Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden
alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte
kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en 't was alsof
hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende
bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen
doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op
't molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en
plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en
schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom
de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een
reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in 't rond
gestrooid. De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde,
ging 's avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige
oranje glorie, en toen kwam 't maantje kijken, een beetje blikkerig-kil
in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het
gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de
heilige stilte.
En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de
nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als 't ware de blijde
komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór
het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit
hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun
wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats
terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun
vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na
de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest
vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in
't malsche groen aan 't grazen ging.
En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families,
zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en
't gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachte en toch
telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen,
't uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar,
waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het
jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk
een andere toon in de gemeenschap; 't was of een stille sluier
alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop
geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn
gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners,
waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed:
"Dat is de gang van Meulegem."
En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed,
onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende
drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners.
Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen
zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde
niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd
had, vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,--wat
was ze mooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in 't vol
bewustzijn van haar rijke schoonheid!--hij had haar diep gegroet en
ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was
alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met 't zelfde heen
en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te
wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht
verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel
wilde komen.
Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur
trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem
hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste
kleeren wilde uitleggen.
Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij
toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan.
Om half drie trok hij 't weiland in. Hij had een hoog boord, een
bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan;
hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine
handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had
hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te
rijden op het heel mooi rijwiel, dat hij zich onlangs had aangeschaft;
maar na overweging vond hij het te voet toch passender.
De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen,
staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken.
--'t Es Fons, hij goa noar 't kastiel, fluisterden zij met een soort
eerbied.
Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al
die jaren!
Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid
een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in.
Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier
te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een
bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede
grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in.
Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te
beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op 't vlakke lag, kalmeerde dat
eenigszins. 't Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en
de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed
hij over de brug en 't pleintje dat er achter lag, klom op de stoep
en belde aan.
Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in
de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en
verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween
langs den breeden trap met zachten looper.
Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes,
hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in
een hoek. 't Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam
in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de
gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en
Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan
den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop 't kasteel
van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant
een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch
eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur.
Binnen in 't kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de
gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons
hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar
gebeurde heel héél verre van hem af lag. 't Scheen wel of wat daar
leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging
eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij
gesmoord gestommel en gegichel hoorde.
Hij rees op en keek naar boven.
Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper
afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en
vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond
hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te
gemoet traden.
Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. 't Was
hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof
zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte,
hij schrikte geweldig en voelde 't in zijn binnenste ijskil worden,
toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw
Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar
vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend:
--Dag menier Alfons. Hoe goat 't mee u?
--Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en
hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen,
donkeren, sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander
aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte.
De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en 't was de eerste,
die met eenige inspanning begon:
--Menier Alfons,....
Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en
vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed
haar wangen kleuren. 't Was week en teeder als de liefdesglimlach van
een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met
oogen, die als 't ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort,
zwak lachje van haar mooie lippen gleed.
--Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend,
of da ge 't gij nu weet of morgen, dat es 't zelfde: meneer Gaëtan
en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op 't kasteel
inweunen. We willen onz' appartementen deur u loaten decoreeren en dàt
es de surprise, woar da 'k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e
gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien?
Fons wist zich bijna goed te houden. Even duizelde 't zóó overweldigend
vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar
't oogenblik daarna werd hij als 't ware wakker en zag ze schemerig
vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach,
hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem
starend, op zijn antwoord wachtend.
--Dat 'n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met
iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding.
En Fonske had den moed te antwoorden:
--Nien ik, mejonkvreiwe, dàt 'n he 'k zeker nie gepeisd. Proficiat,
mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan.
--Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de
trap omgekeerd:
--Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons?
--Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden
volgend.
--Il a l'air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer
Gaëtan onder het trappen-klimmen.
--Tais-toi, fluisterde zij, kleurend, il comprend le français.
Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn
aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om
te gissen waarover ze 't hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten;
kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende
hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer:
hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit.
De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek,
dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en
kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand
onder 't plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles
zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij
wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur
het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en
het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand,
juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de
rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders
tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken?
Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men
hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er
ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouw antwoordde
dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel
koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep,
glimlachte zij.
Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij
merkten 't niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat
meneer Gaëtan's werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan
verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire.
--Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik
'n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn
koamer wordt in 't iekenheit gesteken en ik zoe geern 'n beetsen
donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien
veur mij. Zoe-de gij keunen 'n wilde-zwijnenjacht schilderen?
