V.

Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met

zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds

op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien.

--Nie g', zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij

bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op

't kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest.

Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten 't van verre en riepen

't naar Fonske:

--Ze zijn doar!

Fonske zag een groep van vier personen 't grafelijk kasteel verlaten en

naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw

Elvire in 't wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de

twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te

noemen, en toen hij 't eindelijk zag neep hem de schrik om 't hart:

't was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire's meester. De

koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen

in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als 't ware

schrikbevangen stemmen:

--De groaf es d'er euk bij!

De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met

een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn

schilderijen onder 't trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken

ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der

koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had

omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde

in ondertoon naar Fonske toe:

--Fons, den b'ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan.

Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes

zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met

zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allen wel terstond en duidelijk,

ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op

waggelende o-beenen, zoo dat men 't landschap er doorheen zag en meneer

Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een

hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. 't

Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het

door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op

't gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst.

De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van

strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog;

en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen

een boomstam.

--Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug.

Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw

Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier

de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand

naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer

schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde.

--Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg! riep het jong meisje,

opgewonden naar de teekeningen loopend.

--Haha, les chefs-d'oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje

volgend.

Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon,

met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke

uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij

licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde

aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van

zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets

plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met

afgemeten passen.

--Voyez, monsieur Wattenberg, n'est-ce pas que c'est beau! riep

juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam

omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester

goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig

"aoh" spoedig neer om het weer overeind te zetten.

De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand

aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als 't ware in

de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een

absoluut-roerloos groepje, allen met star-ronde oogen van gespannen

aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de

bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen

glinsterend in de zon.

Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd

en scheen op 't punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen

meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor

een oogenblik de belangstelling af.

--C'est donc vrai qu'Elvire a découvert un petit génie? vroeg ietwat

ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van

het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen

welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde,

onder het frissche lommer der populieren verscheen.

--Il parait, l'exposition allait justement commencer, glimlachte de

graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.

De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg

moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen

baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat

uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand

die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan

hij, was een donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje

en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de

menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends

en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door

een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in 't geniep zijn

"luizenboulevard" noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp

beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire

zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg

door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook

dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.

Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer

Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en

onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en

oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek

als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een

matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem,

dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden

de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde

genegenheid, en voor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van

benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.

Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon

en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes

staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij,

die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam

hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en

een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende

koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend,

en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.

Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn

woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van

blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets

gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde,

frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de

groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen

van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede

en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten,

donkere oogen telkens van de schilderijtjes afgeleid naar Elvire en

meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht

nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal

op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de

groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting,

dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun

blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes,

roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.

Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.

--Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:

--Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk

weer de oogen neerslaande.

--Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse

wille goan!

--Os ik mage van moeder, knikte Fonske.

--Ge zil meugen, menier de groave zal 't aan ou moeder vroagen en

ouën trein betoalen.

Fonske knikte, zwijgend.

--Hoe êwd zijt-e gij?

--Twoalf joar.

--Hèt-e nog broerkes of zusterkes?

Fonske schudde 't hoofd.

--Hawèl, 't es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier

de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e

veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik

mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?

Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het

verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen

maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken

hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.

Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.

--Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.

--O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar 'n mag van moeder, antwoordde

Fonske met een vuurkleur.

--Is n't he nice! streelde de Engelsche met verteederden glimlach.

--Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan

met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet

eens naar Fonske's antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in

vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij

aan 't lachen wist te brengen.

Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen

werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje,

keken naar meneer Gaëtan's achterhoofd, naar zijn blauw-witten

"luizenboulevard" tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er

was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een

vermanend "zwijg, gie loeder" werd hij onzacht door de anderen den

mond dicht gestompt.

Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met

meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was

afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met

Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken

zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over

enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.

Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het

welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand

te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan

om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf

en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de

uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelend op zijn o-beenen,

naar zijn kasteel terug.

In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen

nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar

om goed te zien en wisselden hun indrukken.

--Ge'n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.

--Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje

Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.

Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.

--Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.

--En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps

Dolfke van de Wiele.

--Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar

het grafelijk kasteel omkijkend.

--Lach gulder moar, hij es hij den besten. 'K wensche dat de jonkvreiwe

mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.

Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand

van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.

Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar

bijtend toe en de verkleurde piekharen schenen dreigend overeind

te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren

en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en

zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend

vee bebloemde weilandschap.

Van hoog en laag Het eerste levensboek · 第 10 / 28 题