VI.

Den volgenden zondag toog Fonske voor het eerst ter stad naar de

teekenschool. Alles was vooruit geregeld door tusschenkomst van den

graaf, den baron en meneer Wattenberg; doch daar Fonske hoegenaamd den

weg niet kende in de stad, was de baron-burgemeester op het eigenaardig

idee gekomen hem daarheen door den dorpsveldwachter te doen begeleiden.

Dat maakte wel een vreemden indruk en de andere leerlingen keken

zeer verbaasd en ietwat spottend op. Dat schuchtere Fonske naast

dien veldwachter in uniform met zijn rooden neus, leek bijna op een

aangehouden landloopertje dat naar de gerechtszaal wordt gebracht. Maar

meneer Wattenberg was op voorhand gewaarschuwd; hij nam Fonske in

ontvangst en stelde hem aan den directeur der teeken-academie voor;

en dadelijk werd het kind een plaats aangewezen en hem 't pleistermodel

getoond, dat hij moest uitteekenen.

Die heeren waren uiterst vriendelijk voor hem, wat niet belette, dat

hij zich daar zeer vreemd en ontredderd voelde. Hij was er een der heel

zeldzame leerlingen van 't platteland, en een der allerjongste ook;

hij kreeg terstond den indruk alsof al die anderen ongeloofelijk knap

waren en hij zelf zoo goed als niemendal nog kende. Zij waren anders

en mooier gekleed dan hij; zij bewogen zich daar volkomen ongegeneerd

en vrij alsof ze 'r thuis waren, en zij spraken ook een andere taal:

het dialekt der stad en ook veel Fransch, waarvan Fonske geen enkel

woord verstond. Het kwam hem daarbij voor dat ze hem af en toe

minachtend aankeken en bedekt-gichelend over hem fluisterden en dat

maakte hem nog veel schuwer en bedeesder. Zijn eenige toevlucht was

het vriendelijk gezicht van den meester, naar wiens uitleggingen hij

met roerlooze aandacht luisterde en hij spande zich in met uiterste

kracht om althans zijn werk goed af te maken.

Maar 't ging niet makkelijk. Het was zoo heel anders dan wat hij gewend

was. Die doode, kleurlooze klomp, dien hij moest conterfeiten, die

benauwde zaal vol leerlingen, dat triestig licht door matte glazen,

alles belemmerde en ontzenuwde het eenzaam, droomerig natuurkind,

gewend aan zon en vrije ruimte, en hij had het wanhopig gevoel daar

nooit te zullen aarden en er nooit iets goeds te kunnen voortbrengen.

Toch was de meester, die vóór het einde van de les even kwam kijken,

over zijn werk niet ontevreden. Hij klopte hem bemoedigend op het

tenger schoudertje en gaf hem zacht enkele nuttige wenken. Fonske

aanhoorde die als een orakel; hij voelde zich iets minder

hopeloos-ontredderd, maar o, nog zoo verre, dacht hij, van wat al die

anderen zoo gemakkelijk schenen te bereiken. Had hij den goedigen

meester maar voortdurend naast zich kunnen houden! Maar zoodra de

meester weg was besloop hem weer het besef zijner ellendige zwakheid

en het gevoel zijner absolute eenzaamheid midden in een vreemd-hostiele

omgeving. Het uur van eindigen klonk hem als een verlossing in de ooren

en bijna als een schuldige verliet hij het gebouw, stil-wegsluipend

tusschen al die sterkeren en zelfbewusten, wier spottend-minachtende

blikken hij zijn schuwe aftocht voelde vergezellen.

Gedurende de korte terugreis in den trein vermande hij zich. Hij

wist wel dat de kameraadjes hem in opgewonden nieuwsgierigheid bij

het kleine dorpsstation zouden afwachten en hij wilde toch vooral

zijn teleurstelling niet laten blijken. Het speet hem dat hij

zijn teekengerei ginds had moeten achterlaten. Zoo'n portefeuille

onder den arm, dat had hem een houding gegeven. Maar de trein zelf,

waaruit de makkertjes hem zagen stappen, dat gaf ook al prestige

en hij wist zich toch wel goed en flink te houden en antwoordde op

het hartstochtelijk kruisvuur van vragen, dat hij het heerlijk had

gevonden op de teeken-academie, dat het er zoo groot en ruim was, dat

er zoo ontelbaar veel leerlingen waren en dat hij er zulke prachtige

dingen gezien had.

Stoetsgewijze, als voor een jeugdige held die wordt ingehaald,

gingen de bewonderende koewachtertjes met hem mee. En thuis, bij zijn

moeder, wachtte hem een verrassing, die al het teleurstellende van

den ochtend weer goed maakte en hem een geluk bezorgde, dat dagen en

dagen bleef duren: in zijn afwezigheid was jonkvrouw Elvire daar met

haar gouvernante geweest en had iets voor hem afgegeven: een pracht

van een verfdoos en een album met schilderpapier, iets zóó moois, dat

het juichend kind zelfs niet vermoedde, dat het op de wereld bestond.

Hij kreeg een kleur als vuur, hij loosde zuchten, lange, lange zuchten

van bijna verschrikte verrukking en plotseling losten zich de àl te

machtige emoties van dien dag in tranen op: hij schreide van plezier,

hij schreide als een onnoozel, zwak, klein kind, dat zijn ontroering

kan beheerschen noch verbergen.

Dienzelfden middag, in de zachte, zoete zon, beklom hij met zijn

album en zijn prachtdoos den molenberg en ging aan 't schilderen. Hij

schilderde van verre 't grafelijk kasteel uit, 't kasteel van zijne

weldoenster, met rivier en park en weiden. Hij wilde 't schilderen

voor de jonkvrouw, in dankbare herinnering van hare groote goedheid

en hij schilderde 't met een soort van veneratie en van liefde,

die gansch zijn tenger wezentje als van koorts deed beven.

Eenzaam zat hij daar, zoo klein en eenzaam vóór het heerlijk tafereel

van weidsche pracht, half verscholen onder heesters-schaduw op den

stillen heuvel, naast den gekruiswiekten, ouden molen in bespiegelende

zondagsrust en met hoog en wijd over zich heen de blauwe hemelkoepel

en de zilverwitte wolken. De uren vervlogen, geen mensch wist dat hij

daar zat en kwam hem storen en de volheid van zijn zoet geluk drong

in hem als een zegen en als een schat van weelde en bescherming. Hij

voelde zich rijk in zijn armoede, groot in zijn nederigheid, hij

voelde een geluk dat hij niet kon bevatten, maar dat hem, klein kind,

als 't ware de gansche wereld ten geschenke gaf.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 11 / 28 题