het is de taalstudie dus, die in de eerste plaats onze gids moet zijn
in den doolhof, dien de ethnographie van Afrika voor ons opent.
De analyse heeft ons veroorloofd de talen in kenmerkende groepen te
scheiden: eenlettergrepig bij den aanvang, worden zij door eene zeer
langzame vervorming meerlettergrepig. De eigenaardige gesteldheid
en ligging van Afrika, dat met andere werelddeelen slechts door een
nauwe landengte is verbonden, maakt de taalstudiën voor dit werelddeel
gemakkelijk, omdat de afzondering, waarin de verschillende afrikaansche
volken geleefd hebben, hen heeft verhinderd, vreemde elementen in
zich op te nemen, zoodat zij de taal hunner vaderen onvermengd hebben
bewaard. Deze onverandelijkheid van hun taaleigen stelt ons in staat,
vrij nauwkeurig de aardrijkskundige grenzen van elke groep te bepalen
en hare verhuizingen te kunnen nagaan.
De vormen der afrikaansche talen, die over het algemeen
meerlettergrepig zijn, duiden eene zeer oude beschaving aan; deze
talen hebben aan het spreken meer vlugheid bijgezet, door dat men de
zelfstandige naamwoorden heeft vervangen door voornaamwoorden, die van
denzelfden wortel worden afgeleid; het kleine aantal dezer partikels,
en de regelmatige wijze waarop zij bij het zelfstandig naamwoord zijn
geplaatst, doen hen gemakkelijk herkennen; deze voornaamwoorden zijn
derhalve een gemakkelijk middel geworden, om de talen, waarin zij
voorkomen, à priori in klassen te verdeelen.
Het schijnt dat het vernuft der volken alle mogelijke combinatiën, wat
het gebruik dezer wortelwoorden betreft, heeft uitgeput. Bij sommige
groepen gaan de voornaamwoorden aan het zelfstandig naamwoord vooraf,
onder den vorm van voorvoegsels; bij andere daarentegen volgen zij als
achtervoegsels; in sommige gevallen kunnen zij nog verbogen worden,
en wijzen door hunne veranderingen het geslacht van den persoon,
van wien men spreekt, of tot wien er gesproken wordt, aan; bij
andere groepen zijn zij onverbuigbaar. Eindelijk worden er ook nog
zulke aangetroffen, die afzonderlijke naamvallen hebben om enkel-
en meervoud aan te duiden.
Voorzeker zoude het eene lastige zaak zijn, de voor- en achtervoegsels
te leeren kennen, indien hun getal onbepaald ware; doch de taalkenners
zijn tot de overtuiging gekomen, dat zij op zijn hoogst niet meer
dan zestien verschillende vormen kunnen aannemen. Sommige taalgroepen
hebben er slechts een kleiner aantal van behouden, waarvan sommigen
gebruikt worden om enkel- en meervoud, anderen om onbepaalde naamvallen
aan te duiden.
De talen, die een wortel-voornaamwoord van het zelfstandig naamwoord
doen voorafgaan, zullen wij het eerst onderzoeken; de studie die
men van deze groep gemaakt heeft, is nog niet zoo ver gevorderd,
dat men de overeenkomst van het voorvoegsel kan constateeren; de
naamvallen worden er aangeduid door bijzondere vormen, die aan enkel-
en meervoud eigen zijn.
Dit algemeene karakter vertoont zich bij groepen, wier wortels ver
genoeg uiteen loopen, om de taalgeleerden te nopen de afrikaansche
dialekten met onverbuigbare voorvoegsels in twee groepen te verdeelen,
welke gescheiden worden door den equator.
De eerste groep, die bepaaldelijk in Noord-Afrika te huis behoort,
heeft den naam van gor ontvangen; het gor wordt op zijne beurt weder
verdeeld in verschillende groepen, waarvan het jolof, het foulah, het
oumali, dat in Darfoer gesproken wordt, en het gah, dat op de Goudkust,
in het gebied Accrah te huis behoort, de voornaamste zijn. Deze talen
beslaan eene breedte van 10 à 11 graden, van de Libysche woestijn en
de Sahara tot aan het Nigerdal, waar de veroveringen der Foulahs haar
gebracht hebben; in de lengte strekken zij zich, met een boog van 40
graden, van Darfoer tot den Atlantischen Oceaan uit.
