IV.

Eenige ethnographische opmerkingen vooraf. De volken en stammen, die in

Afrika bezuiden den zestienden graad noorderbreedte wonen, kenmerken

zich door een zwarte huid en wollig, kroesig haar; de stammen,

bij welke de negertype het volkomenst ontwikkeld is, zijn gevestigd

tusschen den zestienden en den zesden graad noorderbreedte, en tusschen

den twaalfden en acht-en-twintigsten graad zuiderbreedte. Tusschen de

Jolofs, een volksstam die aan de oevers van den Atlantischen oceaan

woont, en tusschen de Somalies, aan de oevers der Indische zee

gevestigd, is de gelijkenis zoo treffend, dat men, enkel afgaande

op hun physisch karakter, bijna zou gelooven, dat zij beiden tot

denzelfden ethiopischen stam behooren. Beide deze stammen leveren

ons de schoonste typen der afrikaansche rassen; hun huid is gitzwart

en glanzig, een bewijs dat de onderhuid van een zeer fijne structuur

moet zijn; hun schoone lichaamsbouw is volkomen evenredig, zoo zelfs

dat hunne bijzonder lange, slanke gestalte alleen bij vergelijking met

andere menschenrassen in het oog valt; hun hoofd is, bij hun lichaam

vergeleken, klein: een kenmerk dat bij sommige stammen minder wordt

opgemerkt doordat zij hun kroesig haar ongehinderd laten groeien; hun

hals is buigzaam en sluit volkomen aan de schouders; heupen en lenden

zijn schoon gevormd, hunne gansche gestalte krachtig en bevallig. Zij

zou onberispelijk zijn, zonder de magere beenen en de platte voeten,

die het geheel ontsieren.

De Foelahs, die dezelfde landstreek bewonen als de Jolofs, kunnen niet

tot de eigenlijke ethiopische of neger-stammen gerekend worden. Als

men slechts let op hunne gelaatstrekken en hun lichaamsbouw, zou men

hen, ondanks hun wollig haar, nog eer onder de hindoe- en semitische

rassen rangschikken, dan onder de afrikaansche. De kleur der Foulahs

is ook niet dezelfde: zij wisselt tusschen bronskleurig en zeer donker

zwart; zij zelven intusschen rekenen zich tot de blanken te behooren;

hunne gestalte is middelmatig; zij hebben een hoog en breed voorhoofd,

een arendsneus, een grooten mond, vooruitstekende snijtanden; terwijl

de vorm hunner ledematen doorgaans onberispelijk is.

Wellicht behooren de Foulahs ook tot die gele menschenrassen, die

in de hooglanden van Abessinië en Madagascar, en op het Ghâtgebergte

langs de kust van Malabar wonen.

De Bambarras, de Sarrakolets, die nevens de Jolofs en de Foelahs wonen,

zijn over het algemeen zeer zwart; de Bambarras onderscheiden zich door

hooge schouders, eenen korteren hals, een meer stevigen lichaamsbouw

en een sterker beendergestel dan de andere ethiopische rassen.

In Soedan, op het uitgestrekte hoogland van Centraal-Afrika, tusschen

de oostelijke en westelijke stammen in, vinden wij een groote

verscheidenheid van volkeren met een, over het algemeen genomen,

grootendeels zwarte of althans zwartachtige huid.

Aan de oostkust van Afrika wonen de Gallas: een volk, dat wat

bouw en voorkomen betreft, eene groote overeenkomst heeft met

de Foelahs. Wat bouw en voorkomen betreft, zeiden wij: want op

grammatikaal linguistisch gebied loopen de volken der Oost- en

Westkust zeer verre uiteen. De Somalis en Gallas spreken een taal

met buigbare achtervoegels; bij de Joloffen en Foelahs heeft de taal

onverbuigbare voorvoegsels. De kennis van de talen dezer volken is

echter nog een grootendeels onbearbeid veld; wellicht zal eene meer

grondige studie daarvan eene overeenkomst aan het licht doen komen,

die de grammatikale vormen op dit oogenblik nog niet doen vermoeden.

Voorts treffen wij op de oostkust nog de Soehelis aan: een volksstam

die zich uitstrekt van Zanzibar tot Kafferland, en wier types

verscheidenheden aanbieden van zwart tot bronskleurig.

De Kaffers zelven zijn schoon en stoutmoedig; hunne koperkleurige huid

heeft veelal eenen schitterenden weerglans. Volksverhuizingen zijn bij

deze stammen zeer gewoon. De volkeren, die de dalen van Zuid-Afrika

bewonen, zooals de Balothas, zijn donkerzwart van kleur. Raken de

Kaffers in deze streken verdwaald, dan steken zij door hun heldere

kleur scherp af bij de eigenlijke inboorlingen. Livingstone herkende

de Macololis steeds op het eerste gezicht.

