Het ligt niet in mijn plan, iets over Marokko te zeggen; wij
verplaatsen dus den lezer op eenmaal midden in de Sahara. Men kent
de gesteldheid der Sahara en de zeden harer bewoners, deels uit de
verhalen van schipbreukelingen, die als gevangenen te midden der
stammen van de woestijn hebben geleefd, deels uit de reizen, die op
last der gouverneurs van Senegambië derwaarts zijn ondernomen. Wij
hebben getracht, het voornaamste uit die verhalen kortelijk samen
te vatten, en hier en daar onze persoonlijke bevindingen er in te
lasschen.
De kust der Sahara is gevormd door eene reeks van duinen en van
steile rotsen, die de oneffenheden van den bodem doen uitkomen;
zij heeft overigens weinig verheffing; het meer binnenwaarts gelegen
land is dikwijls uit zee zichtbaar en vertoont dan eene opeenvolging
van vlakten, waaraan de zeelieden den naam van tafellanden hebben
gegeven. Deze vlakten, zich slechts tot eene middelmatige hoogte
verheffende, dalen al meer en meer naarmate men zich van de zee
verwijdert, en vormen uitgestrekte laaglanden, wier oppervlakte
dikwerf lager ligt dan die der zee.
Men zou in eene groote dwaling vervallen, als men het woord woestijn
steeds in dien zin nam, welken de europeesche verbeelding daaraan
gewoon is te hechten. De zomerregens besproeien die deelen der Sahara,
die dichtst aan Senegambië grenzen; daarentegen worden in den winter
die deelen, die aan Marokko palen, op hunne beurt door den regen
mildelijk bevochtigd: en hieraan dankt de woestijn hare talrijke oasen,
waar een welige plantengroei heerscht. In Januari 1841 bezocht ik
Mogador. Onze consul, de heer Delaporte, had zijn vlag ingehaald ten
gevolge der mishandelingen waaraan een Algerijn had blootgestaan;
de engelsche consul, de heer Wildshire, nam derhalve de honneurs
te Mogador waar en leidde mij er rond. In zijn gezelschap drong ik
eenige mijlen ver in het binnenland door. Wij vonden er boomen, die
een olieachtig zaad opleverden, bijna geheel in vollen bladerdosch;
de inboorlingen, wier schoon geteekende koppen aan die der Apostelen
deden denken, boden ons melk in nappen aan.
De Sahara-stammen bekend onder den algemeenen naam van Mooren
(afgeleid van Mogreb, westen), behooren tot drie hoofdstammen:
Arabieren, Berberen en Tamasheks of Touaregs. De Berberen op hunne
beurt behooren tot den stam der Zenaga; de Arabieren tot dien van
Beni-Hassan. Waarschijnlijk omstreeks de helft der vijftiende eeuw
zijn de in Spanje overwonnen arabische stammen naar de woestijn
teruggedrongen, en hebben de Berberen aan zich onderworpen.
Berberen zoowel als Arabieren belijden den Islam. Het gebruik van
den Koran en de verplichting om de hoofden in het arabisch aan te
spreken, hebben de berbertaal in onbruik doen geraken, die evenwel
onuitwischbare sporen heeft nagelaten in de geographie der woestijn,
waar al de plaatsnamen nog berbersche wortels hebben.
De regeeringsvorm der Sahara-stammen is oligarchisch; de sheiks zijn
dikwerf tevens sherifs: dat wil zeggen, zij beweeren afstammelingen
van Mohammed te zijn. De opperhoofden worden steeds uit sommige,
bepaald aangewezen stammen genomen; andere stammen hebben het recht,
hen te kiezen. Elke groep van eenige stammen bezit eene volkomene
autonomie, en gaat de verbintenissen aan die zij voor haar belang
dienstig acht. Zelfs ziet men niet zelden, dat een misnoegde stam zich
aan het gezag van eenen anderen sheik onderwerpt. Elke groep bestaat
uit vorsten, edelen, marabouts of geleerden; uit schatplichtigen,
vrijgelatenen en slaven; de sherifs hebben nog slechts een godsdienstig
karakter behouden: na hunnen dood bedekt men hun graf met witte
steenen.
De zeden en de godsdienst eischen dat bij gewichtige gebeurtenissen
in het familieleven, zooals bij het huwelijk van de kinderen van den
heer of diens dood, de slaven worden vrijgelaten; de gewezen slaaf
wordt dan opgenomen onder de vrijgelatenen en gordt de wapenen aan;
bij krijgstochten rukt hij op aan het hoofd van den stam.