De tweede groep van talen met voorvoegsels is inheemsch in Zuid-Afrika,
en wel in negen tiende gedeelten daarvan; haar naam van bantou dankt
zij aan de Kaffers, die hare dialekten voornamelijk spreken. De
kaffertalen zijn ontwikkeld genoeg, om hare wortels, die standvastig
zijn, te kunnen onderkennen. Talen van deze vorming vinden wij van
de kust van Zanzibar tot aan kaap Palmas; zij omspannen derhalve
Zuid-Afrika als met een net: op het souheli, dat gesproken wordt op
de kust van Zanzibar en op de Comoren, in de Indische zee, volgen de
dialekten van den Zambeze en van de Zoulous van Natal. De Betsjuanen
en Bassoutos spreken het zuiverste bantou, eene taal, die men in het
binnenland tot aan het N'gami-meer aantreft.
De Hottentotten en Boschjesmannen, die de westelijke kusten van Afrika
bewonen tot aan de Oranjerivier, spreken talen met achtervoegsels. Te
beginnen bij de Cimbebas, vinden wij wederom talen met onverbuigbare
voorvoegsels. De bewoners van Benguela spreken het herero of
otiherero. De bonda- of fiotes-talen worden gesproken van St. Paul de
Loanda tot aan Loango. De stammen van Gabon en van de streken langs de
omliggende rivieren bedienen zich eveneens van talen met voorvoegsels:
het pongwé, het bakalai, het fan, het ashira, het benga, zijn er de
voornaamste dialekten van. Ook behoort daartoe het dualla en isobo,
dat gesproken wordt door de stammen, die de landstreek tot aan den
berg Camerones bewonen. De Bouvis, bewoners van Fernando-Po, spreken
het batélé, dat geen groot verschil oplevert met de talen der kust.
Wij komen dus weder aan den equator, waar wij evenzeer talen met
voorvoegsels vinden onder de volken, die aan de monden van den Niger
wonen. Deze verschillende dialekten dragen verschillende namen; te
Oud-Kalaban heet de taal effick; te Bonni, istoloma; te Yarriba en
Lagos, nago; waarop het wéghé of crépé volgt; deze taal wordt gesproken
door de Dahomans en de volken die van Badagri tot aan de Rio-Volta
wonen. Daarna komen wij aan de Goudkust, waar wij dialekten vinden,
die van het kass of agni zijn afgeleid, dat de moedertaal van het fanti
en ashanti schijnt te zijn; het kass en agni worden gesproken in de
moerassen van Groot-Bassam en Assinië, waar er eenige vreemde elementen
bijkomen; zij strekken zich noordwaarts uit tot aan het Kong-gebergte.
De volken, die de streek tusschen St. Andreas en Kaap Monte bewonen,
zijn over het algemeen bekend onder den naam van Kroumanen; men
verdeelt hen in drie hoofd-stammen: de Grebos, op hunne beurt weder
eene vereeniging van vele kleinere stammen, wonen van St. Andreas
tot aan Kaap Palmas; de Mena, de Dey, de Diolas en de Wey aan de
Peper- of Malequetta-kust, waar de Noord-Amerikanen eene kolonie van
vrijgelatenen gesticht hebben onder den naam van Liberia.
De ména-talen hebben eene afzonderlijke groep uitgemaakt; daarop
vinden wij de bantou-talen, die in zwang zijn van kaap Monte tot aan
de Scarcies, rivieren die ten noorden van Sierra-Leone loopen. De
dialekten der Bullom, der Timanies, die aan de Boven-Rokelle en hare
monding wonen, behooren hiertoe, evenals de dialekten van Sherbro.
