Het duurde wel een heele tijd vooraleer jonkvrouw Elvire haar belofte
naar Fonske's werk te komen kijken, volbracht.
Het was reeds volop zomer en al heel dikwijls had Fonske het jong
meisje met haar gouvernante, of in gezelschap van meneer Gaëtan en
den baron, van het eene kasteel naar 't ander door de weiden heen
zien loopen, zonder dat zij ooit bij hem aankwam. Telkens vroeg hij
's avonds, bij zijn thuiskomst, gejaagd aan zijn moeder: "Hè jonkvreiw
Elvire hier nog nie geweest?" Telkens moest moeder hem met het spijtig:
"nien z' jongen, nog niet" teleurstellen.
Fonske werd er droevig en neerslachtig onder. Het kwelde hem, het wierp
een schaduw over zijn gansche leven: jonkvrouw Elvire zag niet meer
naar hem om; jonkvrouw Elvire had hem vergeten. En daar was niets
aan te doen, hij kon toch zelf niet naar haar toegaan als zij het
niet verlangde; en Fonske leed in stilte en begon te wanhopen, toen
eensklaps, op een zondag-namiddag, terwijl hij in Van Belleghem's
huis bezig was met Lisatje's portret te schilderen, zijn moeder,
vergezeld van jonkvrouw Elvire en haar gouvernante, daar buiten vóór
het raam verschenen.
--Och Hiere! schrikte Fonske. En de penseelen vielen uit zijn hand,
net zooals weken te voren den kladborstel gevallen was.
--Zóen ze binnen komen! riep met een angststem Lisatje, die dadelijk
opgesprongen was.
Maar ze waren reeds binnen. "Kijk, zie, mejonkvreiwe, hier zit hij"
riep Fonske's moeder, de beide jonge dames voorloodsend.
--Derangeeren we niet? vroeg het kasteelmeisje met haar vriendelijksten
glimlach. En zij knikte minzaam naar Lisatje, terwijl de Engelsche
verrukt uitriep:
--Oh! what a beauty!
Fonske was opgestaan, geheel en al ontsteld door het voornaam
bezoek. Hij had een kleur als vuur en kon nauwelijks met enkele,
korte zinnetjes de belangstellende vragen van het jong meisje
beantwoorden. Zij keek naar het portret, vond het heel mooi, keek
dan ook lang en strak naar Lisatje, als wou zij haar geheel ontleden.
--Es dat 'n vriendinneke van u? vroeg zij eindelijk met een
raadselachtigen glimlach.
--O nie nien 't, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske zonder na te denken,
met een soort gejaagde onhandigheid. En weer kreeg hij een vuurkleur
zonder te weten waarom. Even keek hij op naar Lisatje, die dadelijk,
als 't ware boos, den blik van hem afwendde.
--Woarom niet? hernam jonkvrouw Elvire. Ge schildert heur zeu scheune.
En weer keek zij vol aandacht het jong meisje aan en wisselde enkele
woorden in vreemde taal met haar gouvernante.
--'t Es de dochter van Van Belleghem, mijn miester, antwoordde
onderdanig Fonske.
--Joa 't, mejonkvreiwe, 't es lijk of hij zegt, meende Fonske's moeder
gewichtig te moeten beamen.
Een deur ging open en Van Belleghem kwam binnen: groot, dik, rood,
met zwarte snor en opgeblazen kop, die van heel wat zondag-borreltjes
en potjes bier scheen te getuigen. Hij had een platte, zwarte pet
op met verlakte klep, die hij even afnam om te groeten en hij riep
dadelijk vet-lachend, op familiairen toon:
--Da es nen artiest, e-woar, mejonkvreiwe! Hij zal nog moeten eindigen
mee 't expezeeren!
En hij lachte heel hard om zijn buitengewoon-geestig gezegde.
Jonkvrouw Elvire en de Engelsche lachten maar heel zwakjes tegen. Zij
voelden blijkbaar iets hinderlijks in de aanwezigheid van den
triviaal-dikken kladpotter. Zij wisselden halfluid enkele woorden in
hun vreemde taal en jonkvrouw Elvire vroeg aan Fonske:
--Kan ik euk ou ander werk ne keer zien, dat thuis es?
--Joa joa g' mejonkvreiwe, antwoordde Fonske; en hij was dadelijk
bereid haar te vergezellen. 'K zal weere komen om 't hier op te
kuischen, zei hij tot Lisatje.
Lisatje gaf geen antwoord. Zij stond rood-gegeneerd naast den muur
en in haar mooie blauwe-bloemen-oogjes glom als een natte gloed van
droeve spijtigheid.
--Goên dag, groette haar minzaam jonkvrouw Elvire, en ook de Engelsche
groette innemend, met vollen tanden-glimlach; maar in Lisatje's
benauwden wedergroet verkropte haast een snikje.
Zij zag, als 't ware hunkerend, het drietal buiten vóór het raam
passeeren. Fonske keerde zich instinctmatig half om en zag haar ook,
maar dadelijk trok ze zich weg, als wilde zij hem niet meer zien.
Toen Fonske na een uur in 't huisje van Van Belleghem terug kwam
om voort aan Lisatje's portret te werken, was 't meisje nergens
te vinden. Het heele schilderrommeltje stond daar nog onaangeroerd
en Van Belleghem noch zijn vrouw wisten waar hun dochter was. Van
Belleghem ging op den achterdrempel staan en riep met zijn grove,
zware stem naar achter in het tuintje:
--Hei, Liza, woar zit-e dan?
--Hier, klonk zacht een zwak stemmetje.
--Ge moet binnen komen, Fons es doar weere.
Maar Lisatje kwam niet.
--Wa steekt ze zij in heur heufd! pruttelde de moeder. Toe, Fons,
goa zelve ne kier zien.
Schoorvoetend ging Fonske 't tuintje in. Het was een heel klein
tuintje, een paadje tusschen palmboompjes en klapbes-struiken, met
aan het eind een bloemenpriëeltje. In dat priëeltje zat Lisatje heel
alleen op een bank, met den rug halvelings naar Fonske toegekeerd.
--Lisatje, wilt-e weere komen poseeren? vroeg hij zacht.
--Nien ik, hoofdschudde zij kortaf.
Hij stond daar even, roerloos en bedremmeld.
--Woarom niet? vroeg hij eindelijk.
--Dóáromme!
Hij begreep er niets van. Wat had hij haar nu toch misdaan!
--Toe, kom, streelde hij vleierig.
--Nien ik, zeg ik ou! beet zij hem eenklaps vinnig toe; en draaide
een boos gezicht naar hem om, dat gansch betraand was.
--Oo! schrikte hij, stil achteruit-wijkend.
En meteen begreep hij,.... begreep in angstvolle ontzetting dàt,
wat Rietje Koarelkes en Feelke Brouwers en Mietje Pruime en Pharaïlde
Van Rompu en al de anderen al sinds maanden lang begrepen hadden.