Het wantrouwen en de naijver der stammen onderling houdt eene
voortdurende vijandschap tusschen hen levendig; persoonlijke naijver,
bijzondere wraakoefeningen geven meermalen aanleiding tot moord onder
de aanzienlijke familiën. De onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied,
en de dweepzucht, die door de marabouts steeds onder de stammen
wordt aangewakkerd, maken het verkeer met de inboorlingen moeilijk;
de Europeaan die deze streken bezoekt, ziet zich blootgesteld aan
groote moeilijkheden en bijna zekere beleedigingen.
De Sahara-stammen worden in twee groepen verdeeld: de nomaden, en zij
die vaste woonplaatsen hebben. De laatsten behooren bijna uitsluitend
tot de klasse der marabouts. Niet zelden ziet men krijgslieden den
degen afgespen, en den rozenkrans ter hand nemen. Deze geestelijke
strijders dragen dan den naam van tyab. Over het algemeen voeren de
marabouts geen wapenen; dikwijls zijn zij dan ook blootgesteld aan
de plundertochten der woeste stammen; welke aanvallen echter door
eenige marabouts niet zelden met moed en volharding worden afgeweerd.
De nomaden trekken met hunne kudden de aan den stam behoorende
weilanden door; hunne slaven houden zich bezig met het verzamelen
van gom, die zij inruilen tegen de gierst, die, met de melkspijs,
het voornaamste voedsel dezer volken uitmaakt.
Hier en daar groeit in de woestijn een soort van wilde haver, sbat
genaamd, die een eetbaar zaad bevat. De marabouts en zij die vaste
woonplaatsen hebben in de steden of dorpen, bebouwen het veld,
en kweeken ook palmboomen aan, wier vruchten tot het zelfde doel
gebezigd worden als de voortbrengselen van hunnen oogst.
De Sahara levert voor den handel wol, struisvederen, gom en bergzout,
afkomstig uit de ziltige wateren der moerassen, die onder den naam van
sebkha bekend staan.--De meest bekende sebkha ligt ten noorden van
de Adrar en heet Isil. Het zout van Isil gaat naar Tichit; vandaar
vervoert men het naar Tombuktoe, en verder naar de binnenlanden
van Afrika.
De sheik Beyrouck, opperhoofd van Oued-Noun, behoort tot den
berberschen stam der Tonkessa, die, naar men zegt, het grootste
aantal kudden bezit. Ofschoon in werkelijkheid onafhankelijk van
Marokko, betaalt toch Oued-Noun, dat gelegen is op den weg, dien de
karavanen van Soedan volgen, een zwaar doorvoer- en tolgeld aan den
Keizer van Marokko. Sheik Beyrouck heeft zijn land van dezen last
willen bevrijden, door zich in betrekking met de fransche regeering
te stellen, aan welke hij den voorslag gedaan had, etablissementen op
zijne kusten te vestigen. Naar aanleiding daarvan, werden verscheidene
schepen uitgezonden om de zaak te onderzoeken. De officieren, aan
wier zorgen dit onderzoek was toevertrouwd, hebben de mondingen der
rivieren van Oued-Noun en Oued-Draa bezocht, waarop door den sheik
hunne aandacht was gevestigd. Zij bevonden dat deze rivieren niet
anders waren dan bergstroomen, die in den zomer uitdroogen; voorts
dat de kust geenerlei beschutting oplevert, en dat de branding er
zoo hoog gaat, dat zij eenen onoverkomelijken hinderpaal oplevert
voor de ontwikkeling van eenen geregelden zeehandel. Men moest dus
het aanbod van Beyrouck van de hand wijzen, die vruchteloos trachtte
zijne karavanen over land naar den Senegal te zenden. Schoon deze
proefneming tot geenerlei uitkomst heeft geleid, is het toch een
bewijs dat, wanneer eens de stammen, die tusschen Oued-Noun en onze
nederzettingen wonen, geheel onder onzen invloed zullen staan, men
handel zal kunnen drijven tusschen deze streek en den Senegal.
Het is van belang ter loops iets in het midden te brengen aangaande
de landstreken, die tusschen Marokko en den Senegal liggen: immers
nu reeds ondervinden zij den invloed onzer nabuurschap; en wellicht
is de tijd niet ver, dat zij, mede door onze tusschenkomst, voor den
invloed der beschaving zullen gewonnen worden.
