VII.

De volgende zondagen ging het Fonske niet meer zoo benauwd

op teeken-academie. Hij raakte langzamerhand gewend aan den

omgang met zijn mede-leerlingen en deze wenden ook aan hem. Maar

schuw-ondergeschikt bleef hij zich in den grond van zijn wezen toch

voelen, omdat al die anderen zooveel wisten dat hij nog niet kende en

zoo stevig midden in een leven stonden, waaraan hij vreemd bleef. Had

hij maar een beetje Fransch gekend, de taal die zij voortdurend onder

elkander spraken en die hen wegen scheen te openen, welke voor hem

gesloten bleven! 't Was of ze daardoor alleen tot een anderen, hoogeren

stand behoorden, bijna tot den stand van den graaf en van jonkvrouw

Elvire. Verder kon hij wel met hen mee, voelde zich niet minder in

bekwaamheid voor de teekenkunst. De meesters waren zeer tevreden;

hij werkte gemakkelijk en maakte vooruitgang, hoewel hem telkens

iets belemmerde dat de ontplooiing van zijn jonge, frissche kracht

begrensde. Dat zat hem in het doodsche van die groote, duffe zaal vol

leerlingen, in het krijtachtig-levenlooze van die pleisteren modellen,

in dat egaal, grijs-matte licht waarin niets scheen te trillen noch te

fleuren. Hij kòn er niet met liefde werken; hij wrocht er uit plicht,

omdat men hem gezegd had dat het zoo moest, en hij bewaarde al zijn

gloed en voelde al zijn genot slechts in de vrije ruimte der frissche

en zonnige natuur, waar hij, als vroeger, al zijn beschikbare uurtjes

ging slijten. 't Kasteel had hij afgemaakt en aan jonkvrouw Elvire uit

dankbaarheid ten geschenke gegeven; en 't meisje was verrukt geweest,

en ook meneer Wattenberg had hem zijn lof niet onthouden en zelfs

met eigen hand eenige correcties aan zijn werkje toegebracht.

Het trosje hooge populieren, eenzaam wuivend en suizend in de groene

uitgestrektheid van de weilanden tusschen de twee regeerende kasteelen,

was en bleef Fonske's lievelingsplek, waar hij om zoo te zeggen het

middenpunt van zijn gansche leventje voelde. Daar was hij in zijn

element, daar was hij zichzelf, klein tusschen al dat groote, maar

gelukkig-klein, omdat hij daar thuis was en zich in zijn nietigheid

beschermd voelde. Hij leefde als het ware iets mee in 't leven van de

twee kasteelen, heel dikwijls kwamen de jonkvrouw en haar meester naar

hem kijken en nu stelde hij ook een belang dat hij vroeger niet kende

in 't heen en weer bezoek tusschen de bewoners der beide landgoederen.

Eigenaardig was het hoe zijn jong, ontvankelijk gemoed telkens

verschillend reageerde op iedere verschijning van de verschillende

bewoners. De jonkvrouw en haar gouvernante, dat was als de zon,

die stralend en koesterend naar hem toe kwam. Het gaf hem een warme

kleur van emotie, alsof hij werkelijk een gloed van buiten af tegen

zijn wangen voelde. Meneer Gaëtan, daarentegen, was als de nacht,

die tot hem naderde. Hij was er bang voor en hij griezelde ervan,

als voor iemand die hem kwaad zou kunnen doen. Ook voor den graaf was

hij bang, maar op heel andere wijze. Hij vreesde zijn fijne, peilende

spot-oogen, alsof de graaf hem heelemaal doorzag en ontdekte dat er

feitelijk niets in hem zat; en alleen de komst van den baron gaf hem in

't geheel geen ontroering, wellicht omdat zijn aandacht geheel en al

was afgeleid en in beslag genomen door het vreemde waggel-loopen van

den ouden man. Fonske beschouwde dat reeds onbewust met schildersoogen,

het boeide hem als iets, dat hij zou willen nateekenen en hij vond

het zoo grappig, dat telkens tusschen die schommelende o-beenen een

stuk van het landschap verscheen: nu eens een hoekje wei met een

grazende koe, dan weer een ver zeiltje op de rivier, een zeiltje, dat

zoo eigenaardig heen en weer scheen te dobberen, waggelend als een

zeescheepje tusschen het waggel-loopen van 't barontje, die het met

zich scheen mee te trekken. Eens, op een stillen middag, begon hij

zoo iets uit het geheugen te teekenen. Hij had er innig-dolle pret

om in zichzelf, want het was goed en het leek, maar hij wachtte zich

wel het aan de makkertjes te laten zien; hij verscheurde 't haastig

toen hij hen joelend zag aankomen en op zijn bleek, als naar gewoonte

ietwat stroef gezichtje was zelfs geen zweem van zijn vluchtige,

ondeugende oolijkheid meer te bespeuren.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 12 / 28 题