XIX.

Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit

zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als 't ware

vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw

of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig;

hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud

en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een

gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij

besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een

brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn

beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden.

Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief

in die taal te schrijven. Dat stelde hem alweer op meer gelijken

voet met haar; hij ging maar dadelijk aan 't werk, en toen hij er,

na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag

lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten

uit te halen.

De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het

een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in 't Fransch wilde

schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun

nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit

gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had

zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten

slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond

de fouten uit het epistel, die talrijk waren.

Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig

over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen

leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij

invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar

het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee

te zenden, maar toen voelde hij als 't ware iets vernederends voor

zichzelf in die opdracht. Beter ging het door den veldwachter. Zoo

had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij

de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens,

vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen

Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar "dreupelkes" te drinken.

Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige

ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep,

zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van 't kasteel,

buigend onder 't lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep

hem na, ontving den brief uit zijn handen.

Reeds het adres was een emotie:

Monsieur Alphonse Vermaere

artiste-peintre

Meulegem.

Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open.

Monsieur,

Quelle agréable et double surprise vous me faites en m'envoyant

une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet

de neige! J'ignorais totalement que vous connussiez le français

et surtout que vous l'écriviez si bien. Je vous en fais mon

compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu'il

ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand

artiste. L'oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je

suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.

A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour

le printemps prochain. J'en ai dejà parlé à mes parents,

qui sont d'accord avec moi. En attendant, continuez à bien

travailler et à faire des progrès dans votre art.

Veuillez croire à l'assurance de mes sentiments distingués.

Cesse E. d'Assonville.

Fons vouwde 't briefje dicht en stopte 't in zijn zak. Hij zag heel

bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen,

maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes,

in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken.

--Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder.

--O, joa z' zilde, antwoordde Fonske verstrooid, en voegde er bij,

dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest.

In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg

en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout

verschuilen.

Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak.

Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den

linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar

streek hij even met zijn vingers overheen en voelde 't hard relief

der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor

woord, weer over.

"Connussiez"; die verbuiging kende hij niet, maar 't leek hem heel

knap en heel mooi en hij begreep toch. "Constater" begreep hij niet,

heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar 't deed

er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en

trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde

en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: "A mon tour je

vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain".

Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem

in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haar ouders

reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook

van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag

zij de mogelijkheid in, met hem... och, 't was onzinnig, en toch,

welke verrassing--een verrassing die hem zou gelukkig maken--kon het

anders wel wezen?.... Het suisde in hem en 't nevelde vóór zijn oogen:

hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen

en zijn blik werd vochtig.

Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat

te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van

struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij

het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der

weilanden, waarop de koeien graasden, en achter 't zilver-kronkellint

van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen

van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat

baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo

groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig

veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En

die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hem gegeven

werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie,

maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een

tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets

meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van

al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde.

Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen,

hadden dezen maar één roep:

--Ça y est! Ze wil mee ou treiwen!

Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de

gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente

bewaarde.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 24 / 28 题