Niet steeds keerden al de jonge koewachtertjes, na den langen winter
in de verre boerderijen, met het herleven van de lente, in de vrije,
frissche weilanden terug. Zij werden jonge mannen en het harde
sjouwersleven eischte hen op. Voor altijd moest vaarwel worden gezegd
aan de onbezorgde vrijheid in de gezonde, heerlijke natuur. Zij kregen
een spade of een vork te hanteeren in plaats van de koewachterszweep;
zij werden mesters, delvers, ploegers of vertrokken reeds vóór 't
vroege daglicht naar de groote stadsfabrieken, waaruit zij eerst met
't sombergrauwe van de schemering terugkeerden. Geen buitelsprongen
meer, geen kikkers vangen, geen joelend alahoe-geroep in 't galmend
knallen van de zweepen: zij kregen ernstige gezichten, gezichten van
vermoeienis en vroegtijdige zorg; en hun aardige kindernaampjes:
Rietje, Pierke, Feelke veranderden in 't hardklinkende en stugge:
Riek, Pier, Feel.
Voor Fonske zou die tijd nu ook wel heel gauw komen. Nog één zomer
en hij zou ook door 't harde leven worden opgeëischt.
Zijn moeder had er reeds veel en lang over nagedacht en er ook met
hem over gesproken. Fonske had gedwee het hoofd gebukt: hij wist
wel dat het moest. Alleen de vraag wàt hij zou worden, was nog niet
vast bepaald. Voor zwaar boerenwerk was hij te zwak; van arbeid in de
groote stadsfabrieken--wreede gevangenissen van gedruisch en stof en
stoom--had hij een gruwel; het eenige wat hem aantrok was een nuttig
bedrijf in de richting waar zijn fantaisie zich had ontwikkeld:
het schilderen.
Hij wilde schilder worden. Maar huisschilder, natuurlijk, om voor
zichzelf en voor zijn moeder aan het dagelijksch brood te komen. Het
andere, 't kunstschilderen, dat was een droom, een illuzie, die zeker
ook wel kon verwezenlijkt worden, dank zij de liefelijke goedheid
van jonkvrouw Elvire en haar ouders, maar slechts als uitspanning,
's zondags en in zijn schaarsche vrije uren. Eén enkele, laatste zomer
van vrijheid zou hij dus nog genieten, en in dat vooruitzicht leefde
hij met veilig troostgevoel, toen zich onverwacht een gelegenheid
voordeed, die het onvermijdelijke eensklaps kwam bespoedigen.
Op een ochtend klopte Van Belleghem, de dorpshuisschilder, bij
Fonske's moeder aan. Na wat heen en weer gepraat over andere dingen,
kwam hij met zijn voorstel voor den dag: dat hij een jong helpertje
kon gebruiken en of hij Fonske daarvoor zou kunnen krijgen.
Eerst had de moeder, zoo onverhoeds gepakt, wel eenige aarzeling. Maar
Van Belleghem zei haar hoeveel hij 't jongetje al dadelijk zou geven
en dat was zooveel meer dan wat hij als koewachtertje kon verdienen,
dat zij al spoedig toesloeg. 't Was ook immers wat Fonske verlangde;
het eenige wat hij er bij inschoot was zijn laatste, vrije zomer;
maar een jaar vroeger of later moest het toch zoo eindigen en nog
eens zei moeder ja, terwijl Van Belleghem, tot sluiten van 't accoord,
zijn hand uitstak en met een slag die in de hare klapte.
Dat nieuws hoorde Fonske toen hij 's avonds van zijn werk bij boer
Monteijne thuiskwam. Eerst was hij grenzeloos bedroefd. Hij schreide om
zijn nu verbeurden, laatsten, vrijen zomer en om het verlies van alles
wat daarmee gepaard ging. Het zou ineens voor hem een zoo geheel ander
leven worden; het was de plotselinge en onverwachte dood van al zijn
liefste illuzies; hij zou niet meer in volle vrijheid mogen schilderen
in de heerlijke ruimte der weilanden; hij zou jonkvrouw Elvire niet
meer heen en weer zien gaan; hij zou niet meer van verre kunnen
meeleven iets van het heerlijk bestaan der twee regeerende kasteelen!
Dat was de harde dwang van 't noodlot, de nooddwang van den arme,
die plotseling zoo zwaar op hem werd neergedrukt. Hij moest, omdat
hij arm was! Moeder poogde hem te troosten met het lokaas van het
mooie geld, dat hij nu reeds verdienen zou; maar moeder zelve was
bedroefd zonder juist te weten waarom ze dat was: ook moeder had
het nu liefst nog anders gewild, doch de kans was er en mocht niet
ontsnappen; en dat begrepen zij eindelijk alle twee en legden zich
gedwee bij het onvermijdelijk noodlot neer.
Drie dagen later stond Fonske, van den hals tot de voeten met
een witten kiel bedekt, kleintjes en droevig en mager naast den
zwaar-dikken, ook ten voeten uit gewitkielden Van Belleghem,
de binnenportaaldeur van de "Warande", een der dorpsherbergen te
beschilderen.