Het land El-Gada, ten zuiden van Oued-Noun gelegen, ligt tegenover
Lancerota, een der Canarische eilanden. De Aroutin en Ouled-Tidarin,
die El-Gada bewonen, fokken veel schapen, hoornvee en paarden
aan. Ragg, een onvruchtbaar land, vol rotsen en steenen, ligt
ten oosten van kaap Bojador; op Ragg volgt Tiris: hier hebben de
Ouled-Seba en de Ouled-Tidarin zich op twee plaatsen gevestigd; hun
voornaamste rijkdom bestaat in de opbrengst hunner kudden; hunne wol
komt op de markten van Marokko en van het Senegal-gebied; de schoeners
der Canarische eilanden, die in den tijd der vischvangst deze kusten
der Sahara bezoeken, drijven met de stammen eenigen ruilhandel, welke
echter niet zeer belangrijk is. Tiris, ten oosten van kaap Barbas en
kaap Blanc gelegen, wordt door de Ouled-Delim bewoond. Deze stam, die
tot de Hassan behoort, is een der machtigste uit de geheele woestijn,
die hij in alle richtingen doortrekt, van de zee tot Assouad; de
Oued-Delim vorderen schatting van Oualata, eene der voornaamste
handelsplaatsen op den weg tusschen Marokko en Soedan.
Het land Agnatir, ten oosten van de Arguin-baai gelegen, wordt door
zandheuvels doorsneden. De voornaamste helling bevindt zich aan de
westzijde; de diepe ravijnen, welke deze van vijftien tot dertig el
hooge heuvels van elkander scheiden, kunnen door geen kameel worden
overgetrokken. Gedurende den regentijd zijn deze dalen met welig gras
bekleed; tot aan kaap Blanc is het land heuvelachtig; dikwerf bemerkt
men klei aan de oppervlakte; in Tiris bestaat de bodem uit graniet. In
het land Adrar verheft zich een bergketen, gevormd door heuvels van
vijf-en-dertig tot veertig meters hoogte, welke heuvelen bestaan uit
vlakke rotsen op horizontale steenlagen rustende. Het bergachtige
land Adrar ligt ongeveer zestig mijlen ten oosten van kaap Blanc
en wordt beheerscht door Ouïd-Aïda, sheik van de Yaya-ben-Othman;
ook de Kontah hebben er zich gevestigd: dit zijn marabouts, wier
invloed in de geheele Sahara merkbaar is; de sheik van Tombuktoe,
Ahmed el Bagkay behoort tot hen. El Hadji Omar, de zwarte profeet,
die aan den boven Senegal in den laatsten tijd zulk eene belangrijke
rol heeft gespeeld, werd door de Kontah, in vereeniging met de
Foulahs van Masina, bestreden; hij stierf tijdens de belegering van
Handou-Allah. Ten oosten van Adrar ligt Tagant, een lage landstreek,
alwaar de Kontah eveneens zich gevestigd hebben; de voornaamste steden
van Adrar en Tagant zijn: Shinguete, Atar, Ouadan; voorts worden nog
in Adrar de bouwvallen der oude portugeesche stad Delcadi aangetroffen.
De meeste bewoners van Adrar en Tagant zijn marabouts, dweepzieke
en jegens de Christenen zeer vijandig gezinde lieden, die al hunne
krachten inspannen om de sheiks van elke verbindtenis met Frankrijk
terug te houden. De stad Ouadan is nagenoeg verwoest in den oorlog
tusschen de Kontah en de bewoners van Tagant.
Ten noorden en ten oosten van de bergen van Adrar, die een natuurlijke
scheiding vormen tusschen de Sahara en het bekken van den Senegal,
vindt men weinig natuurlijke bronnen; men voorziet in de dringende
behoefte aan water door het graven van putten ter drenking van het vee,
en ter begieting der velden. Ten noorden en ten zuiden der Sahara treft
men uitgestrekte wouden aan. De argant-boom siert de hellingen der
valleien, die Oued-Noun van Marokko scheiden; hij draagt een vrucht,
wier kern eene olie oplevert, die, bij een goede behandeling, met
de olijfolie zou kunnen wedijveren. Baobabs, gomboomen en tamarinden
overdekken Tagant, dat zijn naam aan dien rijkdom van houtgewas dankt,
want dit berbersche woord beteekent woud.
