's Winters sliepen de kasteelen, als twee groote, deftig-stugge wezens,
ongestoord in hun voorname rust. Zij keken norsch, met doffe oogen
van gesloten luiken, elkander over de verlaten uitgestrektheid van
de weiden aan, en om hun doode praal was geen bekoring noch mysterie
meer. De najaarsstormen waren met de laatste bladeren weggevlogen
en alles leek nu ijl en klein en kil en nuchter. Somtijds, wanneer
een zonnestraaltje vluchtig door de nevelsluiers brak, scheen alles
voor een oogenblik frischlevend op te fleuren: het gras schitterde,
de naakte twijgjes trillerden, en zelfs de doffe muren en kanteelen
schenen even, met een koesterend zonnelachje uit hun winterslaap te
ontwaken; maar dadelijk trokken zich weer de grijze sluiers dicht en
hun doodsche, stille kleurloosheid bedekte alles.
De menschen uit het dorpje schoven daar omheen als schaduwen
voorbij. Zelfs in hun winter-eenzaamheid regeerden de kasteelen. Het
galmend schot van een koddebeier, het zwaar geblaf der waak- en
jachthonden, een bel die ergens klonk, waren als zooveel getuigenissen
van de geheime, groote macht, die daar, zelfs in de afwezigheid der
meesters, nog tastbaar heerschte. De géést van de kasteelen bleef
aldoor regeeren, als gold het een natuurkracht.
Maar met de lente kwam ontwaking en de menschen wachtten, in een
soort angstig verlangen, op de terugkomst hunner traditioneele
heerschers. Waar zaten zij den ganschen, langen winter? In hun
prachtige paleis-huizen der hoofdstad; of ergens ver op reis, in
warme, vreemde landen? De menschen wisten 't niet, maar het mysterie
verhoogde het prestige en de terugkomst werd verbeid als een telkens
nieuwe openbaring.
Weldra opende de kasteelen hun zoolang stug-gesloten ooge-luiken. Er
werd geverfd, geboend, gewasschen; er heerschte heen-en-weer geloop,
gerij, bedrijvigheid, en op een ochtend waren de heeren daar terug,
als lentevogels na de winterdoodschheid. Zij kwamen terug in 't
heerlijkste getijde van het gansche jaar, met de ontluikende blaadjes
op de heesters, met het lente-geroep van den koekoek in de blauw-wazige
verten, met de wegschietende zilverschichtjes van de visschen in het
water, met de verkwikkende geuren van alles wat herleefde en bloeide,
met de zachte weelde van de vette koeien in de malsche wei, waar zij
zich als groote, zware bloemen langzaam in den zonneglans bewogen,
terwijl de jolige koewachtertjes, ravottend, onder 't trosje hooge
populieren, in wild gestoei hun lentevreugd uitjubelden.
Fonske, helaas, was er nu niet meer bij. Fonske, naast Van Belleghem
op een hooge ladder, was bezig, onder toezicht van den rentmeester,
met de venster-kozijnen van het grafelijk kasteel te verven.
Welke van al die ontelbare ramen zouden wel deze van jonkvrouw Elvire's
kamer zijn? Daar dacht Fonske voortdurend aan zonder het iemand te
durven vragen, en meteen vroeg hij zich vol angstige benauwing af,
wat jonkvrouw Elvire wel zou zeggen, als ze hem daar bezig vond. Hij
hoopte maar, zonder te weten waarom hij het hoopte dat hij er vóór
haar komst reeds weg zou zijn.
Doch dat gebeurde niet. Op een ochtend, juist den laatsten dag dat zij
er werkten, kwam de rentmeester met groote gejaagdheid den terugkeer
der familie aankondigen. Van Belleghem en Fonske moesten zich nu maar
razend haasten, zien dat ze klaar kwamen; maar ondanks al hun ijver
kregen zij toch niet heelemaal gedaan en Fonske stond nog boven op den
ladder, toen de groote auto van den graaf, volgeladen met valiezen,
het erf opreed.
De dienstboden waren er reeds in den ochtend aangeland en kwamen hun
meesters groeten; de rentmeester stond, diep buigend, met zijn hoed
in de hand, de tuinlui en de koddebeiers hielden zich eerbiedig op
een afstand.