De talen van Afrika, in welke de wortels achter het zelfstandig
naamwoord gehecht zijn, worden in twee groote groepen verdeeld: in
de eerste is het achtervoegsel verbuigbaar, in de tweede onverbuigbaar.
De talen met verbuigbare voorvoegsels worden in Noord-Afrika
vertegenwoordigd door de galla-, somala-, tibou-, en haoussa-talen,
waarvan de verwantschap met het berbersch of arabisch misschien alleen
bestaat in het gebruik maken der achtervoegsels; het koptisch heeft
echter eene nauwe verwantschap met het hottentotsch.
Deze talen strekken zich ook over eene groote landstreek uit, begrepen
tusschen de Atlantische, Middellandsche, Roode en Indische Zeeën;
ook hebben zij zich een weg gebaand op de oostelijke kusten tot aan
den zesden graad noorderbreedte, terwijl aan de Atlantische Zee de
zestiende graad de grens van hun gebied is; zij snijden den meridiaan
onder eenen hoek van ongeveer 20 graden, en scheiden de talen met
voorvoegsels in twee ongelijke groepen, waarvan de voornaamste
westelijk gelegen is.
In de talen, waarvan de Hottentotten en Boschjesmannen zich bedienen,
hervindt men het gebruik van het buigbare achtervoegsel in al zijne
zuiverheid terug; wij kunnen op dit oogenblik niet verklaren, waaraan
deze overeenkomst van wortels en taalvormen is toe te schrijven,
tusschen volken, die schier door een geheel werelddeel van elkander
zijn gescheiden.
Als wij nogmaals talen met onbuigbare achtervoegsels willen vinden,
moeten wij naar Noord-Afrika terug: deze vorm is wederom eigen aan
het mandingo-ras. Deze dialekten worden aangeduid met den naam van
mandé-téda; zij worden gesproken van den Boven-Senegal tot over het
Kong-gebergte; het soninké en het malinké zijn er de voornaamste
dialekten van. De rivieren, zooals de Gambia, de Kajamanja, de Rio
Geba, de Rio Nunez, die Senegambië besproeien, volgende, banen zij
zich een weg tot aan den Atlantischen Oceaan. Langs deze rivieren
hebben de Mandingo nederzettingen gevormd.
In Midden-Afrika vindt men, als vertegenwoordigster dier talen,
het kanouri, dat in Bornou gesproken wordt.
De Berberen schijnen de afstammelingen te zijn van de oorspronkelijke
bevolking van Noord-Afrika. Zorgvuldig heeft men de betrekking
nagegaan, die er bestond tusschen het berbersch en het ouralische
dialekt. Eenigen hebben gemeend daaruit te mogen besluiten, dat Azië
het uitgangspunt van dit ras is geweest, aan hetwelk zij ook de groote
steenen gedenkteekenen toeschrijven, die in Europa en Afrika hunnen
tocht zouden hebben gekenmerkt.
Deze theorie schijnt nog niet genoeg door bewijzen gestaafd, om zonder
voorbehoud te kunnen worden aangenomen. Het kan niet twijfelachtig
zijn, of de invloed van het berbersch is zeer sterk geweest, en heeft
zich zeer lang doen gevoelen; in den ouden tijd was het toch algemeen
de gewoonte, dat de overwonnen volken in het bezit hunner eigene taal
en zeden werden gelaten; het is slechts aan de woeste geloofsleer der
Arabieren, die Afrika aan de noord- en oostzijde zijn binnengedrongen,
te wijten, dat er zulk eene vreeselijke verwarring ontstaan is, die
oorzaak is geweest dat de afrikaansche volken, na de verkondiging
van den Islam, andere woonplaatsen zijn gaan opzoeken.
De overlevering, die wij nog bij de Jolofs vinden, leert ons dat zij
van het oosten zijn gekomen en zich langs de rivier den Senegal hebben
gevestigd, wier linkeroever hun nu nog tot woonplaats strekt. Omtrent
het vermoedelijke tijdstip dezer verhuizing kan niets worden gemeld.