Verlaat men de Kaffers, dan komt men bij een volk met donkere huid,

dat gevestigd is op het zuidelijkste grondgebied van Afrika: de

Hottentotten. Men vindt hen van den 28en tot den 33en graad. Hun

plompe bouw, hun dikke, doffe huid, waarop het licht niet dien

weerschijn toovert, die vaak het lichaam der zwarte rassen op een

bronzen beeld doet gelijken: dit alles en bovenal hun verregaande

onzindelijkheid onderscheidt hen van de andere donker gekleurde

rassen. Op de Hottentotten volgen tal van stammen: de Boschjesmannen,

die een taal spreken met achtervoegsels, even als de Hottentotten

zelven, en een lichtere kleur hebben; de Cimbebas, die ons aan de

Kaffers doen denken. Als men kaap Negro omzeilt, komt men aan het

hoogland van Benguela, waar de menschen donker bruin van kleur zijn,

maar even als de Hottentotten een dikke, doffe huid hebben: wellicht

een gevolg van het koude klimaat hunner bergen.

De volken, die de portugeesche provinciën Benguela, St. Paul de Loanda,

en Congo bewonen, kunnen, wat schoonheid van lichaamsbouw betreft,

niet worden vergeleken met de Jolofs en de Kaffers: zij zijn van

eene middelmatige gestalte, en hun huid is geel en dof, terwijl eene

bovenmatige zwaarlijvigheid beide mannen en vrouwen ontsiert. Voegt men

hierbij dat hun hoofd rond in plaats van langwerpig, hun hals kort,

hunne schouders plomp zijn; dat hunne lippen naar beneden hangen, en

dat de geur dien zij van zich verspreiden verre van aangenaam is;--dan

zal men zich een denkbeeld kunnen vormen van het onderscheid dat er

tusschen hen en de zooeven beschreven Jolofs en Kaffers bestaat. De

slaven van dit ras werden steeds tot veldarbeid gebruikt, doch nooit

voor huiselijke diensten. Hierop volgen rassen met een kastanjebruine,

naar rood zweemende huid; zij bewonen de streken tusschen St. Paul

de Loanda en den Niger. De stammen van de kust van Gabon tot aan

de Nigermonding hebben een sierlijker gestalte en een minder zwaar

beendergestel dan de volken, die de bonda-taal spreken. Naarmate men

de kust van Guinea hooger op volgt, wordt de type allengs schooner;

te Lagos in Nago, vindt men een volk van athleten, die in alle

opzichten schoon zijn te noemen. Op de Goudkust onderscheiden de

volken zich door zwaarlijvigheid; de Ashantynen en de stammen, die

de moerassen van Assinië en Groot-Bassam bewonen, hebben een schoon

gevormd hoofd, een arendsneus, een zwaren baard en een verhevene

en majestueuze gestalte. De Kroumanen, die wij als wij verder gaan

aantreffen, hebben een huid zoo zwart als ebbenhout en athletische,

echter niet plompe vormen, benevens fraai gevormde beenen en voeten,

armen en handen. Even als alle zwarten, hebben zij een klein hoofd:

hetgeen hun eenige gelijkenis geeft met het bekende beeld van Herkules,

den farnesischen Herkules genaamd, dat ons den halfgod in al de kracht

zijner athletische gestalte voorstelt, leunende op zijn knods en met

de gouden appelen der Hesperiden in de hand.