Fonske, bevend en blozend zonder te durven neerkijken, borstelde
maar ijverig voort, stil hopend, dat hij niet opgemerkt zou worden;
maar de graaf, nauwelijks uit den wagen gestegen, keek dadelijk naar
de ladders op en vroeg verwonderd aan den rentmeester hoe het kwam
dat de ververs nog niet weg waren. Zijn vraag wekte ook de aandacht
van mevrouw de gravin, van jonkvrouw Elvire, en de Engelsche, en op
haar beurt keken zij omhoog en zagen en herkenden Fonske.
--Is dat wel Fonske! riep het jong meisje verbaasd.
Fonske, zijn naam hoorend, greep naar zijn pet om te groeten. Maar
in zijn ontroering deed hij 't zoo onhandig, dat de verfborstel van
tusschen zijn vingers wegglipte en met een spat op den grond viel.
--Och Hiere! kreet Fonske en haastte zich den ladder af.
Daar stond hij vlak vóór zijn jonge beschermster. Vuurrood, met
schuwe-schaamte-oogen, keek hij haar even aan en sloeg dan weer den
blik ten gronde.
--Moar Fonske, zij-de gij virrewoare geworden? vroeg jonkvrouw
Elvire. En in den klank van haar stem lag als 't ware iets van
teleurstelling, terwijl zij hem, met vervreemde oogen, van het hoofd
tot de voeten opnam.
--Joajik, mejonkvreiwe, schuchterde Fonske.
--En goat-e gij noar de tiekenschole nie mier?
--Toettoet, mejonkvreiwe, alle zondagnuchtijngen.
--What a pity! jammerde halfluid de stem van de Engelsche.
Fonske stond daar, roerloos, met zijn bekladde handjes, tusschen welks
vingeren den opgeraapten borstel beefde. Hij had wel kunnen schreien,
zonder te weten waarom. Hij keek nog eens bedeesd de jonkvrouw aan en
vond haar zóó veranderd, dat hij haar haast niet herkende. 't Was of
daar iemand anders vóór hem stond. In die enkele maanden had ze zich
bijna tot volwassen vrouw ontwikkeld. Haar haren waren opgestoken,
zij droeg geen korte japon meer en zelfs de uitdrukking van haar
gezicht scheen anders: nog altijd lief en mooi; mooier, véél mooier
zelfs dan 't jaar te voren, maar ook ernstiger, strakker, verder van
hem af als 't ware. Fonske voelde instinctmatig dien plotselingen
afstand van verwijdering, dat werk van de afwezigheid en 't maakte
hem nog bedeesder, het stolde als 't ware zijn ziel in zijn binnenste.
--G' hèt toch nog geschilderd, hoop ik? vroeg ze na een poos en bekeek
hem even weer met een glimlach zoo innemend-vriendelijk als vroeger.
--O joa joajik, mejonkvreiwe, haastte Fonske zich te antwoorden.
--Hawèl, ge moet veurt doen, zilde; 'k zal ne keer kome kijken. Goên
dag, glimlachte zij heel lief, en volgde haar ouders en de Engelsche
in het kasteel.
Met zwakke beentjes klom Fonske weer den ladder op. Het duizelde vóór
zijn oogen en even moest hij zich goed vasthouden.
--Toe, Fons, hoast ou, da we gedoan hèt, vermaande Van Belleghem.
--Joa, boas, zei Fonske en ging vlijtig weer aan 't borstelen.
Achter het raam waar hij werkte, zag hij eensklaps gestalten heen en
weer bewegen, binnen in de kamer. Fluks herkende hij jonkvrouw Elvire
en de Engelsche en twee knechts, die een koffer boven sleepten. Hij
zag de jonkvrouw haar manteltje uittrekken. O! 't was dus haar kamer,
waaraan hij werkte!
Hij zag het meisje even roerloos staan en in zijn richting kijken. Toen
zei ze iets tot de Engelsche, die naar het venster toe kwam. Zij
knikte van achter de ruit naar Fonske en glimlachte met al haar tanden,
en meteen liet ze 't ratelend rolgordijn neer.
Fonske trilde even, alsof hij schrikte van het plots geluid. Hij had
het gevoel van iemand, die iets onbescheidens heeft gedaan en tot
straf de deur vóór zijn neus dicht krijgt.