Den volgenden namiddag, lang vóór het gestelde uur, kwam Fonske met
zijn schilderijen aan. Ook al de andere koewachtertjes waren reeds
op hun post en vroegen dringend om het werk nog eens te mogen zien.
--Nie g', zeg ik ulder! antwoordde Fonske stug en kitteloorig. En hij
bleef halsstarrig-wakend bij zijn spullen staan, den blik gevestigd op
't kasteel vanwaar de jonkvrouw met haar meester komen moest.
Daar kwamen zij. De koewachtertjes merkten 't van verre en riepen
't naar Fonske:
--Ze zijn doar!
Fonske zag een groep van vier personen 't grafelijk kasteel verlaten en
naar de rivier toe komen. Hij herkende reeds op een afstand jonkvrouw
Elvire in 't wit, met haar groene, engelsche gouvernante; maar de
twee heeren die de meisjes vergezelden wist hij niet zoo dadelijk te
noemen, en toen hij 't eindelijk zag neep hem de schrik om 't hart:
't was de oude graaf zelf, vergezeld van jonkvrouw Elvire's meester. De
koewachtertjes, allen in een groepje op een afstand, met hun zweepen
in de hand, riepen het nog eens halfluid naar Fonske, met als 't ware
schrikbevangen stemmen:
--De groaf es d'er euk bij!
De groep stapte in het schuitje en de groene Engelsche, roeide hen met
een paar flinke riemslagen over. Fonske, steeds roerloos naast zijn
schilderijen onder 't trosje populieren, hoorde de aan wal getrokken
ketting rinkelen, zag de deftige partij uitstappen. Maar een der
koewachtertjes, die zich even naar den overkant der weilanden had
omgekeerd, kromp plotseling als van benauwing in elkaar en schreeuwde
in ondertoon naar Fonske toe:
--Fons, den b'ron komt ginter euk, mee menier Gaëtan.
Als onder een schok keerden, èn Fonske, èn al de andere koewachtertjes
zich om en daar zagen zij werkelijk ook meneer de baron aankomen, met
zijn zoon Gaëtan. Die herkenden zij allen wel terstond en duidelijk,
ofschoon zij nog op ruimen afstand waren: meneer den baron liep op
waggelende o-beenen, zoo dat men 't landschap er doorheen zag en meneer
Gaëtan was een lange, magere slungel, met afzakkende schouders en een
hoofd dat als te zwaar voorover hing op zijn gebogen, dunnen hals. 't
Was zeker een afspraak: de beide families waren nieuwsgierig om het
door jonkvrouw Elvire ontdekte wonder te aanschouwen en kwamen op
't gestelde uur naar de plaats der bijeenkomst.
De koewachtertjes drongen nog wat verder op zij tot een groepje van
strak-stille gezichtjes met piekige haren, dat zich niet meer bewoog;
en Fonske bukte voorover naar zijn schilderijen en plaatste die tegen
een boomstam.
--Goên dag, klonk het vriendelijk achter zijn rug.
Fonske keerde zich om. Vóór hem stond lief-glimlachend jonkvrouw
Elvire met haar gouvernante en op vier passen afstand volgde menier
de groave met den teekenmeester. Fonske schetste een groet met de hand
naar zijn hoofd alsof daarop een pet stond en sloeg dan dadelijk weer
schuw-bedeesd en onbewegelijk den blik ten gronde.
--Voyez, papa, voyez monsieur Wattenberg! riep het jong meisje,
opgewonden naar de teekeningen loopend.
--Haha, les chefs-d'oeuvre! glimlachte de graaf, zijn dochtertje
volgend.
Hij had een fijn gezicht, bruingebrand door buitenlucht en zon,
met lange, witte snor en heel lichtblauwe oogen, die een slimleuke
uitdrukking hadden. Zijn linkerbeen was ietwat stram, zoodat hij
licht hinkte en steunde op een stok, wat overigens niets schaadde
aan zijn wel echt aristocratisch voorkomen. De teekenmeester van
zijn dochtertje, burgerlijk-correct, met vollen baard en iets
plechtigs-gespannen in zijn gansche houding, vergezelde hem met
afgemeten passen.
--Voyez, monsieur Wattenberg, n'est-ce pas que c'est beau! riep
juichend het jong meisje, een der schilderijtjes tegen den boomstam
omkeerend. Maar het dingetje gleed schuins omlaag, nog vóór de meester
goed kon kijken en de groene Engelsche bukte zich met een angstig
"aoh" spoedig neer om het weer overeind te zetten.
De meester keek, sprakeloos-wenkbrauwfronsend, met de linkerhand
aan zijn kin. Fonske zelf stond heelemaal op zij, als 't ware in
de zaak niet betrokken en even verder vormden de koewachtertjes een
absoluut-roerloos groepje, allen met star-ronde oogen van gespannen
aandacht, den zweepstok onbewegelijk naast de morsig-bloote voetjes, de
bijna wit-verkleurde haren als een boschje kortgeknipte stoppelhalmen
glinsterend in de zon.