--'K peis 't toch wel, menier Gaëtan.
--En nen automobiel?
--Euk wel, menier Gaëtan.
--Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça? vroeg zij,
zacht-afkeurend.
--Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j'aime, antwoordde hij,
even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen
hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, op den toon waarmee hij
een schotel in een restaurant zou bestellen:
--Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur 'n wildezwijnenjacht
ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine
beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan
de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van 't
kastiel oprijen. Hedde 't goe verstoan?
--Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos.
Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs
onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in
't vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking
als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en 't was ten
slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg:
--Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près
zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten?
Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte
op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen,
dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde
en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op een toon, die hem even
in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden:
--O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij
gedoan dat 't alles goed es 't gien da ge mij wil geven, en al gaaft
ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat 't eug nog goed zoe zijn.
--Vois-tu bien! zei 't meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek
Fonske minzaam, met een soort verteedering aan.
Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde
hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende
ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als
mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon
hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer
niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden
waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te
gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd
geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich
alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun
laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem
óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht
gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden en smachtend verlangen;
zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de
verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en
dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden;
zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend
dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht
beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande
naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat
hij gaan kon.
Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar
in een naren droom. De zon daalde naar 't westen in oranje glorie
en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over 't
gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes,
die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen,
om hem nu ook bij zijn terugkomst van 't kasteel nieuwsgierig te
bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders
dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van
vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van
de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, leken
hem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die
dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie
dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen
en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime,
met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu.
Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar
eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van
't kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde!
Toen Fons over het water en al spoedig weer in 't dorpje was, voelde
hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. 't Idee dat
hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou
uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis
zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, 't was hem alles zóó
onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar
huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om 't even waar te dwalen.
Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de
bosschen leidde. Weldra was hij in 't midden van de dennenwouden. De
naglans van de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het
verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds
spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een
nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf
ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even 't heftige van Fonske's
lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle
eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij
zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu
voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke
almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel
laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee
steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der
hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen
getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf,
die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm
koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit,
wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit
geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid
en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen, die toch fataal op
een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij
eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook
eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het
werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht,
zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog,
op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar,
die hem van die genieën scheidde; hij voelde 't nu nog oneindig
veel scherper, hij voelde 't in zich als de ijzig-koude dood van
al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps 't
eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke,
opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort
moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit
beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte
was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop
vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger.
Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in 't open veld,
dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep.
De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje over het zwartgroen der
bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid,
die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst
was in weemoedige harmonie met Fonske's lijden, en hij ging met haar
mee als 't ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar
twijfellicht zijn vage schaduw wierp.
Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er
vóór hij 't bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was.
Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol
angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden
zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde
zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten
daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door
te brengen.
Hijgend en afgemat kwam hij door 't kreupelhout langs steile
kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in 't
heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam
over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte,
zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open.
Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchtere werkelijkheid. De maan
was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel
en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar
een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch,
elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en
als 't ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar
over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen.
Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander
van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige
gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn!
Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn
geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen,
hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar
verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen
wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach
van wreedheid en van valschheid en 't schreeuwde in hem op als tegen
een wandaad, die niet mocht gebeuren.
Maar plots was 't of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds
verre, bij 't grafelijk kasteel, was in den nacht een vuurpijl
opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil
openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden
"aaah!" eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu
reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer
vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de
deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden
joelend naar 't kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen
leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder
den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn
breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer.
Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch
meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen
was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een
soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk
meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de
ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de
moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij
voelde zich zoo oud en afgeleefd als het geraamte van den molen die
al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit
schouwspel nog bijwoonde. 't Was als een óveroude, grijze wijsaard,
die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos
hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende
sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken
spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen
van lang-verleden en vergane wee.
En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in
Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog
slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en 't geknal der
schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al
verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend
verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in
te slapen en er nooit meer te ontwaken.
Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn
dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn,
alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe;
hij zou weldra voor goed inslapen.
Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zacht en dof
vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en
't kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en
trok zijn oogen open.
Drommen menschen kwamen weer in 't dorpje, daar beneden aan den heuvel
en in 't verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende
kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de
menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij
ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn
moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien:
men begon voor een ongeluk te vreezen.
Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu
moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij
walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde
even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar
meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden
kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf
hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er
zelf van schrikte:
--Hier ben ik!
Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het
paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld.
--O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da 'k ou zoeke! Wa
schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij.
