Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in
Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken
zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen,
bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd
tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen
den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de
Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan
woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee
gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande
op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot
denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren
ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart
en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur
moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs
dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met
andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam
vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt
opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun
hals is buigzaam en sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden
zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij
zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten,
die het geheel ontsieren.
De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet
tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als
men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men
hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische
rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs
is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker
zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren;
hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd,
een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl
de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.
Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die
in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte
langs de kust van Malabar wonen.
De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen,
zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door
hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw
en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.
In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen
de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote
verscheidenheid van volkeren met een, over het algemeen genomen,
grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.
Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat
bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met
de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op
grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en
Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal
met buigbare achtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal
onverbuigbare voorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is
echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer
grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen,
die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.
Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam
die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types
verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.
De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunne koperkleurige huid
heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij
deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika
bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de
Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere
kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende
de Macololis steeds op het eerste gezicht.
Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid,
dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de
Hottentotten. Men vindt hen van den 28en tot den 33en graad. Hun
plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien
weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een
bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande
onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde
rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen,
die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten
zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de
Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het
hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn,
maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht
een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.
De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda,
en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft,
niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van
eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene
bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men
hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort,
hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en
dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;--dan
zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er
tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De
slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit
voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine,
naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul
de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan
de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar
beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men
de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner;
te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle
opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de
volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die
de moerassen van Assinië en Groot-Bassam bewonen, hebben een schoon
gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene
en majestueuze gestalte. De Kroumanen, die wij als wij verder gaan
aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische,
echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten,
armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd:
hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules,
den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht
zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met
de gouden appelen der Hesperiden in de hand.
Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten
als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op
honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een
onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen
en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die
reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft
voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee
lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door
de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de
keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke
hoeken snijden;--dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die
in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons
in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende
kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen
wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de
Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even
als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner
kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene
zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de
gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook
maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt
de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan
Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan
de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de
voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig,
de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het
tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de
kleur steeds donkerder naarmate men zich van het zeestrand en van den
equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas
aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en
dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen
de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel
en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate
men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren
in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de
Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten,
die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van
den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan
zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken
gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met
den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den
opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten;
bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de
kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.
Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur
der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der
zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de
wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag
te doen.
De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der
lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van
wortels leven, de Kroumanen en de Nagos, die physiek meer ontwikkeld
zijn dan de herdersvolken. De ligging der woonplaats, hetzij wat de
hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen,
schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.
Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten
heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen
veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en
de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen,
dan de invloed van klimaat of voeding.
Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel
meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden;
de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de
physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit,
dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een
albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw
plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris
is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren,
evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het
roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt;
terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene
zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben
kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en
negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt
zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel,
dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans
minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.
Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder
doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel
anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk
van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn
donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met
hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den
vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling
schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt
dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche
afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate
bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding
van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met
het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.