XX.

Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te

werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te

ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als 't ware

voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem

in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de

aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen

kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen

rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen

en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en

werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat

Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe

voelde Fonske wel, dat er op kunstgebied nog hoogere ambities waren;

doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit

gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en

was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.

Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en

manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers

aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand

die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers,

evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef

gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer 't besef

van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms

geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als

hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens

naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij

zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te

nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet

liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist

onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan

wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was 't keurig door hem

ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en

luchtig atelier in 't noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij

heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd

hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een

soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen

stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een

zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het

tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in

harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:

"Villa du Moulin".

Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn,

omdat hij 't niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre,

dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor

maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw

van 't kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in

bewaring hield.

In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd

hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die

vonden er zelfs hoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen

telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars

die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven,

trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul

genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie

zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. 't Was iets waarvan

't eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met

deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof 't voor eeuwig

was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij

elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken

bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden

haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure

kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel,

feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.

Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse,

was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding

van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom

ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van

Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zou

een ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen,

of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden

en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in

hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan

dom heeten als hij 't nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.

Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske's zinnen, wekte

geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine

eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd

duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te

beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat

zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees,

ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te

eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem 't voorbeeld gaven. Maar hij

lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan

vroeger notitie van Lisatje, en 't aardig kind, dat lang onder zijn

onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn,

blijde dagen te gemoet.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 25 / 28 题