Als men langs de kust der Sahara stevent, ziet men geheele scholen
van visschen van onder den voorsteven van het schip te voorschijn
schieten, die het zeewater doen opborrelen. Gedurende den nacht laten
deze waterbewoners in zee een lichtend spoor achter, dat iemand, die
met dit verschijnsel onbekend was, op het eerste gezicht geneigd zou
zijn voor de branding te houden. Veertig of vijftig schoeners der
Canarische eilanden houden zich met de vischvangst in die streken
bezig: een bedrijf dat groote winsten oplevert. Toen dit aan het
ministerie van Marine ter oore kwam, verlangde men een onderzoek
naar de opbrengst dezer visscherij; en zoo werd ik op een mijner
kruisvaarten belast, na te gaan of de fransche handel ook van deze
visscherij eenig voordeel zou kunnen trekken. Met dit doel begaf ik
mij, in 1843, aan boord der Malouine naar de Canarische eilanden; en
na mij aldaar gedurende korten tijd te hebben opgehouden, bereikte ik
in April kaap Bojador, waar de vischrijke streek begint. De opmerkingen
die hier volgen, zijn de vrucht van dit onderzoek.
Kaap Bojador springt weinig vooruit, en bestaat uit een groote
loodrechte rots, ter hoogte van honderd voet. Een groote kaap,
Penha-Grande of Morro del Ancla genoemd, is het hoogste punt der
woestijnkust; trapsgewijze daalt het land af met een helling van
45°. Deze ligging stelt ons in staat, de geologische gesteldheid van
de bergvlakte der Sahara te bestudeeren, en leert ons dat de zandsteen
er in volmaakt horizontale lagen voorkomt.
Van Penha-Grande tot kaap Mirick vindt men aan de kust verscheidene
baaien; de eerste voorbij de kaap draagt den naam van Rio de Ouro;
zij strekt dertig mijlen ver landwaarts in, en wordt door een lage
landtong van den oceaan gescheiden; ten noorden dezer baai verheft zich
een pyramidaalvormige rots, die als baken dient; bij de bewoners der
Canarische eilanden draagt zij den naam van Roque-Cabron. Hier vindt
men in de maanden Juni en Juli een overvloed van visch; slechts kleine
vaartuigen kunnen Roque-Cabron bereiken; schepen van eenigen diepgang
ankeren onder de beschutting der rotspunt Galera. Op den 17 April 1843
wierp ik het anker in Rio de Ouro uit, en had gelegenheid de hevigheid
der daar heerschende stroomen op te merken. De ankerplaatsen in de
open baaien tusschen kaap Galera en kaap Blanc, worden slechts nu en
dan door visschers bezocht, die gebruik maken van de beschutting in
de nabijheid der kapen, en daar aan land gaan om zich met de Mooren
in betrekking te stellen.
Op eenen afstand van dertig mijlen, ziet men uit zee de indrukwekkende
rotsmassa van kaap Blanc. Deze kaap beheerscht eene zeer ruime baai,
die in de jaren 1818 en 1819 werd bezocht en opgenomen door het
adviesjacht de Lévrier, onder bevel van den admiraal Roussin.
Het is altijd een waagstuk, de kusten der woestijn te bezoeken, zonder
vooraf eenige overeenkomst te hebben aangegaan met de inboorlingen,
of zich van gidsen te hebben voorzien. Dikwijls verschijnen de Mooren
op het onverwachtst op een plaats, waar niets hunne tegenwoordigheid
verraadt; in zoodanig geval nemen zij altijd eene vijandige houding
tegenover de reizigers aan. Ik heb er de ondervinding van opgedaan
in April 1843. Mijn Spaansche loods, die goed op de hoogte was van de
zeden en de taal der Mooren, deed een verkenningstocht aan het hoofd
van vijf-en-twintig fuseliers. Ik zond mijne kleine vaartuigen uit
om te visschen, hetgeen men den volgenden morgen deed, slechts door
vijf fuseliers geëscorteerd. Ten tien uren verschenen onverwachts
de Mooren; het escorte trok terug op de vaartuigjes, en er werden
geweerschoten gewisseld totdat zij weder op de duinen waren. Een der
laptots (zwarte matrozen, die gebruikt worden om de bemanning aan
te vullen op de oorlogschepen aan de westkust van Afrika) Joseph,
van Bissao geboortig, toonde een koelbloedigheid en een moed, die
verdienen aan de vergetelheid ontrukt te worden. Hij zag dat men op den
commissaris mikte, stond op, vormde een borstwering voor hem met zijn
eigen lichaam, en kreeg een kogel midden in zijn voorhoofd. Ik liet
aan Joseph de militaire eer bewijzen, waarop hij door zijn heldenmoed
volkomen aanspraak had. Dergelijke bewijzen van moed vindt men meer
onder de matrozen van den Senegal.
