Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de
teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den
graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den
weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig
idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.
Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken
zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast
dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een
aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar
meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in
ontvangst en stelde hem aan den directeur der teeken-academie voor;
en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem 't pleistermodel
getoond, dat hij moest uitteekenen.
Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat
hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel
zeldzame leerlingen van 't platteland, en een der allerjongste ook;
hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap
waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders
en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd
en vrij alsof ze 'r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal:
het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel
woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe
minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat
maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was
het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij
met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste
kracht om althans zijn werk goed af te maken.
Maar 't ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend
was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die
benauwde zaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen,
alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind,
gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar
nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.
Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken,
over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het
tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske
aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder
hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die
anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen
meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de
meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid
en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele
omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren
en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend
tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende
blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.
Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij
wist wel dat de kameraadjes hem in opgewonden nieuwsgierigheid bij
het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral
zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij
zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo'n portefeuille
onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf,
waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige
en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op
het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had
gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat
er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige
dingen gezien had.
Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald,
gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn
moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van
den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en
dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met
haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht
van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat
het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.
Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten
van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te
machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier,
hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering
kan beheerschen noch verbergen.
Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn
album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan 't schilderen. Hij
schilderde van verre 't grafelijk kasteel uit, 't kasteel van zijne
weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde 't schilderen
voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid
en hij schilderde 't met een soort van veneratie en van liefde,
die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.
Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel
van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den
stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende
zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel
en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij
daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong
in hem als een zegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij
voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij
voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind,
als 't ware de gansche wereld ten geschenke gaf.