Naarmate de koewachtertjes ouder en grooter werden en een voor een
het vrije leven van de wei moesten vaarwel zeggen, werd, met hun
werkkring, ook de aard van hun vermaken anders. Velen bezochten reeds
's zondags de herbergen, speelden biljart of kaart, dronken bier en
jenever en keken naar de meisjes.
Rietje Koarelkes was al flink aan 't vrijen met Emeranske Casteel;
Feelke Brouwers liep achter Mietje Pruime en Miel Katoor en Dolfke van
de Wiele zag men meestal in de buurt van Elodie Vermaele en Pharaïlde
Van Rompu. Alleen Fonske had nog niemand.
Fonske had niemand, maar wel was er iemand, naar de andere kereltjes
althans beweerden, die heel graag Fonske had gewild, en dat was niemand
minder dan Lisatje Van Belleghem, het veertienjarig dochtertje van
Fonske's eigen baas.
Lisatje Van Belleghem had een fijn en zacht gezichtje, frisch wit
en roze, met golvende blonde haren en mooi-lichtblauwe oogen, blauw
als de bloempjes van het vlas in Juni-weelde. Haar glimlach was zoet
en bekoorlijk en zij had mooie witte tandjes, die eigenaardig konden
blinken als zij glimlachte. Lisatje hielp haar moeder in huis en in
het ververswinkeltje en uit háár hand was het, dat Fonske zijn eerste
"virfbakske" gekocht had.
Uit den aard zelf van de betrekking, die Fonske bij Van Belleghem
vervulde, moest hij er dikwijls aan huis komen. Hij gebruikte er dan
ook meestal het middagmaal en als 't wat laat werd met hun werk, ook
wel eens het avondeten. Dan werd hij door Lisatje bediend en 't meisje
zette hem gewoonlijk borden voor alsof hij uitgehongerd was. Hij moest
telkens voor de te milde hoeveelheid bedanken, maar telkens ook drong
Lisatje zóó vriendelijk, met zulk een innemenden glimlach van haar
bloeme-oogjes en haar schittertandjes aan, dat Fonske dikwijls meer
verorberde dan hij wel lust had, om haar geen verdriet aan te doen.
's Zondags, als Fonske naar den trein ging om in de stad zijn teekenles
te nemen, was het hoogst zelden als Lisatje hem onderweg naar het
station niet ontmoette, en ook bij zijn terugkomst, stond zij doorgaans
op den drempel van haar huisje, waar hij voorbij moest, de frissche
lucht te genieten. Rietje, Feelke, Dolfke, Mielke hadden dat alles al
lang in de gaten evenals Emeranske, Mietje, Elodie en Pharaïlde, en
allen lachten en gekten er om: alleen Fonske merkte daar niets van,
of was met andere gedachten bezig. Fonske teekende en schilderde
aanhoudend in zijn schaarsche, vrije uren, met trillend-gespannen
hartstocht, als werkend voor een doel dat niemand anders kende; en,
wijl hij de sympathie van het meisje wel voelde, zonder den aard
daarvan te vermoeden, liet hij haar af en toe zijn schilderingen zien
en juichte inwendig van genot, wanneer zij die, met van eerbiedige
bewondering in elkaar geslagen handen "zeu scheune, o, toch zeu
scheune" vond.
Fonske was daar zoo gelukkig door, dat hij haar eens beloofde haar
portret te zullen maken, wat Lisatje tranen van ontroerde dankbaarheid
in de mooie blauwe-bloemenoogjes bracht.