Een uitgestrekte bank, bekend onder den naam van bank van Arguin,
die door de schipbreuk van de Medusa eene treurige vermaardheid
heeft gekregen, begrenst aan de zeezijde eene zeer groote baai,
gelegen tusschen kaap Blanc en kaap Mirick; deze bank is doorsneden
van geulen, die de gemeenschap van kaap Blanc met de westkust mogelijk
maken. Deze geulen volgende, bereikt men Arguin en de St. Jansrivier.
In 1461 heb ben de Portugeezen op het eiland Arguin een fort gesticht,
dat achtereenvolgens door de Hollanders en Franschen is veroverd. De
plaats waar eens het fort stond, is tegenwoordig slechts nog kenbaar
uit eenige regenputten.
Rondom Arguin liggen de zandige Tidra-eilanden, bewoond door eenige
tot de Ouled-Boudha en Mzaga behoorende familiën. De inboorlingen
houden zich, in eenige lompe vaartuigen, met de vischvangst bezig,
die groote voordeelen oplevert, aangezien de meer in het binnenland
wonende stammen zeer gesteld zijn op gezouten visch. De Ouled-Boudha
behooren tot de Ouled-Delim; de Mzaga zijn Trarza; de eersten zouden
het met leede oogen aanzien, indien Frankrijk pogingen aanwendde
om zich wederom meester te maken van Arguin; de Mzaga daarentegen
onderdrukken den wensch niet, dat zij gaarne de fransche vlag weder
op dat eiland zouden zien wapperen.
De St. Jans-rivier is eene baai ten noorden van kaap Mirick; sporen in
den zandigen bodem toonen dat daar in den regentijd een stroom wordt
gevonden, die echter in het droge jaargetijde weder verdwijnt. De
kust, van kaap Mirick tot aan den Senegal, vertoont niets dan eene
aaneenschakeling van gele zandduinen; het zijn alleen de sterrekundige
waarnemingen, die hier den zeeman te hulp kunnen komen om te weten,
waar hij zich eigenlijk bevindt.
Deze geheele kust is omzoomd door zeer gevaarlijke riffen, waar de zee
met vreeselijke kracht tegen aan slaat. Gedurende de wintermaanden
kan men slechts aan land komen door middel van prauwen, bemand met
lieden, die goed bekend zijn met de banken en ondiepten.
Het onderzoek, dat ik aan de kust der woestijn heb ingesteld, heeft
mij doen zien dat Frankrijk waarlijk niet naijverig behoeft te zijn
op de bewoners der Canarische eilanden, die zich met de vischvangst
aldaar bezig houden; want vooreerst is de visch daar niet zoo talrijk
als men aanvankelijk dacht, en ten andere duikt hij, in den winter,
diep onder water, waar hij zich ophoudt op banken, die dertig mijlen
van de kust zijn verwijderd. Des zomers alleen komen de visschen
in de baaien om kuit te schieten, alwaar men dan den zegen kan
uitwerpen. Hetzij die visch gevangen wordt met den zegen of met den
hengel, de bewoners der Canarische eilanden stellen zich tevreden
met het ingewand er uit te halen, en hem in hunne schuit te werpen,
na hem te hebben ingezouten. De meest gewone soorten worden door de
zeelieden sama, bosi-negro, brecka en poulvina genoemd; deze soorten
vindt men langs de geheele kust van Senegambië; aan de kusten der
woestijn, waar een droger lucht heerscht dan aan den Senegal, kan
men hen met beter gevolg inzouten. De visch die niet op de plaats
zelve wordt gegeten, wordt door de bewoners van Senegambië gedroogd
en gerookt, en vervolgens naar het binnenland vervoerd.
De karavanen van Soedan volgen den zeeoever van Marokko tot aan
Adrar, dat zij vervolgens doortrekken even als Tagant; van daar
begeven zij zich over Tichit en Oualata naar Tombuktoe, waar zij
hunne waren verruilen tegen de voorwerpen, die uit het binnenland
komen. Arguin ligt twee-honderd-en-tachtig mijlen van Tombuktoe; de
karavanen moeten vierhonderd mijlen afleggen om het meest nabijzijnde
punt van Marokko te bereiken; een groot voordeel zou het hun dus zijn,
zoo zij slechts tot Arguin behoefden te gaan.