Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te
werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te
ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als 't ware
voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem
in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de
aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen
kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen
rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen
en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en
werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat
Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe
voelde Fonske wel, dat er op kunstgebied nog hoogere ambities waren;
doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit
gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en
was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.
Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en
manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers
aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand
die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers,
evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef
gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer 't besef
van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms
geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als
hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens
naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij
zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te
nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet
liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist
onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan
wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was 't keurig door hem
ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en
luchtig atelier in 't noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij
heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd
hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een
soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen
stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een
zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het
tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in
harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:
"Villa du Moulin".
Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn,
omdat hij 't niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre,
dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor
maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw
van 't kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in
bewaring hield.
In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd
hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die
vonden er zelfs hoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen
telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars
die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven,
trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul
genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie
zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. 't Was iets waarvan
't eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met
deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof 't voor eeuwig
was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij
elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken
bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden
haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure
kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel,
feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.
Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse,
was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding
van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom
ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van
Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zou
een ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen,
of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden
en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in
hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan
dom heeten als hij 't nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.
Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske's zinnen, wekte
geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine
eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd
duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te
beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat
zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees,
ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te
eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem 't voorbeeld gaven. Maar hij
lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan
vroeger notitie van Lisatje, en 't aardig kind, dat lang onder zijn
onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn,
blijde dagen te gemoet.