Kordofan, waar wij eene zwarte bevolking vinden, wier taal eenige
overeenkomst met die der Jolofs verraadt, zou wel het uitgangspunt
van dit ras geweest kunnen zijn. Ook de Gangaris, meer bekend onder
den naam van Sarrokolets of Soninkés, zijn uit het oosten gekomen;
in de vroegste oudheid stichtten zij ten noorden van Masina een
rijk, welks hoofdstad Oualata was. Tegenwoordig hebben zij hunne
onafhankelijkheid alleen behouden in het land Galam, ook Gangara
genaamd. Zij hebben een kaste van krijgslieden, de bakiris, en een
priesterkaste, de saybolis, die den grooten volksraad uitmaken.
De Mandingos of Malinkés verlieten in het begin der middeleeuwen
hunne woonplaatsen, vernietigden het rijk der Gangari, wierpen de
andere zwarte rassen naar het westen terug, en stichtten een rijk,
waarvan de aardrijkskundige Leo de Afrikaan melding maakt onder den
naam van Mali. De Malinkés zijn krijgslieden. De heerschende kaste
heet bij hen Courbari; zij vereeren de Kabiren.
Later zien wij de Bambarras, aan de Malinkés verwant, het rijk van
Mali vernietigen, en aan de oevers van den Jolibaa of Niger, twee
machtige rijken stichtten, waarvan het eene Djenné, het andere Sego
tot hoofdstad had; tot Kaarta en Kasson voerden zij hunne zegevierende
wapenen. Hun rijk is in den laatsten tijd vernietigd door den Foulah
Hadji-Omar, die zich ook van hunne hoofdstad Sego heeft meester
gemaakt. Een hevige strijd, waarvan de uitslag nog niet te voorzien
is, wordt tegenwoordig door zijnen zoon Hamdou gevoerd tegen de
verschillende elementen, die eenmaal dat rijk vormden.
Terwijl de Gangaris en de Bambarras van het oosten naar het westen
getrokken zijn, hebben de Gallas of Oromos, van het meer Tchad
komende, reeds in voorhistorische tijden, zich noordoostelijk
gewend en zich op Abessinië geworpen, dat zij voor een deel hebben
vermeesterd. De oostkust van Afrika is dikwijls de prooi geweest van
geduchte veroveraars, die men aldaar nog onder den naam van Wasimba
kent. Men meent dat deze nomaden tot het galla-ras behoorden.
De bewoners van het Nigerdal, even als de Foulahs en Jolofs, zijn
van het oosten naar het westen getrokken. Ook hier meent men dat
de uitbreiding van den Islam deze volken uit hunne oorspronkelijke
woonplaatsen heeft verdreven. Bij de Ashantis vindt men nog eenige
overleveringen, die er op schijnen te wijzen, dat zij betrekkingen
hebben gehad met het oude Egypte; hunne vestiging op de oostelijke
helling van het Kong-gebergte is eene gebeurtenis van betrekkelijk
jongen datum, die zeker niet vroeger dan de twaalfde eeuw heeft
plaats gegrepen.
Het zoo uitgestrekte net van rivieren dat Zuid-Afrika overdekt, maakt
er het verkeer veel gemakkelijker dan in het noordelijk deel. Evenwel
vinden wij geenerlei aanwijzing aangaande de verhuizingen van de
hier wonende horden; de reden hiervan ligt in de omstandigheid, dat
deze streken verschoond zijn gebleven van de bezoeken der Arabieren,
aan wie wij de weinige zekere berichten, die wij aangaande Soedan
bezitten, te danken hebben. De volkomen afzondering der Hottentotten,
die eene taal spreken met buigbare achtervoegsels, blijkbaar aan
de koptische taal verwant, is zeer moeilijk te verklaren. Op welk
tijdstip hebben zij Noord-Afrika verlaten? Hebben de Kaffers hen naar
het zuiden teruggedrongen? Ziedaar onoplosbare vragen.