Afrika vertoont zich als een uitgestrekt plateau, aan alle kanten

als door een gordel van hooge bergen omgeven, die zich tot op

honderd mijlen van de kust uitstrekken en met hunne armen een

onmetelijke vallei omvatten: eene vallei, die, bij de keerkringen

en den evennachtslijn, wordt doorsneden door groote bergketenen, die

reusachtige vijfhoeken vormen. Juist deze natuurlijke gesteldheid geeft

voor Afrika een verdeeling in groote gordels of zonen aan. Als men twee

lijnen trekt over de bergketenen aan de beide kusten, en een derde door

de groote centrale vallei; en tevens eenige andere dwarslijnen naar de

keerkringen en den equator, die de eerste lijnen onder veranderlijke

hoeken snijden;--dan verkrijgt men een reeks van vierhoeken, die

in verhouding staan tot de meridianen en den equator, en die ons

in staat stellen een vaste plaats te vinden voor de verschillende

kleurschakeeringen in Afrika. Verschillend gekleurde volkergroepen

wonen op dit groote vasteland nevens elkander. In het westen leven de

Jolofs, de Bambarras en de Sarakolets, die zwart zijn gekleurd, even

als de Foelahs die een gele huidkleur hebben en van de melk hunner

kudden leven, welke melk zij vermengen met gierst of maïs. Aan gene

zijde van de rivier de Kajamanja, neemt de rijst de plaats in van de

gierst; ten zuiden van Sierra-Leona wordt, nevens rijst en maïs, ook

maniokwortel en bananen gebruikt. In het noordelijk halfrond wordt

de huidkleur al donkerder, naarmate men den oceaan nadert. Tot aan

Benguëla toe gebruikt men hetzelfde voedsel; en van Benguëla tot aan

de Kaap de Goede Hoop komen, bij de melk en het vleesch der kudden, de

voortbrengselen van den landbouw; de eerste stammen zijn geelachtig,

de andere gitzwart. In het zuidelijk halfrond geschiedt juist het

tegendeel van hetgeen in het noordelijke plaats grijpt: hier wordt de

kleur steeds donkerder naarmate men zich van het zeestrand en van den

equator verwijdert. Op de oostkust treft men de Somalis en de Gallas

aan: volken die leven van de opbrengst hunner kudden en van rijst en

dourah; de eersten zijn zwart, de anderen helder gekleurd. Verder komen

de Soehelis, die donkerzwart zijn; zij voeden zich met maniokwortel

en bananen. Op de oostkust wordt de huidkleur weer donkerder naarmate

men den Oceaan nadert. In het zuiden komt weer gierst, maïs en koren

in de plaats van de wortels en de bananen; in deze streken wonen de

Kaffers met hunne roodachtige koperkleur, en de gitzwarte Hottentotten,

die hetzelfde voedsel nuttigen. De volken, die aan de beide zijden van

den Kreeft- en Steenbokskeerkring wonen, hebben een zwarter kleur dan

zij die onder den evenaar wonen; men kan dus de afrikaansche volken

gemakkelijk in drie groote groepen verdeelen, overeenkomende met

den evennachtslijn en de twee keerkringen: de eersten leven van den

opbrengst hunner kudden, en de door hen aangekweekte veldvruchten;

bij de anderen, die bijna uitsluitend van moeskruiden leven, zijn de

kudden zeldzaam, doch is het menscheneten eene zeer gewone zaak.

Het bovenstaande levert het duidelijke bewijs, dat de donkere huidkleur

der Afrikanen niet enkel een gevolg is van de werking der hitte of der

zonnestralen, maar dat wij hier een feit voor ons hebben, waarvan de

wetenschap, op hare tegenwoordige hoogte, nog geen verklaring vermag

te doen.

De voeding schijnt een zekere rol te spelen in het proces der

lichamelijke ontwikkeling: en toch vinden wij onder de volken die van

wortels leven, de Kroumanen en de Nagos, die physiek meer ontwikkeld

zijn dan de herdersvolken. De ligging der woonplaats, hetzij wat de

hoogte betreft, hetzij op de oostelijke of westelijke berghellingen,

schijnt weinig invloed op de kleur te hebben.

Nu het onderzoek tot dus ver nog slechts zulke onzekere uitkomsten

heeft opgeleverd, dient men de oorzaken, die de kleur der huid doen

veranderen elders zoeken: en ons schijnt het toe dat het albinisme en

de kruising der rassen beter het probleem der huidverkleuring oplossen,

dan de invloed van klimaat of voeding.

Voorbeelden van albinisme vindt men in Afrika in grooten getale; en wel

meer nog in de streken onder den equator, dan in de keerkringslanden;

de albinos worden geboren uit geheel zwarte ouders, zonder dat de

physiologie eenige rekenschap heeft kunnen geven omtrent dit feit,

dat nog te merkwaardiger wordt als men in het oog houdt, dat bij een

albino in Afrika geene verandering van gelaatstrekken of lichaamsbouw

plaats vindt; alleen wordt de kleur van het oog veranderd: de iris

is veeltijds blauw bij de albinos; in dat geval zijn ook hunne haren,

evenals de wenkbrauwen en ooghaartjes, blond, met een zweem naar het

roode. Bij enkelen is de huid zeer dik en schier met schubben bedekt;

terwijl die bij anderen zoo fijn en doorzichtig is als bij ons. Eene

zuster van den koning van Bonni zoude voor eene europeesche dame hebben

kunnen doorgaan. Kinderen, gesproten uit huwelijken van albinos en

negerinnen, hebben over het algemeen een helderen tint; het ras schijnt

zich voort te planten. Dit feit verklaart wellicht het verschijnsel,

dat men bij de Afrikanen, die onder den equator wonen en doorgaans

minder zwart van kleur dan de anderen zijn, de meeste albinos aantreft.

Afstammelingen van Europeërs en negerinnen hebben van hunne moeder

doorgaans den lichaamsvorm, doch van hunnen vader de huidkleur. Geheel

anders is het gelegen met kinderen, die gesproten zijn uit een huwelijk

van een Arabier of Berber met eene zwarte vrouw; deze mestiezen zijn

donkerder van kleur dan de kinderen van een europeeschen vader. Met

hoofd en de geheele lichaamsbouw herinneren bij hen meer aan den

vader dan aan de moeder. Huwelijken van deze mestiezen onderling

schijnen een afzonderlijk ras te vormen; terwijl men heeft opgemerkt

dat afstammelingen uit huwelijken van mestiezen van europeesche

afkomst de lichaamsgebreken hunner beide ouders in nog grootere mate

bezitten. Het schijnt noodzakelijk te wezen voor de instandhouding

van het ras, dat er na eenige geslachten weder eene verbindtenis met

het een of andere oorspronkelijke ras plaats vinde.

Langs de kust van Afrika De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 5 / 15 题