--'K ben ziek, 'k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen
herkende hij, in 't manelicht, de vrouw die met zijn moeder was:
Lisatje Van Belleghem.
Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in,
dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. 't Was als een streelende troost
in zijn verdriet en even keek hij 't meisje dankbaar aan. Zij zag
bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen;
en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal,
dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de
linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder
leidde weer zijn aandacht af:
--O, jongen, we mienden dat er ou 'n ongeluk overkomen was. Wa schilt
er toch?
--Heufpijne, 'k voele mij ziek, 'k lag hier 'n beetsen uit te rusten,
herhaalde Fons neerslachtig.
--Kom mee noar huis, jongen, en eet watte, of legt ou in ou bedde,
drong zacht de moeder aan. Weet ge 't greut nieuws al? Weet ge da
mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen?
--Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet.
De beide vrouwen schrikten.
--Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder.
--Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig.
--Och, nien, os 't ou b'lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk
weer te schreien.
--Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje.
Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden
karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de
maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen
benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als
zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken
verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die
krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar
gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een
donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote
droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond.
O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem
begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde 't hoofd.
Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd
opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter
keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij
strakke tranen blinken in haar lieve oogen.
Fons schrikte. 't Was om hem, hij voelde 't, dat Lisatje schreide. Zij
schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw,
beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón
het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een
vergissing, waar hij alleen de schuld aan had?
Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar,
achter de moeder, 't maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte
emotie woelde even vol verteedering in hem op.
--Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als
een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere
verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die
jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd
om een hersenschim na te jagen? Iets trilde in hem, van angst en van
geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog
niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps
in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon
die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang
en te vergeefs gezochte, 't eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat
jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op
hem gewacht had?
Zij waren aan zijn huisje en 't speet hem, dat zij er reeds waren. Maar
Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder
zelve zond hem met haar mee.
Eerst spraken zij geen enkel woord. 't Was of 't verlangde alleen-zijn
hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als
een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg,
heel zacht, met een stem die eventjes hikte:
--Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd?
Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in
de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. 't Was of
ze vluchten wilde.
--Wilt ge 't mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij
eensklaps abrupt.
Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het
duizelde in haar.
--O, Fons, zuchtte zij.
Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel.
--O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij.
Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn
eersten zoen.
--Lisatje, 'k zie ou geirne, zuchtte hij.
--De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend.
Dat beet hem als een gift; hij liet haar los.
--Ge'n meugt da nie zeggen! riep hij barsch.
Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar,
tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde
zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er
aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen.
't Was of ze 't voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand,
heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt
zuchtend weg in tranen.
--'K zie ou toch al zeu lange geirne, snikte zij dof.
Zij stonden vóór haar ouder's woning. Er was nog licht achter de
gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten
dag het opschrift van het uithangbord:
Xaveer Van Belleghem,
huisschilder en tapissier.
Fonske gaf haar een stillen, langen zoen.
--Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En
hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af.
--Wanneer zie 'k ou weere? vroeg ze fluisterend.
--Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje,
we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. 'K hè ou toch zéúvele
te zeggen, veur loater, veur de toekomste.
--Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke
nieuwsgierigheid.
--Morgen, zei hij, morgen, nou es 't te loate.
Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De
portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel,
breed en zwaar in 't schijnsel van den lichtkring.
--Ha! zij-je doar eindelijk! 'K miende da ge ginder ging blijve
sloapen! lachte hij vettig.
Fonske wou, ondanks Van Belleghem's aandringen, niet binnenkomen. Hij
wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg.
Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche
wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even
staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal,
sluipend als een dief, den zandigen Molenberg.
Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol
in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren.
Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van
den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de
naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd
en zijn gloeiende wangen. Wat was 't daar alles schoon en grootsch
in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar
beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren
slingerlint omheen de sluimerende weilanden!
Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij
al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde 't
ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen
zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaan had was niets dan zoeken
en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn
leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open
als een tooverwereld, verheerlijkt door 't geluk der liefde, glanzend
en glinsterend als 't ware van de kunst waarmee hij 't zou bezielen.
Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol
bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over
van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch 't verleden
scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom.
Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het
manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der
twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend
lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat
daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden
had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was
er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien
en zacht kwam hij terug naar 't nederig huisje onder aan den heuvel,
het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar
nu ook Lisatje Van Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde
geluk te droomen lag.
Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed,
na veel strijd en vergissing.
Nu mocht het leven beginnen.