Meneer Wattenberg knikte heel eventjes goedkeurend met het hoofd
en scheen op 't punt zeer deftig iets te zeggen, maar juist kwamen
meneer de baron en meneer Gaëtan binnen bereik en dat leidde voor
een oogenblik de belangstelling af.
--C'est donc vrai qu'Elvire a découvert un petit génie? vroeg ietwat
ongeloovig-schertsend de baron, terwijl hij, warm en amechtig van
het loopen, met een laatste waggeling zijner o-beenen, tusschen
welks open ruimte zich even een stuk van het landschap vertoonde,
onder het frissche lommer der populieren verscheen.
--Il parait, l'exposition allait justement commencer, glimlachte de
graaf, zijn ouden vriend de hand drukkend.
De baron was wellicht niet ouder dan de graaf, maar zijn nóg
moeilijker loopen deed hem ouder schijnen. Hij droeg een vollen
baard, die grijsde en de uitdrukking zijner zeer groote en ietwat
uitpuilende oogen had iets angstigs en benauwends, als van iemand
die voortdurend naar zijn adem snakt. Zijn zoon, een hoofd langer dan
hij, was een donker Mephisto-type, met een beginnend zwart snorretje
en zeer nauw-gespleten zwarte oogen, die nooit heelemaal frank de
menschen en de dingen aankeken. Zijn glimlach had iets grijnzends
en zijn glimmend haar was tot achter in den nek gescheiden door
een griezelig blauw-witte spleet, welke de boeren in 't geniep zijn
"luizenboulevard" noemden. Dikwijls werd door de menschen in het dorp
beweerd en voorspeld, dat meneer Gaëtan later met jonkvrouw Elvire
zou trouwen. Het heette dat het om zoo te zeggen al van in hun wieg
door de beide families aldus geschikt was en de menschen zeiden ook
dat het een heel mooi paar zou zijn, omdat zij op elkander leken.
Er was misschien wel iets van aan. Jonkvrouw Elvire leek op meneer
Gaëtan, maar zooals iets heel moois en liefs op iets ongunstigs en
onaangenaams kan lijken. Jonkvrouw Elvire had ook donkere haren en
oogen, maar zoo zacht en zoo open van uitdrukking. Haar teint was bleek
als dat van meneer Gaëtan, maar van een donzig-fluweelen matheid, een
matheid om heel zacht te aaien en te streelen, iets als een wasem,
dien men nauwelijks durft aan te raken. En instinctmatig voelden
de menschen voor jonkvrouw Elvire een uitgesproken en verteederde
genegenheid, en voor meneer Gaëtan, ondanks hun eerbied, iets van
benauwd ontzag en intuïtief-verwijderende angstigheid.
Meneer Wattenberg groette nederig-diep den baron en zijn zoon
en toen kwamen zij weer allen om de uitgestalde schilderijtjes
staan. Meneer Wattenberg schoof er dadelijk een drietal op zij,
die volgens hem in het geheel geen waarde hadden. Maar twee nam
hij er uit: een panoramisch landschap van een deel der streek en
een ander dat den terugtocht van de koeien met de zweep-klappende
koewachtertjes voorstelde; en daarover hoofdknikte hij goedkeurend,
en gaf, doctoraal-gewichtig, in het Fransch, uitvoerige explicaties.
Stil van gretige belangstelling ving jonkvrouw Elvire al zijn
woorden op. Waar hij prees tintelden haar naïeve kinderoogen van
blijmoedige geestdrift; waar hij meende te moeten afkeuren kwam er iets
gelaten-droevigs over haar matbleek gezichtje, als van teleurgestelde,
frissche illuzie. Ook de anderen zagen nieuwsgierig-zwijgend toe: de
groene Engelsche met glimlachenden tandenmond en vreemde uitroepingen
van verrassing, de beide oude heeren ietwat sceptisch op hun hoede
en meneer Gaëtan met zijn Mephisto-grijnslach, de nauw-gespleten,
donkere oogen telkens van de schilderijtjes afgeleid naar Elvire en
meer nog naar de Engelsche, die hij met heimelijk-geboeide aandacht
nauwkeurig scheen op te nemen en te ontleden. Fonske was heelemaal
op den achtergrond geraakt en scheen om zoo te zeggen vergeten; en de
groep der koewachtertjes verroerde niet, pal van spannende verwachting,
dicht op elkaar getroppeld met hun vuile, naakte beentjes en hun
blonde, bloote kopjes, als een trosje jonge, dichtgeplante boompjes,
roerloos rechtop tierend in de glinsterende zon.
Eindelijk keerde meneer Wattenberg zich om en kwam naar Fonske toe.
--Hedde gij goeste van veurt te leeren schilderen, manneken? vroeg hij:
--Joajik, meniere, antwoordde Fonske even schuw-opkijkend en dadelijk
weer de oogen neerslaande.
--Zoe-de gij iedere zondag nuchtijnk in de stad noar de teekenlesse
wille goan!
--Os ik mage van moeder, knikte Fonske.
--Ge zil meugen, menier de groave zal 't aan ou moeder vroagen en
ouën trein betoalen.
Fonske knikte, zwijgend.
--Hoe êwd zijt-e gij?
--Twoalf joar.
--Hèt-e nog broerkes of zusterkes?
Fonske schudde 't hoofd.
--Hawèl, 't es goed, besloot de meester. Zegt aan ou moeder, da menier
de groave heur morgen zal kome spreken. En ondertusschen meugt-e
veurt tiekenen en schilderen os ge tijd hêt, en ieder weeke zal ik
mee mejonkvreiw Elvire ou wirk komen noarzien. Verstoan, manneken?
Of Fonske het verstaan had! En of ook al de koewachtertjes het
verstaan hadden! Fonske vond geen woorden om te danken en kon alleen
maar schuchter met het hoofd knikken, doch al zijn kameraadjes keken
hem met groote oogen van heimelijk-afgunstige bewondering aan.
Jonkvrouw Elvire kwam naar hem toe.
--Zij-de nie blije? juichte zij met stralende oogen.
--O joa ik, mejonkvreiwe, os ik moar 'n mag van moeder, antwoordde
Fonske met een vuurkleur.
--Is n't he nice! streelde de Engelsche met verteederden glimlach.
--Hedde gij dat allemoal alliene gedoan? vroeg hem nu ook meneer Gaëtan
met zijn griezeligen, donkeren gezichtsgrijns. Maar hij luisterde niet
eens naar Fonske's antwoord; hij keerde hem den rug toe en begon in
vreemde taal gekheid te maken tegen Elvire en de Engelsche, die hij
aan 't lachen wist te brengen.
Benauwd keek Fonske op, als vreesde hij, dat er om hem gelachen
werd. De koewachtertjes, steeds roerloos in hun dichte groepje,
keken naar meneer Gaëtan's achterhoofd, naar zijn blauw-witten
"luizenboulevard" tusschen het glimmend-weggestreken donker haar. Er
was er een, die even het woord durfde fluisteren; doch met een
vermanend "zwijg, gie loeder" werd hij onzacht door de anderen den
mond dicht gestompt.
Meneer de graaf en meneer de baron, nog even in gesprek met
meneer Wattenberg, hadden zich langzaam omgekeerd. De zaak was
afgehandeld. Elvire zou als een verwend kindje haar zin krijgen met
Fonske; men zou het althans voor een tijdje probeeren; en reeds spraken
zij over andere dingen, over de aanstaande opening der jacht en over
enkele belangen der gemeente in verband met hun persoonlijke belangen.
Zij namen afscheid. Elvire en de Engelsche, gelukkig over het
welslagen van hun plannetje, gingen niet weg zonder Fonske de hand
te drukken. Ook de meester kwam nog eens bij hem en wakkerde hem aan
om vooral goed te leeren teekenen. Meneer Gaëtan ging met den graaf
en met de meisjes mee en meneer de baron keerde heel alleen, over de
uitgestrektheid van het weiland, licht-schommelend op zijn o-beenen,
naar zijn kasteel terug.
In stilte waren de koewachtertjes weer bij Fonske gekomen, die hen
nu zijn schilderijen liet bekijken. Zij drongen en stompten elkaar
om goed te zien en wisselden hun indrukken.
--Ge'n zil nie meugen van ou moeder, meende Feelke Brouwers.
--Hij zal van eigen meugen, os de groave wilt! verzekerde Rietje
Koarelkes. En hij zal rijke worden euk.
Fonske zei niets, pakte zijn schilderijtjes bij elkaar.
--Os hij rijke wordt moet hij ons trekteeren! besprak Mielke Katoor.
--En zijn hoar in ne luizen-boulevard kammen! proestlachte eensklaps
Dolfke van de Wiele.
--Zwijg, gie loeder! riepen al de anderen met verschrikte oogen naar
het grafelijk kasteel omkijkend.
--Lach gulder moar, hij es hij den besten. 'K wensche dat de jonkvreiwe
mij euk noar de tiekenschole liet goan, besloot Rietje Koarelkes.
Maar al de anderen lachten Rietje vierkant uit. Wat had die verstand
van teekenen! Hij kon nog niet eens goed zijn naam zetten op school.
Even kregen zij ruzie daarover. Scheldende monden snauwden elkaar
bijtend toe en de verkleurde piekharen schenen dreigend overeind
te rijzen. Het duurde maar een oogenblik. Alles kwam tot bedaren
en weldra verspreidden de koewachtertjes zich joelend en zingend en
zweepklappend over de groene uitgestrektheid van het met rustig-grazend
vee bebloemde weilandschap.